[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 31 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft, zoals volgt uit het hiervoor genoemde vonnis waartegen het hoger beroep gericht is:
Het hof komt in dit arrest ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij, op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 493 kilogram, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, model Witness 1911, kaliber .45 ACP, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer scherpte patronen kaliber .45 ACP, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen voor feit 1
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het onder 1 ten laste gelegde bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. Het hof volstaat onder deze omstandigheden met een opgave van de volgende bewijsmiddelen:
- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen;
- deskundigenrapporten afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.02.29.074 (aanvraag 001 t/m 026 en 028 t/m 038), van 29 februari 2024, 4 maart 2024 of 19 april 2024, opgemaakt door ing. [naam 1] of ing. [naam 2] , op de door hen afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundigen;
- een proces-verbaal van bevindingen onderzoek Google Pixel 6a.
Op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een zeer grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Bij de doorzoeking in de loods aan de [locatie] in [plaats] is op de bovenverdieping in de slaapkamer een pistool met munitie aangetroffen. Dit pistool was verpakt in een plastic tas die in een dichte schoenendoos zat. Het pistool en patroonmagazijn zijn onderzocht op DNA-sporen. Hierop is DNA van twee andere personen aangetroffen, maar geen DNA van verdachte. Omdat het vuurwapen niet in het zicht lag en er geen DNA van verdachte op is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie, zodat niet bewezen kan worden dat hij het wapen en de munitie opzettelijk voorhanden heeft gehad. Daarom zal het hof verdachte, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank en de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging, van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 493 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om sterk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de zeer geringe betrokkenheid die verdachte had bij het onder 1 ten laste gelegde feit. Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij heeft een eigen bedrijf dat goed draait. Gelet hierop en met verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten en uitspraken in soortgelijke zaken verzoekt de raadsvrouw om aan verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op te leggen.
Het oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 493 kilogram cocaïne. Het is algemeen bekend dat deze hoeveelheid harddrugs een straatwaarde heeft van miljoenen euro’s. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit en de daarmee gepaard gaande overlast en criminaliteit. De drugshandel gaat vaak gepaard met diverse vormen van zware georganiseerde criminaliteit, zoals geweldsfeiten. Niet zelden loopt een drugsdeal uit de hand, met alle al dan niet dodelijke gevolgen van dien. Daarnaast zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Het is namelijk erg verslavend en kan bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen.
Verdachte heeft in hoger beroep meer openheid van zaken gegeven over zijn rol. Dit deed hij evenwel pas nadat hij in hoger beroep werd geconfronteerd met de ontcijferde chatberichten in een telefoon die in de loods was aangetroffen en waaruit volgde dat zijn rol groter was dan hij eerder had verklaard.
Naar zeggen van verdachte fungeerde hij als beheerder van de loods.
Het hof ziet echter aanknopingspunten in het dossier dat de rol van verdachte groter was dan hij heeft verklaard, maar dat dit lijkt ingegeven door het feit dat hij niet durft te verklaren. Het is algemeen bekend dat het voorkomt dat verdachten uit angst voor represailles niet volledig durven te verklaren. In het geval van verdachte acht het hof dit aannemelijk, mede gelet op dat het hof ervan uitgaat dat verdachte niet alleen heeft geopereerd en dat uit de ontcijferde chatberichten lijkt te volgen dat niet alleen verdachte gebruik maakte van de telefoon. Verdachte lijkt een meer ondersteunende rol te hebben gehad in het bewezen verklaarde feit. Hoe verwijtbaar deze rol ook is, betekent dit dat verdachte niet de ‘grote man’ achter de drugshandel was. Het hof ziet daarom aanleiding om in dit geval in voor verdachte gunstige zin hiermee rekening te houden bij de strafoplegging.
De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 26 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten en dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht op de zitting van het hof. Verdachte heeft een positieve wending aan zijn leven gegeven en heeft zijn leven nu goed op orde. Hij heeft een eigen bedrijf dat goed loopt.
De op te leggen straf
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de hierboven weergegeven aard en ernst van het bewezen verklaarde feit enkel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt het hof rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Het hof neemt dus in strafverminderende zin mee dat de verdachte een relatief kleine rol lijkt te hebben gehad in het bewezen verklaarde feit.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De straf is lager dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Dit verschil wordt verklaard door wat het hof hierboven heeft overwogen over de rol van verdachte en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Geen beslissing
De rechtbank heeft een beslissing genomen over de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen.
Op de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van alle inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met uitzondering van de Apple iPhone 15. Daarom zijn ten aanzien van de voorwerpen waar verdachte afstand van heeft gedaan, geen afzonderlijke beslissingen meer vereist en zal het hof dan ook geen beslissingen nemen over deze inbeslaggenomen voorwerpen.
Teruggave aan verdachte
Het hof zal teruggave gelasten aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp en niet teruggegeven Apple iPhone 15 (nummer 17 op de beslaglijst).
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2024056778-G3303119, Grijs, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. J. Hielkema en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 14 april 2026.
Mr. J.F.C. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.