GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.470
zaaknummer rechtbank Overijssel 11731574 BM VERZ 25-1205
beschikking van 2 april 2026
over het verzoek tot opheffing van het bewind
in de zaak van
[verzoeker] ( [verzoeker] ),
die woont in [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. M.P. Smit,
en
Stadsbank Oost Nederland (de bewindvoerder),
die gevestigd is in Enschede,
en
[belanghebbende2] (de echtgenote),
die woont in [woonplaats1] ,
en
[belanghebbende3] (de zoon),
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
en
[belanghebbende4] (de dochter),
die woont in [woonplaats3] .
1. Samenvatting
De kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
Op 15 mei 2013 heeft de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] , omdat [verzoeker] als gevolg van zijn geestelijke en/of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Stichting Bewindvoeringen Findool is toen benoemd tot bewindvoerder. Het bewind is destijds uitgesproken op verzoek van [verzoeker] .
Inmiddels is Stadsbank Oost Nederland de bewindvoerder.
3. De procedure bij de kantonrechter
[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om het bewind op te heffen. De kantonrechter heeft dit verzoek in een beschikking van 1 augustus 2025 afgewezen.
4. De procedure bij het hof
[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof het bewind alsnog opheft.
De bewindvoerder voert aan dat het bewind nog noodzakelijk is en wil dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 20 oktober 2025
een brief van de bewindvoerder van 10 november 2025
een bericht van [verzoeker] van 13 februari 2026 met de beschikking waarbij het bewind is uitgesproken
De zitting bij het hof was op 5 maart 2026. Een minder gelukkige wijze van communiceren van het hof over de planning van deze zitting bleek verwarring te hebben gezaaid over het aanvangstijdstip van de zitting: de bewindvoerder was in de ochtend aanwezig en [verzoeker] en zijn advocaat verkeerden in de veronderstelling dat de zitting in de middag zou plaatsvinden. De bewindvoerder heeft het hof in de ochtend laten weten dat haar standpunt onveranderd is ten opzichte van haar brief van 10 november 2025 en dat de zitting in de middag zonder haar kon worden vervolgd. Een en ander is door het hof ’s ochtends telefonisch afgestemd met de advocaat van [verzoeker] . In de middag heeft het vervolg van de zitting plaatsgevonden. Daarbij was [verzoeker] in persoon aanwezig. De advocaat van [verzoeker] was inmiddels door treinuitval gestrand op het station in Zutphen en heeft, met instemming van [verzoeker] , telefonisch deelgenomen aan de zitting.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kantonrechter kan, als de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter kan het bewind ook ambtshalve opheffen.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof vindt net als de kantonrechter dat het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind, moet worden afgewezen. Omdat [verzoeker] om opheffing van het bewind verzoekt, ligt het op zijn weg om te onderbouwen dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Hierin is [verzoeker] naar het oordeel van het hof niet geslaagd, zodat het hof bij deze stand van zaken geen aanleiding ziet voor opheffing van het bewind. De beslissing van de kantonrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof ligt dat hieronder toe.
Het bewind is ingesteld omdat [verzoeker] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. [verzoeker] heeft niet aangetoond dat de lichamelijke of geestelijke toestand die destijds de aanleiding was tot het instellen van het bewind, niet meer bestaat, of dat deze situatie op dit moment in ieder geval niet meer aanwezig is.
Daarnaast is voor het hof voldoende duidelijk dat [verzoeker] hulp nodig heeft bij het regelen van zijn vermogensrechtelijke belangen. Een eerder ingezet zelfredzaamheidstraject heeft (slechts) opgeleverd dat [verzoeker] in plaats van weekgeld nu maandgeld ontvangt. Desgevraagd heeft [verzoeker] verteld aan het hof dat hij zijn maandgeld besteedt voor de dagelijkse uitgaven: de vaste lasten en andere financiële zaken worden allemaal nog door de bewindvoerder betaald en geregeld. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij de kans wil krijgen om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen met vrijwillige hulp. [verzoeker] heeft in dat kader laten weten ervoor open te staan om door Stadsbank geholpen te blijven worden, maar dan door middel van budgetbeheer. Omdat budgetbeheer slechts tijdelijk hulp biedt en niet is gebleken dat [verzoeker] binnen afzienbare tijd in staat zal zijn zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, is budgetbeheer in dit geval naar het oordeel van het hof echter geen geschikt alternatief voor bewind. De bereidheid van [verzoeker] om vrijwillige hulpverlening te aanvaarden, is onvoldoende om aan te nemen dat de noodzaak van het bewind niet meer bestaat.
Dat voortzetting van het bewind, zoals [verzoeker] stelt, niet zinvol is vanwege de moeizame samenwerking met de bewindvoerder, is naar het oordeel van het hof ook niet gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel [verzoeker] als de bewindvoerder laten weten dat zij een zelfredzaamheidstraject voor [verzoeker] niet (langer) zien zitten. Daarnaast heeft [verzoeker] laten weten dat hij aardig is en blijft tegen de bewindvoerder en dat lijkt aan te sluiten bij de verklaring van de bewindvoerder dat tussen haar en [verzoeker] sprake is van wederzijds respect en een goede verstandhouding.
[verzoeker] heeft aangegeven dat hij het bedrag dat is gemoeid met de kosten van de bewindvoering (€ 116 per maand) graag zou willen besparen om zo bijvoorbeeld cadeautjes voor zijn kleinkinderen te kunnen kopen en om leuke dingen met ze te kunnen doen. Het hof gaat er, nu van het tegendeel niet is gebleken, vanuit dat de bewindvoerder, zoals een goed bewindvoerder betaamt, waar dat mogelijk is aanspraak maakt op voorliggende voorzieningen voor de bewindvoerderskosten. Ook neemt het hof aan dat waar de inkomsten van [verzoeker] en een verantwoord financieel beheer dat toelaten, ook met dergelijke gebruikelijke uitgaven in het maandgeld van [verzoeker] rekening wordt gehouden.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 augustus 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, E. de Boer en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.