OVERWEGINGEN:
Het hof is na onderzoek gebleken dat de ernstige bezwaren voor het primair tenlastegelegde en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, nog steeds aanwezig zijn, zodat de beslissing van de rechtbank met overneming van de overwegingen dient te worden bevestigd.
Naar het oordeel van het hof doet zich niet voor het geval dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat verdachte bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.
Over de 12-jaarsgrond wil het hof het volgende opmerken. Wat onder een geschokte rechtsorde moet worden verstaan is door de wetgever niet omschreven, maar algemeen lijkt te zijn aangenomen dat het moet gaan om een situatie waarbij gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het aan verdachte verweten strafbaar feit zou zijn gepleegd, het in strijd zou zijn met de geldende rechtsopvatting dat de verdachte zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten, althans dat het in strijd zou zijn met de geldende rechtsopvatting wanneer de verdachte niet onverwijld in voorarrest zou worden genomen en voorlopig gehouden. Alhoewel de begrippen geschokte rechtsorde en social disturbance nagenoeg hetzelfde zijn, is de toets of er sprake is van een geschokte rechtsorde een lichtere toets dan vereist bij wat in het EVRM wordt verstaan onder social disturbance. Bij social disturbance gaat het om een situatie waarin sprake is van maatschappelijke onrust. Bij een geschokte rechtsorde gaat het over de vraag of gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het aan de verdachte verweten feit zou zijn gepleegd, de vrijlating van verdachte teneinde zijn berechting in vrijheid af te wachten, tot maatschappelijke onrust zou kunnen leiden omdat het voor de samenleving niet te begrijpen zou zijn en door die samenleving ook niet geaccepteerd zou worden wanneer de verdachte zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten, dan wel verdachte niet onverwijld in voorarrest zou worden genomen en voorlopig gehouden. Er hoeft niet daadwerkelijk sprake te zijn van opstand of onrust in de samenleving. De kans erop is voldoende. Het gaat hier naar het oordeel van het hof om een lichtere toets dan vereist bij wat in het EVRM wordt verstaan onder social disturbance.
Primair is verdachte poging doodslag tenlastegelegd, een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld. De verdenking is zeer ernstig. Vermoed wordt dat de verdachte, al dan niet in vereniging, ernstig letsel heeft toegebracht aan de aangever, waarna hij (en zijn medeverdachten) de aangever schijnbaar in hulpeloze toestand heeft achtergelaten in een berm. Uit het dossier blijkt dat veel personen op de hoogte zijn geraakt van dit heftige incident, via de lokale media of als voorbijganger. Bovendien zijn enkele getuigen direct geconfronteerd met het letsel van aangever. Dergelijke feiten brengen hevige gevoelens van onrust en onveiligheid mee voor in de eerste plaats het slachtoffer, maar ook voor de getuigen, voorbijgangers en de samenleving in zijn geheel. De rechtsorde is door het vermoedelijk begane feit ernstig geschokt. Gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder dit feit vermoedelijk werd gepleegd moet worden aangenomen dat het in de samenleving onbegrijpelijk en onaanvaardbaar zou worden gevonden als verdachte zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten, hetgeen tot maatschappelijke onrust zou leiden. Dat de invrijheidsstelling van de medeverdachte niet heeft geleid tot maatschappelijke onrust is in deze zaak minder relevant omdat er voldoende aanwijzingen in het dossier zitten dat het juist verdachte is die zou hebben gestoken.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 66, 67, 67a, en 69 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof bevestigt de beslissing waarvan beroep.
Aldus gegeven op 1 april 2026 door mr. A.H. Garos, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van
mr. C.I. Swinkels, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.