[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in Penitentiaire Inrichting in [locatie] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing zowel betrokken wat op de zitting van het hof van 31 maart 2026 als op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de hem tenlastegelegde woninginbraak tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 10-317765-21 en 21-004291-19 en afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 96-076199-21 en 96-198391-21. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.W. Syrier, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van de hem tenlastegelegde woninginbraak.
Het hof komt in dit arrest tot een bewezenverklaring. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 24 november 2023 t/m 25 november 2023 te [plaats] , althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sleutels en/of een kluis met inhoud en/of een juwelenkistje met inhoud en/of een glazen pot met inhoud en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest – in geval van cassatie – zullen worden opgenomen.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Terwijl de bewoners van [adres] in [plaats] op vakantie waren, is er in de periode van 24 tot en met 25 november 2023 ingebroken in hun woning. Daarbij zijn verschillende goederen weggenomen. In de gang van de woning werd een kleed aangetroffen dat deels gescheurd was. Het vermoeden is dat dit kleed is gebruikt bij het verslepen van een zwaar voorwerp, zoals een kluis. Het kleed is bemonsterd en forensisch onderzocht. Daaruit blijkt dat er een DNA-mengprofiel werd aangetroffen, afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. De mogelijke donor van het celmateriaal (van één van deze drie profielen) is verdachte. De resultaten van het onderzoek op dit punt zijn ‘extreem veel waarschijnlijker’ wanneer de bemonstering van het spoor DNA bevat van de verdachte en twee onbekende, niet verwante personen (hypothese 1), dan wanneer de bemonstering van het spoor DNA bevat van drie onbekende, niet verwante personen (hypothese 2). Verder is aan de binnenkant van het raamkozijn van een in de woning ingerichte ruimte als kantoor een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarbij met eenzelfde waarschijnlijkheidsgraad ook DNA-materiaal van [medeverdachte] is aangetroffen. Op basis van het dossier staat voor het hof buiten redelijke twijfel vast dat de dader(s) als eerste door dit raam naar binnen is/zijn gekomen.
Op grond van het voorgaande constateert het hof – hetgeen overigens ook niet betwist is door de verdediging – dat het aangetroffen DNA-spoor op het kleed aan verdachte toebehoort. Het hof stelt vast dat het spoor is aangetroffen op een kleed dat zich voorafgaand aan de inbraak al in de woning bevond. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de omschrijving uit het proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2023 dat het kleed de indruk wekt dat het is gebruikt door (een) persoon/personen die verantwoordelijk is of zijn voor de inbraak. Het hof oordeelt dan ook dat het van verdachte aangetroffen DNA-spoor een daderspoor betreft.
Gelet op voornoemde omstandigheden mag van verdachte worden verwacht dat hij concreet verklaart hoe het kan dat zijn DNA in de woning is aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde bij [medeverdachte] verbleef en dat hij bij hem ook handschoenen had liggen. Volgens de verdediging heeft de medeverdachte die handschoenen mogelijk bij de inbraak gebruikt. Het DNA van verdachte zou dus mogelijk via secundaire overdracht op deze manier op het bemonsterde kleed terecht zijn gekomen. Nu het DNA-materiaal het enige is wat verdachte, die ontkent, aan de inbraak linkt en dit alternatieve scenario niet is weerlegd, moet vrijspraak volgen, aldus de raadsman.
Het hof acht de verklaring van verdachte en het daarin genoemde alternatieve scenario dermate algemeen en hypothetisch geformuleerd dat de verklaring volstrekt onvoldoende concreet en niet aannemelijk is geworden. Het hof stelt dit scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
Het hof is van oordeel dat ook het DNA-spoor van de medeverdachte dat is aangetroffen als daderspoor is aan te merken. Gelet op het feit dat verdachte en [medeverdachte] bekenden van elkaar zijn, in samenhang met de inhoud van het dossier en het hiervoor overwogene, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de woninginbraak samen met de medeverdachte heeft gepleegd.
Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof de tenlastegelegde woninginbraak dus wettig en overtuigend bewezen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 24 november 2023 t/m 25 november 2023 te [plaats] , in een woning aan [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, sleutels en een kluis met inhoud en een juwelenkistje met inhoud en een glazen pot met inhoud en een portemonnee die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Tijdens de vakantie van de bewoners is er uit hun woning een aantal kostbare goederen weggenomen. Naast de financiële schade die dit soort feiten aan de bewoners toebrengt, zorgt een woninginbraak bij zowel de bewoners als omwonenden voor een gevoel van onveiligheid. Verdachte heeft uitsluitend gehandeld uit eigen financieel gewin en heeft kennelijk geen rekening gehouden met de financiële en emotionele gevolgen van zijn bewezenverklaarde handelen voor de slachtoffers.
Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van een uitdraai van verdachte’s strafblad van 25 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld, ook met betrekking tot vergelijkbare zaken. Dit neemt het hof in strafverzwarende zin mee in de strafoplegging.
Het hof heeft de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bij de strafoplegging betrokken. Het uitgangspunt bij een woninginbraak betreft – bij recidive – een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging parketnummers 10-317765-21 en 21-004291-19
In de zaak met parketnummer 10-317765-21 is verdachte op 21 april 2022 door de rechtbank te Rotterdam veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. In de zaak met parketnummer 21-004291-19 is verdachte op 2 december 2021 door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opgelegd met een proeftijd van 2 jaren.
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze vorderingen zijn ter zitting in hoger beroep ook aan de orde gekomen.
Uit het dossier blijkt naar het oordeel van het hof dat ten aanzien van bovengenoemde vorderingen de tenuitvoerlegging reeds is toegewezen en reeds ten uitvoer wordt gelegd. Het hof verklaart het openbaar ministerie daarom, zoals ook verzocht door de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk in deze vorderingen.
Vordering tot tenuitvoerlegging parketnummers 96-076199-21 en 96-198391-21
In de zaak met parketnummer 96-076199-21 is verdachte op 26 september 2022 door de politierechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van 2 jaren. In de zaak met parketnummer 96-198391-21 is verdachte op 8 juli 2022 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 1 jaar.
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze vorderingen zijn ter zitting in hoger beroep ook aan de orde gekomen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd bovengenoemde vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat hij toewijzing niet (meer) opportuun acht.
Gehoord de vordering van de advocaat-generaal en de omstandigheid dat verdachte op dit moment een lange gevangenisstraf uitzit in een andere strafzaak, en dat hij aansluitend daarop nog gevangenisstraffen uit zal zitten in verband met eerder toegewezen vorderingen tot tenuitvoerlegging, acht het hof tenuitvoerlegging van de beide onderhavige vorderingen op dit moment niet opportuun. Verdachte moet op enig moment ook weer met een schone lei kunnen beginnen. Het hof wijst de vordering daarom af.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 10-317765-21.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 21-004291-19.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland van 7 februari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 26 september 2022, parketnummer 96-076199-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland van 5 februari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2022, parketnummer 96-198391-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 1 jaar.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. F. van der Maden en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 april 2026.