ECLI:NL:GHARL:2026:2214

ECLI:NL:GHARL:2026:2214

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 21-004581-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Jeugdzaak. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de tenlastegelegde vernieling; niet voldaan aan klachtvereiste. Vrijspraak mishandeling ex-vriendin; onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Afwijzing vorderingen tenuitvoerlegging.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 en op de zitting bij de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Van Viegen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De kinderrechter heeft verdachte voor vernielingen gepleegd in de woning van zijn moeder en de mishandeling van zijn ex-vriendin veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan veertig uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Daarnaast heeft de kinderrechter ten aanzien van de twee vorderingen tot tenuitvoerlegging telkens beslist tot verlenging van de proeftijd.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de kinderrechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk

- meerdere, althans een, muren en/of deuren en/of

- inboedel van een woning,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of woningbouwvereniging [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,

- te slaan in het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- die [slachtoffer 3] bij de keel te grijpen en die keel (meerdere seconden) dicht te knijpen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernielingen gepleegd in de woning van zijn moeder. Uit artikel 316, tweede lid en artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat artikel 350 Sr een relatief klachtdelict is. Dit betekent dat indien de verdachte een bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte lijn, hetzij in de tweede graad van de zijlijn, is van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, de vervolging alleen plaatsvindt als door de klachtgerechtigde een klacht is ingediend tegen de verdachte. Dit heeft tot gevolg dat de verdachte alleen kan worden vervolgd voor vernieling als de aangever ook kenbaar heeft gemaakt dat zij wil dat de verdachte wordt vervolgd.

Het hof stelt vast dat de klacht niet volgens artikel 66, eerste lid, Sr is ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend werd. De vervolging stuit daarop als uitgangspunt af. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de vervolging zonder formele of tijdige klacht toch mogelijk is als binnen de gestelde termijn van drie maanden voldoende blijkt dat de klager de wens had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Het hof is van oordeel dat de moeder van verdachte op 16 januari 2025 weliswaar aangifte heeft gedaan, maar dat daaruit niet zonder meer volgt dat de moeder ook de wens heeft gehad dat haar zoon zou worden vervolgd. Ze heeft in de aangifte immers aangegeven dat zij aangifte doet om de schade te verhalen, maar vooral omdat ze wil dat haar zoon hulp krijgt bij zijn problemen. Naar het oordeel van het hof is daarmee onvoldoende gebleken dat bij moeder een wens tot strafvervolging bestond, zodat niet voldaan is aan het hiervoor weergegeven vereiste zoals door de Hoge Raad geformuleerd. Daar komt nog bij dat aangeefster op 8 oktober 2024 te kennen heeft gegeven dat zij haar klacht - weliswaar eveneens buiten de daarvoor geldende termijn - wenst in te trekken.

Nu niet voldaan is aan het klachtvereiste wordt het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard.

Vrijspraak feit 2 (mishandeling ex-vriendin)

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld wat er precies gebeurd is. De verklaringen lopen daarvoor teveel uiteen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan het hof niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat verdachte aangeefster daadwerkelijk heeft geslagen, dan wel bij haar keel heeft gegrepen. Een enkele aangifte is niet voldoende om tot het bewijs van een strafbaar feit te komen, terwijl voor de aangifte in het onderhavige dossier te weinig steunbewijs is te vinden. Het hof overweegt daarbij dat de foto van het letsel bij aangeefster ook past binnen de verklaring van verdachte over hetgeen er gebeurd zou zijn, terwijl de verklaring van de moeder van verdachte dat zij verdachte en aangeefster heeft horen kibbelen eveneens te weinig steun oplevert voor het feit dat verdachte aangeefster zou hebben mishandeld. Daar komt bij dat de getuige [getuige] aangeefster weliswaar heeft horen roepen ‘ [verdachte] , niet doen’, maar dit kan – gelet op het feit dat verdachte in hetzelfde tijdsbestek ook met zijn vuisten op de muren sloeg – ook daarop hebben gezien. Daarmee is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde mishandeling.

De verdachte zal daarom van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging (05-158561-23)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023 met parketnummer 06-158561-23 voorwaardelijk opgelegde werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu verdachte niet is veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Vordering tenuitvoerlegging (16-075086-23)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023 met parketnummer 16-075086-23 voorwaardelijk opgelegde werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu verdachte niet is veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 16 juli 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2023, parketnummer 05-158561-23, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 16 juli 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Utrecht van 12 oktober 2023, parketnummer 16-075086-23, voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. S. Bek, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?