[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 8 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, en de raadslieden van de benadeelde partij, mr. C.H. Dijkstra en mr. R. Spoelstra, hebben aangevoerd.
Vonnis
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 3 juni 2025:
In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Verder komt het hof in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en strafoplegging dan de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , in/bij café [naam] , gelegen aan of bij de [locatie] , aldaar, als beveiliger/portier, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] aan een been heeft meegetrokken en (vervolgens) met veel kracht zijn (linker)knie in de buik, althans in/op het (onder)lichaam, van die [slachtoffer] heeft geduwd/gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , in/bij café [naam] , gelegen aan of bij de [locatie] , aldaar, als beveiliger/portier, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een darmperforatie, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, aan een been mee te trekken en (vervolgens) met veel kracht zijn (linker)knie in de buik, althans in/op het (onder)lichaam, van die [slachtoffer] te duwen/drukken;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, in/bij café [naam] , gelegen aan of bij de [locatie] , aldaar, als beveiliger/portier, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, aan een been mee te trekken en (vervolgens) met veel kracht zijn, verdachtes,
(linker)knie in de buik, althans in/op het (onder)lichaam van die [slachtoffer] te
duwen/drukken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een
darmperforatie, ten gevolge heeft gehad;
meest subsidiair
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, in/bij café [naam] , gelegen aan of bij de [locatie] , aldaar, in de uitoefening van zijn beroep als beveiliger/portier, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld, door die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, aan een been mee te trekken en (vervolgens) met veel kracht zijn (linker)knie in de buik, althans in/op het (onder)lichaam, van die [slachtoffer] te duwen/drukken, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een darmperforatie, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde, inhoudende poging tot doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op de zitting van het hof bepleit dat vrijspraak dient te volgen van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet onomstotelijk of zonder gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de knie-impact de oorzaak is van het letsel van aangever. Er zijn alternatieve oorzaken, zoals eerdere valincidenten, die niet door de politie of de deskundigen van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna LOEF) zijn onderzocht. Het incident betreft naar de mening van de verdediging een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij geen sprake is van boos of voorwaardelijk opzet, maar van een ongewild gevolg van een val die verdachte niet had kunnen voorkomen.
Wat betreft de aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar letsel heeft de raadsman betoogd dat deze kans volgens de deskundigen van LOEF uiterst klein is. Daarnaast blijkt uit de reacties van omstanders, waaronder de (professionele) collega’s van verdachte, niets dat duidt op een risicovolle situatie. Dit wijst erop dat, op basis van algemene ervaringsregels, de kans op overlijden of zwaar letsel kennelijk niet als aanmerkelijk werd ingeschat.
Indien het hof toch van oordeel is dat sprake is van een aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar letsel, ontbreekt bewijs dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Zelfs indien er sprake zou zijn van een afzet, moet deze gezien worden als een onvermijdelijk gevolg van de valbeweging van verdachte, en niet als een bewuste handeling om letsel te veroorzaken.
Ten slotte heeft de raadsman met betrekking tot het meest subsidiaire tenlastegelegde betoogd dat verdachte niet verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld, aangezien het letsel niet voorzienbaar was. De verdediging stelt dat de zeldzaamheid van het letsel en het ontbreken van eerdere vergelijkbare gevallen maken dat het risico niet redelijkerwijs door verdachte kon worden voorzien.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Op 1 september 2024 in de avond krijgt de politie de melding dat een negentienjarige jongen (naar later blijkt aangever [slachtoffer] ) onwel is geworden, waarbij is gevraagd om personeel van het Mobiel Medisch Team (MMT) op te vangen. Ter plaatse ziet verbalisant [verbalisant] aangever op een brancard liggen en concludeert dat er mogelijk sprake is van shockverschijnselen. Het medisch personeel vertelt aan de verbalisant dat uit een echo blijkt dat bloed te zien is in de maag van aangever. De verbalisant hoort van de vader van aangever dat die heeft gehoord dat aangever die nacht een kroeg is uitgezet en daarbij een trap in zijn maag heeft gekregen. Daarna is telefonisch contact opgenomen met vier getuigen, allen vrienden van aangever. Zij verklaren dat aangever door een beveiliger uit [naam] in [plaats 1] is gezet, omdat hij met een glas had gegooid dan wel een glas had laten vallen. Vervolgens zijn op 2 en 3 september 2024 de camerabeelden van [naam] in [plaats 1] veiliggesteld.
De politie heeft de camerabeelden van café [naam] , gelegen aan de [locatie] in[plaats 1] , van 1 september 2024 bekeken en als volgt beschreven.Om 02:19:24 uur verschijnt de beveiliger (het hof begrijpt: [getuige 1] ) met een jonge man (het hof begrijpt: aangever) in beeld. De beveiliger houdt met zijn linkerhand de nek van aangever vast en maakt met zijn rechterhand een doorgang waar hij langs kan lopen. Om 02:19:38 uur loopt de beveiliger met aangever van de trap, waarbij aangever voor de beveiliger loopt. Om 02:19:44 uur glijdt aangever met zijn rug van de trap. Om 02:20:00 uur komt de beveiliger met aangever naar buiten, waar een andere beveiliger (het hof begrijpt: verdachte) zit. Om 02:20:10 uur zegt [getuige 1] iets tegen verdachte en loopt naar binnen. Om 02:20:17 uur staat verdachte naast de op de grond liggende aangever. Om 02:20:26 uur houdt verdachte met zijn rechterarm een been van aangever vast en loopt in de richting van de uitgang van het terras. Om 02:20:28 uur houdt verdachte aangever bij zijn been vast. Om 02:20:31 uur maakt aangever een trappende beweging in de richting van verdachte. Verdachte maakt daarop een wankelende beweging, doet zijn linkerbeen omhoog en komt vervolgens met zijn knie in de buikstreek van aangever terecht. Direct daarna houdt aangever beide handen op zijn buik en wordt hij door verdachte voorbij (het hof begrijpt en leest: verder) geschoven. Aangever blijft vervolgens bewegingsloos met zijn handen op zijn buik op de grond liggen, waarna verdachte hem opnieuw bij zijn been pakt en buiten de dranghekken op de grond laat liggen.
Op 4 september 2024 wordt [getuige 2] , de vader van aangever, als getuige gehoord. Hij verklaart dat aangever op 1 september 2024 rond 03:00 in beschonken toestand thuiskwam en riep dat een bewaker hem had geschopt. Aangever had veel pijn en moest herhaaldelijk overgeven. Op een gegeven moment verslechterde zijn situatie en is besloten om de hulpdiensten te laten komen. Zij zagen een bloeding in de buik van aangever, waarna hij met spoed is overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum [plaats 2] en aldaar in kritieke toestand op de intensive care verbleef (het hof begrijpt en leest: werd opgenomen). Vanwege een geperforeerde darm en daaropvolgende complicaties is tweemaal een stuk darm verwijderd.
Op 6 december 2024 doet aangever [slachtoffer] aangifte van poging tot doodslag, zware mishandeling dan wel zwaar lichamelijk letsel door schuld.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 1 september 2024 als beveiliger/portier aan het werk was bij [naam] in [plaats 1] en heeft erkent dat hij met zijn knie in de buikstreek van aangever terecht is gekomen.
Alternatief scenario
Met betrekking tot de door de verdediging aangevoerde alternatieve oorzaak van het letsel is het hof van oordeel dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk zijn geworden die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat het letsel van aangever door een andere oorzaak of op een ander moment is ontstaan dan door de knie-impact van verdachte. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat aangever weliswaar met zijn rug van de trap is gegleden, echter zonder dat er daarvoor of daarna zichtbaar letsel aan zijn buik of elders op zijn lichaam aanwezig was. Ondersteuning voor de stelling dat het letsel nog op enig ander moment die avond is ontstaan treft het hof niet aan. Daarbij komt dat aangever na de knie-impact onmiddellijk zijn handen op zijn buik legt en deze daar houdt en zich vervolgens niet meer actief verzet tegen het wegslepen, wat het directe verband tussen de knie-impact en het letsel bevestigt.
Gezien het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het buikletsel van aangever het gevolg is van de knie-impact door verdachte. Het verweer wordt verworpen.
Opzet
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat ook als het opzet van verdachte niet gericht is geweest op het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel, sommige handelingen toch zodanig van aard kunnen zijn dat alleen al in die handelingen het voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg schuilt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door zijn handelen zou kunnen komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal kan het hof niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat verdachte bewust zijn knie in de buik van aangever heeft gedrukt met als doel hem te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van ‘vol’ opzet is daarom geen sprake. Voorwaardelijk opzet kan naar het oordeel van het hof evenmin worden vastgesteld. Daarbij overweegt het hof dat, voor zover al geconcludeerd zou kunnen worden dat in zekere zin sprake is geweest van een bewuste handeling, onvoldoende duidelijk is dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van poging tot doodslag, zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Schuld
Voorts dient het hof te beoordelen of verdachte in zijn hoedanigheid als beveiliger/portier roekeloos dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld en aldus schuld heeft gehad aan het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
Het hof stelt voorop dat onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Naar het oordeel van het hof is in onderhavige situatie geen sprake geweest van roekeloosheid in deze betekenis, nu onvoldoende duidelijk is dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorts geldt in het algemeen dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de eventuele bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt. Normaliter wordt het gedrag beoordeeld met als uitgangspunt ‘de normale mens’, maar er zijn gevallen waarin voor personen wegens hun bijzondere hoedanigheid hogere eisen aan hun kennis en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is (de zogenoemde Garantenstellung). Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde, zoals het letsel van aangever, bij deze beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.
In dit geval wordt verdachte in zijn functie van beveiliger/portier geacht een verhoogde zorgplicht te hebben jegens de betrokkene bij de situatie. Verdachte is dan ook gehouden om zijn gedrag af te stemmen op de bijzondere verantwoordelijkheden die bij deze functie horen.
Het hof overweegt dat de voorzienbaarheid van het letsel niet van doorslaggevend belang is voor de beoordeling van de schuld van verdachte. In dit geval ligt de focus op de zorgvuldigheid van het handelen van verdachte, in plaats van op de vraag of het letsel voorzienbaar was. De omstandigheden dat verdachte aangever op een onzorgvuldige wijze heeft verplaatst, terwijl aangever (stom)dronken was en bewegingsloos op de grond lag, door hem achter zich aan één been mee te trekken over het stenen terras zonder naar hem te kijken en oog te hebben voor de fysieke toestand van aangever, leiden volgens het hof tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Daarbij komt dat verdachte geen enkele vorm van aandacht aan aangever heeft besteed om te verifiëren of zijn handelen nadelige gevolgen had voor het welzijn van aangever, ondanks dat aangever na de knie-impact onmiddellijk zijn handen op zijn buik legde. Integendeel, verdachte heeft aangever verder over de verharde grond meegesleept en hem buiten de dranghekken van het terras voor oud vuil achtergelaten, terwijl hij zelf meteen door ging met zijn werkzaamheden, zonder zich om het welzijn van aangever te bekommeren of zelfs achterom te kijken
Verdachte heeft verklaard dat hij het protocol volgde en dat hij achteraf zijn gezicht naar aangever had moeten keren, teneinde het gedrag van aangever te kunnen observeren. Het hof overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat sprake was van een zodanig veiligheidsrisico dat deze manier van handelen – een persoon liggend op zijn rug aan een been over een verharde achtergrond voortslepen – de aangewezen of noodzakelijke methode was om aangever van het terras te verwijderen. Het hof is van oordeel dat verdachte zijn handelen in strijd was met de zorgvuldigheid en oplettendheid die van een beveiliger verwacht mag worden.
Op verzoek van de verdediging heeft M. Constantinides onderzoek verricht en rapport uitgebracht. Het hof volgt deze deskundige niet in zijn opvatting dat aangever uitsluitend door toedoen van verdachte ten val zou zijn gekomen. Dat het wegslepen aan een been door een beveiliger onder bepaalde omstandigheden kan worden gezien als de meest veilige methode wil het hof nog wel aannemen, maar in dit dossier is nergens ondersteuning te vinden voor de noodzaak van deze toch grove aanpak. Aangever was weliswaar (stom)dronken en vervelend, maar lag toen verdachte hem bij zijn been pakte op zijn rug op de grond, van agressieve handelingen of wapens was geen sprake. Al heeft aangever weerstand geboden aan zijn verwijdering uit het pand door zich te laten vallen en niet mee te werken, een rechtvaardiging voor de inzet van de door verdachte gebruikte methode is dit niet, laat staan de wijze waarop verdachte deze verwijdering heeft uitgevoerd.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat verdachte zijn zorgplicht als beveiliger/portier heeft geschonden door onzorgvuldig en onoplettend te handelen. Het hof verwerpt het verweer.
Zwaar lichamelijk letsel
Het hof dient ten slotte te beoordelen of bij aangever sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat, buiten de gevallen genoemd in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, lichamelijk letsel als zwaar kan worden beschouwd wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat als gevolg van de door verdachte verrichte gedraging aangever letsel heeft opgelopen, namelijk een darmperforatie (een scheur in de dunne darm met een lengte van tien centimeter) met alle medische gevolgen en complicaties van dien. Voor het letsel en de ernstige gevolgen en complicaties hiervan was medisch ingrijpen door middel van onder andere opname en een langer verblijf op de intensive care en meerdere (vele) operaties noodzakelijk. Gelet op de aard en de locatie van het letsel (inwendig aan een orgaan), het noodzakelijke en medische ingrijpen en de vermoedelijke duur van het herstel en de mogelijk blijvende gevolgen kan naar het oordeel van het hof het bij aangever geconstateerde letsel naar normaal spraakgebruik zonder meer als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.
Het hof acht het meest subsidiaire tenlastegelegde, te weten het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door schuld, wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
meest subsidiairhij op 1 september 2024 te [plaats 1] bij café [naam] , gelegen aan de [locatie] , aldaar in de uitoefening van zijn beroep als beveiliger/portier aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, aan een been mee te trekken en vervolgens zijn knie in de buik van die [slachtoffer] te drukken, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een darmperforatie, heeft bekomen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het meest subsidiair bewezenverklaarde levert op:
aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij aangever door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen in de uitoefening van zijn functie als beveiliger/portier. Verdachte heeft bij het verwijderen van aangever van het terras zijn knie in de buik gedrukt van de op de grond liggende aangever.
Aangever heeft als gevolg van het handelen een scheur van tien centimeter in de dunne darm bekomen. Een spoedoperatie in het ziekenhuis was noodzakelijk, aangever is in coma geraakt en er zijn vervolgens ernstige complicaties ontstaan. Aangever ligt uiteindelijk 111 dagen in het ziekenhuis en moest aansluitend 56 dagen naar een revalidatiekliniek. Ook volgden bijna dertig buikoperaties vanwege het opgelopen letsel en de complicaties. Er zijn blijvende gevolgen voor aangever, onder andere doordat zijn dunne darm sterk is ingekort. Verdachte heeft door zijn handelen een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. In de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring heeft aangever indringend duidelijk gemaakt hoe zijn leven is verlopen na het delict. Hij ondervindt tot op heden de gevolgen van het handelen van verdachte, zowel fysiek als mentaal. Aangever heeft blijvende fysieke beperkingen door het handelen van verdachte. Bovendien speelde het feit zich af midden in de nacht voor de uitgang van een drukbezochte uitgaansgelegenheid in het bijzijn van (jong) publiek. Dit moet indruk hebben gemaakt en hun gevoel van veiligheid hebben aangetast. Ook wakkeren dit soort delicten niet zelden gevoelens van onveiligheid, onrust en verontwaardiging aan in de samenleving.
Persoon van verdachte
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026, waaruit volgt dat hij in 2023 een strafbeschikking heeft opgelegd gekregen voor mishandeling.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte de gevolgen van zijn handelen al enigszins heeft ondervonden. Zo heeft verdachte besloten niet meer als portier werkzaam te willen zijn en heeft hij – naar eigen zeggen – zijn beveiligerspas ingeleverd en na zijn aanhouding niet meer als beveiliger gewerkt.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de strafsoort en hoogte heeft het hof verder gekeken naar andere, evenwel niet onverkort vergelijkbare, zaken waarin door zeer onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelen dodelijke en zwaargewonde slachtoffers zijn gevallen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat verdachte wordt veroordeeld voor een schulddelict en niet, als door de rechtbank, voor een opzetdelict. Veelal is in die schuldzaken een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Hoewel niet rechtstreeks toepasbaar heeft het hof ook gelet op de in de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij een dodelijk of zwaargewond slachtoffer is gevallen en sprake is van een zeer hoge mate van schuld bij de veroorzaker. Daarin wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot uitgangspunt genomen.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.
Bijkomende straf
Het hof heeft gelet op het feit dat verdachte het misdrijf heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als beveiliger/portier. Verdachte heeft ter terechtzitting herhaaldelijk aangegeven dat hij naar eer en geweten zijn beroep heeft uitgeoefend. Het hof leidt daaruit af dat verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet. Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om verdachte te ontzetten uit het recht om het beroep van beveiliger/portier uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 162.814,37 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 62.814,37 materiële schade en € 100.000,00 immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 84.903,25. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat een bedrag van € 122.296,00 wordt gevorderd, bestaande uit € 47.296,00 materiële schade en € 75.000,00 immateriële schade.
Materiële schade
Het hof is met betrekking tot de materiële schade van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat de gehele door de benadeelde gevorderde schade veroorzaakt is door het handelen van verdachte. Voorts overweegt het hof dat de omvang en diversiteit van de schadeposten complex en omvangrijk zijn en dat daarnaast in het strafproces onvoldoende ruimte is voor debat over de precieze omvang van deze schade. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit meebrengt dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek. Daarbij betrekt het hof dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij is blootgesteld aan een zeer angstige en levensbedreigende situatie. Uit de door de benadeelde partij afgelegde slachtofferverklaring volgt dat hij tot op heden fysieke, psychische en sociale gevolgen van het gebeurde ondervindt.
Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en voorts gelet op de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waaronder de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met (eventuele) geldontwaarding. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de “Rotterdamse schaal”, een gestructureerde bandbreedte van toe te kennen smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. Het hof heeft hierbij gelet op de genoemde bedragen bij opgelopen darmletsel. Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van
€ 45.000,00. De benadeelde partij zal voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente, proceskosten, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 1 september 2024. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 36f, 308 en 309 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meest subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van beveiliger/portier voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het meest subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het meest subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 208 (tweehonderdacht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. H.J. Deuring en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 april 2026.