[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing zowel betrokken wat op de zitting van het hof van 31 maart 2026 als op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten (kort gezegd: het voorhanden hebben van een gaspistool (feit 1) en bijbehorende patronen (feit 2)) tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de advocaat-generaal onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen gaspistool en de munitie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.S.J. Chorus, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van een gaspistool en daarbij behorende munitie. De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter beslist tot onttrekking aan het verkeer van de voornoemde goederen.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor zover het betreft de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.
Voor het overige bevestigt het hof het vonnis, met aanvulling van de bewijsoverwegingen.
Aanvullende overwegingen met betrekking tot het bewijs
Fotoconfrontatie
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat ten onrechte een enkelvoudige fotoconfrontatie is gehouden. Aan de zeer jonge getuige is – zo blijkt uit het verhoor bij de raadsheer-commissaris – immers door de politie een foto getoond van verdachte. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat het door de getuige gegeven signalement van de twee personen, onder wie de persoon met het wapen in de hand, beïnvloed is door de toen aan haar getoonde foto. Onder deze omstandigheden kan de betrouwbaarheid, herkenning en omschrijving van verdachte door de getuige door de verdediging niet getoetst worden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, dan wel tot uitsluiting van het bewijs van de verklaring van de getuige.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat op 15 juli 2024 om 18.10 uur bij de politie een melding is binnengekomen dat er iemand stond met een pistool bij een woning aan [adres 2] in [plaats] . Daar aangekomen werd de politie meegedeeld dat er net een auto was weggereden met het [kenteken] . De te naam gestelde van het voertuig bleek vervolgens niet ver van [adres 2] , aan de [straat] , woonachtig en twee voertuigen van de politie zijn daarna gereden in de richting van dit adres. Daar werd het voertuig aangetroffen, evenals twee mannen die later verdachte en zijn broertje bleken te zijn. Van hen werd gezien dat zij uit een hok/overkapping aan de rechterkant van de woning kwamen.
Omdat de politie niet duidelijk kreeg wat er precies was gebeurd, is [verbalisant] terug naar [adres 2] gereden. Daar bleek dat inmiddels een getuige was gehoord, die een signalement van de door haar waargenomen personen had gegeven. Het signalement van de jongen die het wapen vasthad luidde: ‘donkerbruin/ blond haar, kort kapsel, wit/licht kleurig t shirt en een joggingbroek’.
Toen op dat moment duidelijk werd dat verdachte en zijn broertje voldeden aan het signalement dat door de getuige was gegeven, werd besloten een zoeking naar het vuurwapen te doen in en bij de woning aan de [straat] . Onder de overkapping bij het huis, waar verdachte en medeverdachte even daarvoor werden gezien, zijn daarna het gaspistool en bijbehorende patronen gevonden. Vervolgens zijn verdachte en zijn broertje aangehouden.
Het hof gaat er – op basis van het nadere verhoor van deze getuige in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris – vanuit dat de getuige na het door haar gegeven signalement een politiefoto van verdachte is getoond op basis waarvan zij verdachte heeft herkend. Steun voor deze gang van zaken en de volgordelijkheid ervan vindt het hof om te beginnen in de omstandigheid dat de getuige gevraagd naar het tonen van de foto door de politie als reden opgeeft: “om te vragen of hij dat was’.
Verder is in dit kader de door de getuige gegeven beschrijving van de foto van belang: ‘ik denk, misschien is hij al eerder in de gevangenis geweest ofzo, of een keer opgepakt, (…) maar het was wel dezelfde foto die ze hadden van hem.’ In het dossier bevinden zich twee foto’s van verdachte: één zogenaamde identificerende politiefoto waarop alleen het hoofd van verdachte te zien is en één foto op de dag van de ten laste gelegde feiten met verdachte zittend op een scooter voor zijn huis. Op die laatste foto is verdachte volledig in beeld. Op basis van de door de getuige gegeven beschrijving van de foto gaat het hof ervan uit dat haar een eerdere politiefoto van verdachte is getoond. Daarop is niet te zien welke kleding verdachte draagt. Van afstemming van het door haar gegeven signalement op basis van de door de politie getoonde foto, is naar het oordeel van het hof dan ook niet gebleken.
Het hof concludeert om te beginnen op basis van het voorgaande dat uit niets blijkt dat de waarneming van de getuige en het door haar gegeven signalement is gekleurd door het tonen van een foto. Verder geldt dat de herkenning van de foto niet van doorslaggevend belang is geweest voor de beslissing tot doorzoeking van de woning en overkapping waarbij het gaspistool met munitie werd aangetroffen. De politie was op basis van de melding van een persoon met vuurwapen en het daarbij doorgegeven kenteken immers al bij de woning van verdachte aanwezig. De aanhouding van verdachte heeft bovendien pas plaatsgevonden nadat het vuurwapen was aangetroffen op een plaats waar hij vlak daarvoor nog was gezien.
Gelet op al het voorgaande is geen sprake van een vormverzuim dat tot enig gevolg, zoals niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting, zou moeten leiden. Het hof acht de verklaringen van de getuige betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Voorwaardelijk verzoek tot DNA-onderzoek aan het wapen en de hulzen
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging het verzoek herhaald om het aangetroffen wapen en de munitie te laten onderzoeken op mogelijk aanwezig DNA-materiaal.
Het hof wijst het verzoek af en overweegt hiertoe als volgt.
Voornoemd verzoek is al bij appelschriftuur gedaan. Het hof sluit zich, mede gelet op het feit dat geen nieuwe onderbouwing aan het verzoek ten grondslag is gelegd, aan bij de motivering van de afwijzing van dit verzoek door de raadsheer-commissaris en neemt deze overwegingen over:
In haar verklaring van 15 juli 2024 geeft getuige (…) aan dat degene die zij zegt met een pistool in handen te zien, opvallende oranje handschoenen droeg. Over de tweede persoon zegt zij dat deze zich wat afzijdig hield en dat hij er maar een beetje bij stond. Dat die tweede persoon het pistool in handen zou hebben gehad, verklaart zij niet. De omstandigheid dat enerzijds de persoon die het pistool heeft gehanteerd handschoenen droeg en anderzijds van de andere persoon is gesteld noch gebleken dat die het pistool heeft gehanteerd maakt, dat onderzoek naar DNA-sporen ten aanzien van de verdachten geen toegevoegde waarde zal hebben. Immers, wanneer van de verdachten géén DNA op het wapen wordt aangetroffen, past dit slechts bij de feiten en omstandigheden die op grond van het dossier kunnen worden vastgesteld. Voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering bestaat derhalve niet de noodzaak om eventuele DNA-sporen te onderzoeken.
Conclusie
Het hof is, mede gelet op het vonnis en het hiervoor overwogene, van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, die in het vonnis zijn opgesomd. Het hof verenigt zich met deze bewijsmiddelen en zal deze – als tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – uitwerken in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op de eendaadse samenloop van
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens
en munitie en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft, samen met de medeverdachte, een gaspistool en daarbij behorende munitie voorhanden gehad. Door zo te handelen heeft verdachte gezorgd voor gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Een meisje van destijds 9 jaar oud is, buiten spelend, met het handelen van verdachte geconfronteerd. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen.
Uit een uitdraai van het strafblad van verdachte van 25 februari 2026 volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke feiten als onderhavige. Dit betekent dat zijn strafblad geen strafverzwarende omstandigheid is bij de strafoplegging.
Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, kijkend naar de ernst van de feiten, de oriëntatiepunten en zoals ook opgelegd door de politierechter, passend en noodzakelijk.
Het hof weegt echter ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Verdachte heeft verteld dat hij een dochter heeft van bijna 3, voor wie hij samen met zijn ex-partner zorgdraagt in de vorm van co-ouderschap. Hij heeft een nieuwe vriendin en heeft afstand gedaan van eerdere hem negatief beïnvloedende contacten. Verdachte werkt nu bijna een jaar bij zijn huidige opdrachtgever en heeft de toezegging gekregen dat zijn tijdelijke contract in juni 2026 wordt omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd. Verdachte heeft aangegeven een keerpunt te hebben bereikt in zijn leven en dat hij, anders dan eerder, van betekenis wil zijn in de maatschappij.
Hieruit, in samenhang bezien met zijn strafblad, lijkt voorzichtig te volgen dat verdachte – na een langere periode met frequente politie- en justitiecontacten – inderdaad een andere weg is ingeslagen. Het hof ziet hierin aanleiding geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen, maar kiest voor een taakstraf.
Gelet op het voorgaande, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk.
Beslag
Het ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het op de beslaglijst vermelde gaspistool (Walther P99, [goednummer 1] ) en de munitie ( [goednummer 2] - 10 patronen). Deze voorwerpen worden aan het verkeer onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. F. van der Maden en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 april 2026.