Wrakingskamer
Parketnummer: 21-000757-24
Wrakingsnummer: W.200.366.023
Uitspraakdatum: 31 maart 2026
Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door
[Verzoeker] ,
geboren te [Geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
volgens opgave van de verzoeker wonende te [adres] .
De procedure
Ter terechtzitting van de strafkamer van dit hof op 9 maart 2026 heeft de verzoeker de wraking verzocht van de raadsheren mrs. J. Steenbrink, J. Corthals en L.A. Kjellevold.
De raadsheren hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Van de raadsheren heeft alleen de voorzitter, mr. J. Steenbrink, in het wrakingsverzoek aanleiding gezien tot een inhoudelijke reactie. Voor wat betreft de getuigenverzoeken heeft de voorzitter opgemerkt dat deze verzoeken op de zitting van 9 maart 2026 zijn besproken en dat het hof nog op de verzoeken moet beslissen. Volgens de voorzitter is aan de verzoeker uitgelegd dat het hof hier veertien dagen de tijd voor zou nemen en dat daarna een tussen- of eindarrest zou volgen, afhankelijk van hoe het hof op de verzoeken zou beslissen. Daarnaast volgt ten aanzien van de processtukken uit het proces-verbaal van de zitting dat voor de zitting de stukken aan de verzoeker zijn toegestuurd en is op de zitting nagegaan of hij over alle stukken (het procesdossier van het hof) beschikte. Van de stukken die hij zei niet te hebben ontvangen, is (weer) een afschrift overhandigd door de griffier aan de verzoeker. Tot slot heeft de voorzitter voor wat betreft het verzoek van de verzoeker om stukken toe te voegen opgemerkt dat de verzoeker voorafgaand aan de zitting vele brieven met bijlage aan het hof heeft gestuurd en dat deze stukken allemaal aan het dossier zijn toegevoegd. Over het verzoek van de verzoeker op de zitting meer stukken te (doen) toevoegen heeft het hof nog geen beslissing genomen.
Ter terechtzitting van de wrakingskamer op 17 maart 2026 is de verzoeker verschenen. Hij heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht aan de hand van de pleitnota die hij aan het hof heeft overgelegd en die aan het wrakingsdossier is toegevoegd.
Ontvankelijkheid
De wrakingskamer acht het verzoek in de onderhavige zaak tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het verzoek tot wraking
De verzoeker heeft aangegeven dat zijn herhaalde verzoeken tot aanvulling van het dossier, verstrekking van essentiƫle processtukken en inhoudelijke behandeling van zijn onderzoekswensen structureel niet of onvoldoende gemotiveerd zijn gehonoreerd. Hierdoor is volgens de verzoeker het beginsel van equality of arms onder druk komen te staan en is zijn verdedigingsbelang onvoldoende erkend en in onderlinge samenhang bezien wekt dit de schijn van vooringenomenheid. Op de zitting heeft de verzoeker mondeling nog een toelichting gegeven op de gronden van het verzoek zoals opgenomen in zijn pleitnota.
Juridisch kader
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Tevens geldt dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, beslissingen te nemen over (onder meer) de procedurele aspecten. Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.
De beoordeling van het verzoek tot wraking
Voor zover het verzoek zich richt op de verzoeken tot aanvulling van het dossier constateert de wrakingskamer dat uit de wijze van handelen van het hof, zoals van een en ander is gebleken uit het proces-verbaal dat is opgemaakt naar aanleiding van de zitting, niet is gebleken van vooringenomenheid van de betrokken raadsheren jegens de verzoeker, dan wel dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Immers, de stukken die de verzoeker voorafgaand aan de zitting aan het hof heeft doen toekomen zijn aan het dossier toegevoegd. Daarnaast heeft de verzoeker ter zitting de processen-verbaal ontvangen waarvan de verzoeker stelde dat hij die niet ontvangen had en is hem een leespauze aangeboden.
Ten aanzien van de overige onderzoekswensen van de verzoeker stelt de wrakingskamer vast dat het hof ter zitting heeft aangegeven dat het hof niet direct een beslissing zou nemen op de ingediende verzoeken, maar dat het de zaak inhoudelijk wilde behandelen en dat veertien dagen later een tussenbeslissing of een eindbeslissing zou volgen, zodat er nog geen beslissing is genomen met betrekking tot de onderzoekswensen van de verzoeker. Uit het opgemaakte proces-verbaal is niet gebleken dat de verzoeker zich daartegen heeft verzet.
Het hof is dan ook van oordeel dat dit punt evenmin grond kan vormen voor wraking.
Tot slot geeft hetgeen de verzoeker in zijn ter zitting van de wrakingskamer overgelegde pleitnota heeft opgenomen ook geen aanleiding om te vermoeden dat sprake is van vooringenomenheid bij het hof.
Uit een en ander blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer derhalve niet van vooringenomenheid of partijdigheid van mr. Steenbrink, mr. Corthals en/of mr. Kjellevold en evenmin dat de bij de verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af het verzoek tot wraking van mr. J. Steenbrink, mr. J. Corthals en mr. L.A. Kjellevold .Aldus gewezen door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. R.A.V. Boxem en mr. J.U.M. van der Werff, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,
en op 31 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. R.A.V. Boxem is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. A. van Maanen, voorzitter,
mr. A. Hermelink, advocaat-generaal,
mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verzoeker is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.