GVM P25/275
Beslissing van 2 april 2026
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
ingeschreven op het [adres] ,
verder te noemen: de betrokkene.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 24 juli 2025. Deze beslissing houdt in de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: gvm-maatregel) voor de duur van twee jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast onder meer op:
Het hof heeft ter zitting van 19 maart 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de raadsman van betrokkene, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Amsterdam.
Verder heeft hof ter zitting als deskundige gehoord:
- [naam] , als reclasseringswerker verbonden aan [reclassering] .
Overwegingen
Het standpunt van de betrokkene
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de gvm-maatregel af te wijzen. Het is onjuist dat het recidiverisico hoog is. Betrokkene heeft alle behandelmethodes doorlopen en dat heeft destijds geleid tot een advies voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Betrokkene wilde echter niet meewerken aan de nieuwe situatie die in juli 2025 is ontstaan, omdat hij de reclassering verantwoordelijk houdt voor het frustreren van zijn behandeltraject. Hij heeft zelfstandig resultaten geboekt, zoals het vinden van bestendige woonruimte en betaald werk.
Subsidiair is verzocht om bij toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in ieder geval de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarde van behandeling niet opnieuw op te leggen, omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging daarvan. Ook het reclasseringstoezicht dient te vervallen.
De toelichting van de ter zitting gehoorde deskundige
De deskundige heeft aangegeven dat reclasseringstoezicht op de opgelegde voorwaarden niet uitvoerbaar is als betrokkene niet wil vertellen waar hij zich bevindt. Het contact dat de reclassering heeft met betrokkene is alleen telefonisch en functioneel van aard. De reclassering blijft desondanks bij het advies de gvm-maatregel ten uitvoer te leggen voor de duur van twee jaren, gelet op het recidiverisico dat zonder verdere behandeling, begeleiding en toezicht als hoog wordt ingeschat.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank in verband met wijziging van de bijzondere voorwaarden. Aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van de vordering is voldaan. Het recidiverisico is hoog, betrokkene heeft een complexe stoornis en is niet afdoende behandeld. Er is ook sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Het gedrag van betrokkene richting mensen die als professional bij hem betrokken zijn is dreigend en intimiderend. Betrokkene heeft zich na een eerdere veroordeling niet gehouden aan de toen opgelegde voorwaarden en dat baart zorgen. Dit alles geeft ruimte en aanleiding om aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat betrokkene opnieuw een misdrijf zal begaan waarvoor een gvm-maatregel opgelegd kan worden. De beslissing van de rechtbank dient echter vernietigd te worden omdat een actuele medische verklaring ontbreekt, waardoor oplegging van de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling niet mogelijk is. De andere door de rechtbank opgelegde voorwaarden zijn op grond van de stukken in het dossier voldoende onderbouwd. Dat betrokkene niet wil meewerken doet niets af aan het feit dat dit kader wel noodzakelijk is voor de beperking van het risico.
Het oordeel van het hof
Bevestiging
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen, met uitzondering van het laten vervallen van een van de bijzondere voorwaarden als hierna overwogen.
Bijzondere voorwaarden
De rechtbank heeft in eerste aanleg onder meer de volgende bijzondere voorwaarde aan de gvm-maatregel verbonden:
"Veroordeelde laat zich behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start bij aanvang van de toezichttermijn. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt."
Het hof is met de raadsman van betrokkene en de advocaat-generaal van oordeel dat de oplegging van deze bijzondere voorwaarde niet aan het in artikel 6:6:23a, derde lid, Sv voorgeschreven vereiste voldoet, nu geen actuele medische verklaring is overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt. Het hof zal deze bijzondere voorwaarde dan ook niet opnieuw opleggen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt met uitzondering van het laten vervallen van de ambulante behandelverplichting als bijzondere voorwaarde de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 24 juli 2025, met betrekking tot de betrokkene [betrokkene].
Aldus gedaan door
mr. M.J. Vos, voorzitter,
mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. W.A. Holland, raadsheren,
en drs. I.E. Troost en drs. B. van Giessen, raden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.C. van den Berg-Veltman, griffier,
en op 2 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.