ECLI:NL:GHARL:2026:2215

ECLI:NL:GHARL:2026:2215

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 21-004612-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Jeugdzaak. Bewezenverklaring openlijk geweld. Het hof acht de door de kinderrechter opgelegde straf passend, gelet op de aard en de ernst van het gepleegde geweld, maar gelet op de voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte legt het hof een werkstraf van veertig uren op. Vordering benadeelde partij toegewezen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 maart 2026 is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. F.A. van Katwijk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De kinderrechter heeft verdachte voor openlijke geweldpleging tegen personen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie waarvan dertig uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De kinderrechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle in hoger beroep geldende wettelijke vereisten van een vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairzij op of omstreeks 25 juni 2025 te [plaats] openlijk, te weten, op de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door die [benadeelde]

- meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of op het lichaam te slaan,

- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te trappen,

- meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,

- in haar duim te bijten,

- bij haar keel te grijpen en deze dicht te knijpen en/of

- het incident te filmen;

subsidiairzij op of omstreeks 25 juni 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde] heeft mishandeld, door die [benadeelde]

- meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of op het lichaam te slaan,

- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te trappen en/of

- meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging (primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging)

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primairzij op of omstreeks 25 juni 2025 te [plaats] openlijk, te weten, op de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door die [benadeelde]

- meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of op het lichaam te slaan,

- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te trappen,

- meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,

- in haar duim te bijten,

- bij haar keel te grijpen en deze dicht te knijpen en/of

- het incident te filmen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan twintig uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon, een jong meisje. In het dossier zijn camerabeelden aanwezig waarop (een deel van) het geweld te zien is. Het hof is geschrokken van de agressiviteit van verdachte en het door haar gepleegde geweld, zoals dat op die beelden te zien is.

Verdachte en haar mededaders hebben door hun gewelddadige optreden inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Aangeefster is geslagen, geschopt, gebeten en aan haar haren getrokken. Door dit geweld heeft aangeefster letsel opgelopen. Naast de fysieke gevolgen van het incident heeft zij ook last gehad van gevoelens van angst en onveiligheid. Nu dit geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg versterkt dit ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Voor jeugdigen geldt bij openlijk geweld tegen personen als vertrekpunt een taakstraf van veertig uren dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Als relevante strafverzwarende omstandigheid geldt hier de aard en de ernst van het geweld.

Bij de bepaling van de strafmaat is ook gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 februari 2026 betreffende verdachte waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld.

Ook heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 oktober 2025 waarin wordt aangegeven dat de betrokken hulpverlening moeilijkheden ervaart om met [verdachte] en haar moeder in contact te komen en dat individuele hulp en begeleiding voor [verdachte] wordt afgehouden. Ook wordt vermeld dat [verdachte] meermaals in vechtpartijen/conflicten terecht is gekomen. Verder blijkt dat de schoolgang van [verdachte] (inmiddels) weer positief verloopt, zij gemotiveerd is en er geen sprake meer is van verzuim. De Raad onthoudt zich echter van een advies omdat zij niet met [verdachte] en haar moeder hebben kunnen spreken.

Op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [verdachte] weer op [scholengemeenschap] zit en daar goede resultaten behaalt. Ook loopt [verdachte] stage bij [winkel] waaraan zij veel plezier beleeft. Daarnaast heeft [verdachte] aangegeven dat zij geen contact meer heeft met haar mededaders en het slachtoffer en dat zij zich sinds het tenlastegelegde afzijdig houdt van soortgelijke situaties.

Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde geweld, acht het hof de door de kinderrechter opgelegde straf in beginsel een passende straf is. Het hof wil in het voordeel van verdachte rekening houden met de voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte, zoals die ter terechtzitting van het hof van 10 maart 2026 zijn gebleken.

Alles afwegende acht het hof een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren met aftrek van het voorarrest, waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.605,62 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade (in de vorm van lichamelijk letsel) heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden, gelet op het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. De vordering wordt daarom toegewezen tot het nog aan de orde zijnde bedrag van € 500,00.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 juni 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. S. Bek, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?