Bewijsoverweging feit 1 en 2
Inleiding
Op 16 december 2020 heeft de politie een inval gedaan in een loods in [plaats 1] . Deze loods is van medeverdachte [medeverdachte 1] . In de loods blijkt een hennepstekkerij te zitten. In en rondom de loods worden vier Vietnamese personen aangetroffen die daar aan het werk waren, waaronder verdachte en aangeefster. Aangeefster heeft aangifte gedaan van mensenhandel en heeft verklaard dat ze in de schuur moest werken zonder betaling. Naar aanleiding daarvan is het onderzoek Masaya gestart.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen laten zien dat aan de zijde van verdachte sprake was van een combinatie van dwang, dreiging met geweld of andere feitelijkheden, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misleiding en misbruik van een kwetsbare positie. Verdachten wilden zich verrijken uit de werkzaamheden van aangeefster en daaruit voordeel trekken. Tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is daarbij sprake geweest van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering dat gesproken kan worden van medeplegen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het openbaar ministerie zich kan verenigen met het vonnis van de rechtbank. Gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en niet helemaal correspondeert met de gang van zaken als weergegeven in het dossier. Alles overziend waren de aard van tewerkstelling, de beperkingen die het voor aangeefster meebracht en het economische voordeel voor verdachte niet van dusdanige aard dat vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van het oogmerk van uitbuiting of een uitbuitingsituatie.
De verdediging heeft zich in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring feit 2. Verzocht is om de tenlastegelegde periode in te korten tot drie weken voor de inval op 16 december 2020.
Oordeel van het hof
Vaststelling van feiten ten aanzien van feit 1 en 2
Op 16 december 2020 werd een onderzoek ingesteld op het adres [locatie] te [plaats 1] , binnen de gemeente [gemeente] , vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet. Ter plaatse heeft medeverdachte [medeverdachte 1] de elektrische roldeur van de losstaande loods geopend. Nadat de roldeur was geopend werd toegang verkregen tot de loods. In de loods was een afgetimmerde ruimte waarin de hennepstekkerij zich bevond. Het bleek dat er hennepstekken en moederplanten aanwezig waren. In kweekruimte 1 stonden meerdere moederplanten in potten. In totaal stonden er 176 moederplanten.
In kweekruimte 2 stonden meerdere bloempotten waarin jonge moederplanten werden opgekweekt. In totaal stonden er 177 moederplanten. In kweekruimte 3 stonden 3790 hennepstekken.
In de schuur bevonden zich in totaal zes vertrekken. Vijf van deze vertrekken waren in gebruik ten behoeve van het kweken van hennep. Het zesde vertrek betrof een ‘open’ ruimte achter de roldeur. De ruimte aan het begin van dit vertrek, gezien vanaf binnenkomst via de roldeur, was deels in gebruik als opslag. Tevens stond hier een voertuig (Peugeot 206) geparkeerd. Halverwege de schuur stond een douchewagen zijnde een gesloten aanhangwagen waarin een douche en toilet gesitueerd was. Achter in de loods stond een caravan. Achter deze caravan stond een kunststof tuinstoel. In de zitting van deze tuinstoel was een gat gemaakt waarin een emmer was geplaatst. De verbalisant zag dat in deze emmer uitwerpselen zaten en hij rook de geur van urine afkomstig uit de emmer. Linksachter in de loods was een primitief keukentje gemaakt. Hierin stond onder meer een afwasteiltje met daarin vervuild water, een overvolle prullenbak met daarin, deels rottende, etensresten.
De verbalisant heeft de caravan door de openstaande deuropening bekeken. In de caravan was het zeer rommelig. Er stonden diverse pannen/kommen met eten(resten). Een krukje deed kennelijk dienst als stoeltje. De stroom in de caravan was zeer brandgevaarlijk aangelegd. Dit betrof namelijk een niet goed afgeschermde stroomkabel waarvan enkele koperdraden zichtbaar waren. In de caravan was een kleine kachel aanwezig. De bewegingsruimte in de caravan was nihil.
In een van de ruimtes die in gebruik was ten behoeve van de hennepkweek was een kraan aanwezig waaruit enkel koud water werd verkregen.
De schuur betrof een vrijstaande, niet geïsoleerde schuur waarbij de temperatuur in de schuur nagenoeg gelijk was aan de temperatuur buiten. Op het moment van binnentreden, 16 december 2020, was het behoorlijk koud in de schuur. Naar later bleek dat het op dat moment buiten ongeveer 5 graden was. In de schuur waren geen ramen aanwezig en was er weinig tot geen verlichting aanwezig waardoor het 24/7 behoorlijke donker in de schuur was.
In de schuur werden vier Vietnamese personen aangetroffen:
- [verdachte]
- [medeverdachte 3]
- [benadeelde]
- [naam 1]
Deze vier personen hebben allen de Vietnamese nationaliteit. De vier spraken niet of nauwelijks Nederlands, één van hen had in het geheel geen papieren bij zich: [benadeelde] .
De bijnamen van [verdachte] zijn: [verdachte] , [verdachte] en [verdachte] .
De bijnamen van [medeverdachte 2] zijn: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] .
[benadeelde] werd op 17 december 2020 als verdachte gehoord. Zij verklaarde dat ze geen papieren had en nergens geregistreerd stond. Zij is door [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) naar de loods gebracht. Op de dag van de aanhouding (16 december 2020) was hij niet in de loods aanwezig; wel de dag er voor. Hij werkte ook in de loods. Onder meer gaf hij de planten water.
Aangifte mensenhandel
[benadeelde] heeft aangifte gedaan van mensenhandel. Ze heeft verklaard dat zij moest werken in de hennepkwekerij zonder dat ze een cent kreeg. Ze moest de planten water geven. Ze is daar door meneer [medeverdachte 2] (medeverdachte [medeverdachte 2] ) heen gebracht. Ze verbleef in de loods. Daar was een caravan. Het was heel donker in de loods. Dag en nacht waren hetzelfde, altijd donker. Toen ze eenmaal in de loods was kon ze nergens naar toe. Ze moest daar blijven. Het was erg koud in de loods. Eerst moest ze haar behoefte doen in een bakje. Pas later kreeg ze een wc. Als haar een foto wordt voorgehouden van een stoel met een emmer erin verklaart ze dat ze daar haar behoefte zat te doen. Ze moest water koken om met een doekje haar lichaam te wassen. Ze wisten dat ze geen kant op kon, dat ze geen geld had en geen plek om te verblijven. Ook wisten ze dat ze geen papieren had en de taal niet sprak.
Aangeefster heeft tijdens haar verhoor op 8 april 2021 verklaard dat zij bang is. De organisatie is groot en zij is alleen. De vrouw op de foto herkent zij als [verdachte] (verdachte). Aangeefster is bang voor wraak van hun. [verdachte] (verdachte) kwam naar de loods in [plaats 1] om aangeefster aanwijzingen te geven. [verdachte] was ook eigenaar. Op de foto die met de telefoon van [verdachte] is gemaakt op 15 december 2015 herkent aangeefster hennepstekjes. [verdachte] zou de dozen met hennepstekjes meenemen. [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) en [verdachte] hebben een dag voor de aanhouding de stekjes opgehaald. [verdachte] weet van haar situatie en dat ze daar is achtergelaten. Ook door [medeverdachte 3] uit Tsjechië werden aanwijzingen gegeven.
In haar verhoor op 16 juni 2021 heeft aangeefster verklaard dat zij [benadeelde] is en gebruik maakt van het facebook-account met die naam. Verder heeft ze verklaard dat ze ook wel [benadeelde] wordt genoemd. Aangeefster heeft eerst instructies gekregen van de westerse mannen en de laatste drie weken voor de aanhouding van [verdachte] . Sinds [verdachte] de instructies gaf heeft ze ook geen cent ontvangen.
In haar verhoor van 7 december 2021 heeft aangeefster verklaard dat zij wel om geld heeft gevraagd, maar dit nooit heeft ontvangen. Op de vraag hoe zij in [plaats 1] terecht is gekomen heeft aangeefster verklaard dat [verdachte] haar naar het station heeft gebracht en een kaartje voor haar heeft gekocht. [verdachte] heeft voor haar opgeschreven op welk station ze moest uitstappen. Op dat station werd ze opgehaald door [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]). Hij heeft haar vervolgens naar [plaats 1] gebracht. Aangeefster was erbij toen [verdachte] geld aan [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4]) gaf om goederen voor de hennepstekkerij te kopen. [verdachte] gaf 20.000 euro aan hun. Aangeefster is wat gerustgesteld nu zij weet dat [verdachte] is aangehouden. [verdachte] durft alles te doen en ze heeft ook een wapen. [verdachte] vertelde aangeefster dat ze een geweer heeft. [verdachte] heeft op haar telefoon een foto staan van een westerse man met een tatoeage op zijn bovenarm. [verdachte] liet aangeefster de foto zien en vertelde dat als iemand [verdachte] zou verraden deze man kon worden ingeschakeld. De man zat bij een motorbende. [verdachte] vertelde aangeefster ook dat ze adressen had waar ze hennep kon kopen en verkopen. [verdachte] heeft tegen aangeefster gezegd dat als aangeefster aangehouden zou worden, aangeefster [verdachte] niet mocht verraden. [verdachte] is de baas over de hennepstekkerij. [verdachte] heeft het meeste geïnvesteerd en daarom is zij de baas. [verdachte] gaf aangeefster direct opdracht. Het klopt dat [verdachte] tegen aangeefster schreeuwde. [verdachte] was de baas over aangeefster. Ongeveer twee weken voor haar aanhouding zag aangeefster de westerlingen niet meer. Voor die tijd kwamen ze om heel veel stekjes mee te nemen en te verkopen. Daarna kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) de stekjes ophalen.
Telefoongegevens aangeefster ( [benadeelde] )
In de schuur waar de hennepstekkerij is aangetroffen stond een caravan. In de caravan lag een briefje met daarop de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Dat zijn een Nederlands en een Zweeds nummer.
Op het Facebook account van [benadeelde] staan verschillende foto’s die sterk lijken op de politiefoto die gemaakt is van aangeefster, qua onder meer de haarlijn en gezichtslijnen. Het Expertisecentrum Identiteitsfraude & Documenten (ECID) van de Koninklijke Marechaussee (KMAR), heeft de foto’s vergeleken en een grote gelijkenis geconstateerd. In een Facebookgesprek met verdachte zegt [benadeelde] op [benadeelde] december 2020 uur: ‘ [telefoonnummer 3] is mijn nummer'. Even later die dag om 12:19 uur zegt [benadeelde] : ‘Sinds ik hier ben, gebruik ik geen nummer van Zweden meer’.
Vanaf 17 november 2020 tot 18 december 2020 wordt de GSM-mast in [plaats 1] onafgebroken, elke dag, aangestraald door nummer [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Het nummer [telefoonnummer 2] straalt in de periode van 22 oktober 2020 tot [benadeelde] november 2020 elke dag onafgebroken een GSM-mast in [plaats 1] aan. De locatie van GSM-masten die tussen 12 november 2020 en 17 november 2020 in [plaats 2] zijn aangestraald door het nummer, bevinden zich alle drie op relatief korte afstand van de woning van verdachte.
Uit historische telefoongegevens blijkt verder dat nummer [telefoonnummer 1] gekoppeld aan [benadeelde] op 17 november 2020 van [plaats 2] , waar verdachte woont, naar [plaats 1] gaat.
Gelet op de locaties van aangestraalde GSM-masten, de Facebookpagina van [benadeelde] met gelijkende foto's, de inhoud van chats en de eigen verklaring van aangeefster stelt het hof vast dat aangeefster dezelfde persoon is als voornoemde [benadeelde] en daarmee de gebruikster is geweest van nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .
Telefoongegevens verdachte [verdachte] en (chat)berichten
Onder verdachte is een Samsung J7 (SM-J730F) telefoon in beslag genomen met IMEI nummer [nummer 1] .
Op de telefoon zijn diverse gebruikersnamen aangetroffen die erop wijzen dat zij gebruikster van deze telefoon was. Ze gebruikte onder meer chat- en belapplicaties Viber en WhatsApp met telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Bij WhatsApp is de gebruikersnaam [verdachte] gebruikt, die ook op haar Facebook staat.
Op de Samsung J7 staat een gesprek dat is gevoerd tussen [benadeelde] en verdachte. Op 30 november 2020 wordt een gesprek gevoerd tussen verdachte en aangeefster. Verdachte schrijft: “Morgen om 1 of 2 uur kom ik om te werken.” en “Ik kom maar je haalt het er uit zodra het droog wordt, al 10cm dan haalt je het eruit en steekt het in een emmer water op een manier zoals je de bloemen in een vaas zet, als ik kom dan doe wij het samen”. Aangeefster reageert dan: “Je hoeft niet te gaan, hij en ik wij zijn nu bezig maar met die van hem.” en “Als je wil dan komt je anders kan ik het ook zelf hoor.”
Op 15 december 2020 stuurt verdachte onder meer het volgende bericht:
Morgen ga ik overleggen dan zien we wel.
Op 16 december 2020 worden de volgende berichten gestuurd:
[benadeelde] 08:36: Hij is thuis zuster
[verdachte] 08:37: Ik kom er aan
[verdachte] 08:40: Laat de takken maar, klein stukje afknippen, zachtjes
[verdachte] 08:42: Uh, denk maar niet dat je het onder controle hebt
[verdachte] 10 :25: Neem je telefoon op
[verdachte] 12:02: Ik wacht op iemand en [naam 2]
[verdachte] 12:03: uh laat het maar wachten
[verdachte] 12:14: Uh, laat het maar, als [naam 2] komt dan gaat hij semen (het hof leest: samen) met je werken.
[verdachte] 12:14: Laat het in het water weken
[verdachte] 13:25: Wacht maar op mij
[verdachte] 13:25: Let op je mobiel
[verdachte] 13:25: Ga kijken of de huisbaas thuis is
[verdachte] 13:40: Open de deur
Contact met [medeverdachte 5]
Op de telefoon van verdachte is een chat aangetroffen met ‘ [medeverdachte 5] ’. Onder de naam [medeverdachte 5] staat nummer + [telefoonnummer 5] opgeslagen in de telefoon van verdachte.
Op 12 december 2020 spreken [medeverdachte 5] en verdachte over het Nederlandse telefoonnummer van [benadeelde] en dat er beltegoed voor [benadeelde] moet worden gekocht. Op 13 december 2020 om 11:07 uur stuurt [verdachte] : 'Lieverd, wil je een kaart voor [benadeelde] ( [benadeelde] ) kopen? Koop van 30 euro en stuur naar haar Lyca.'
Uit de chat blijkt verder dat verdachte op 6 december 2020 het volgende stuurt: “Morgen kom je bij [verdachte] dan gaan wij naar [benadeelde] (NG), ik breng spullen naar hem.” Vervolgens vraagt [medeverdachte 5] aan verdachte: (…) wanneer de wortels van ons gaan groeien? Welke dag kunnen ze ophalen?’ Verdachte antwoordt: ‘Zeker 13 tot 15, zeker.
Op 15 december 2020 is om 11:50 uur met de telefoon van verdachte een foto gemaakt van dozen met hennepstekjes. De vloer op de foto komt overeen met de vloer van de loods in [plaats 1] waar de hennepstekkerij is aangetroffen.
Facebook chat tussen [benadeelde] en verdachte
Het dossier bevat het chatgesprek tussen [benadeelde] (aangeefster) en [verdachte] (verdachte). Op 16 november 2011 wordt door verdachte het eerste bericht gestuurd, inhoudende: ‘Hoi, als je klaar bent , kom je dan bij mij, niet meer naar [naam 3] . Verder heeft verdachte de volgende berichten gestuurd:
Is er iets, kan je niet bereiken.
Hoi, over 30 minuten komt [naam 4] van [naam 2] te werken hoor.
Ga stoppen om te eten
Straks komt er iemand, doe de deur open, hij brengt spullen.
[medeverdachte 2]
Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 2] op 6 april 2021 is onder meer een iPhone in beslag genomen. Deze lag op de salontafel in de woonkamer van de woning. Uit chats en accounts op de telefoon blijkt dat deze in gebruik was bij [medeverdachte 2] . In de telefoon zijn drie telefoonnummers gebruikt: [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8] . Chats worden gevoerd via verschillende diensten op de telefoon, waarbij diverse gebruikersnamen zijn gebruikt vanaf de iPhone van [medeverdachte 2] , onder andere: Facebook Messenger, gebruikersnaam: [medeverdachte 2] en WhatsApp, gebruikersnaam: [medeverdachte 2] .
Een chatgesprek gevoerd via Facebook is op de iPhone van [medeverdachte 2] aangetroffen tussen hem en verdachte ( [verdachte] ( [verdachte] )). Het gesprek loopt van 13 november tot 17 december 2020.
Op 14 november 2020 stuurt [verdachte] (vertaald): 'Een jongen komt uit België, en brengt [benadeelde] dan mee. Dinsdag komt mijn meid thuis, dan ga ik met de eigenaar praten.’ In reactie op de vraag van [medeverdachte 2] wanneer ‘ [benadeelde] ’ komt, zegt [verdachte] diezelfde dag: ‘Als je niet komt, dan lukt het pas om dinsdag naar jou toe te komen.’ De dag van 14 november 2020 was een zaterdag, de eerstvolgende dinsdag was 17 november 2020. Uit historische telefoongegevens van ‘ [benadeelde] ’ blijkt dat twee telefoonnummers gekoppeld aan [benadeelde] op dinsdag 17 november 2020 vanaf [plaats 2] (waar verdachte woont), naar [plaats 1] zijn gegaan.
Op 14 november 2020 worden tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] onder andere de volgende berichten gestuurd:
[verdachte] : Alle zakken opruimen. Moet geld investeren, dan krijg je pas winst. (…) Als je niet mee eens bent, ga ik [benadeelde] aan de heer en Mevrouw [naam 5] .
[medeverdachte 2] : Wat je ook wilt. Als wij maar de touwtjes in handen hebben.
[verdachte] : Ja, want afhankelijk zijn, dat kan niet.
[medeverdachte 2] : Ik ben van plan om morgen te komen om de kleine te vervolmaken.
[verdachte] : Ga je maar kijken hoe het gaat. Dinsdag kom ik er om af te ronden.
[medeverdachte 2] : Als je vindt dat alles klein is, ga ik doen. Zeg je, groot laten, dan ga ik niets verrichten.
[verdachte] : Ik kies voor alles groot.
In de chatberichten wordt verder door [verdachte] onder meer gesproken over twee lichte/donkere dagdelen en zegt [verdachte] : ‘Jij en ik staan op de post, de jongen en jij geven er leiding. Ik ga er meer in investeren, meer spullen kopen.’ Verder wordt gesproken over thermometers en waterslangen.
Op 18 november 2020 stuurt [medeverdachte 2] : 'Hi zusje, wil je over ongeveer 30 minuten aan [benadeelde] vragen of zij de deur voor [naam 2] wil openen. Hij komt er werken. [verdachte] antwoordt dat dit goed is.
Op 18 november om 11:46 zegt [verdachte] achtereenvolgens: ‘Wil je direct aan de drie laffe broers doorgeven dat zij moeten stoppen, niets er te doen, wat dan ook. Laat ons doen. Als hun hulp nodig is, zal dan aangeven. Komen kijken is wel oke. Zij moeten aan hun woorden houden. Jij en [naam 2] weten het ook.’
Op 20 november 2020 om 11:04:11 uur zegt [medeverdachte 2] in het gesprek tegen [verdachte] : 'Ik heb [benadeelde] kunnen bellen’. Uit de belhistorie van de iPhone van [medeverdachte 2] blijkt dat hij op 20 november voorafgaand aan dit bericht twee personen heeft gebeld: [verdachte] ( [verdachte] ) en een persoon die in zijn telefoon staat als [naam 6] met Facebook ID: [nummer 2] . Dit is het Facebookaccount van [benadeelde] .
Op 20 november 2020 om 17:55 uur stuurt [verdachte] : Ik denk dat zij elkaar proberen weg te schoppen. Anders moet je de eigenaar ook bij vragen. Iedereen moet mee eens zijn. Als het niet zo is, dan stoppen wij.’ Vervolgens zegt ze dat [medeverdachte 2] maar samen met hem naar de andere jongen moet gaan om het op te lossen.
Op 3 december 2020 om 15:06 uur stuurt [medeverdachte 2] naar [verdachte] : 'Hi zusje, mijn vriend heeft bericht dat de eigenaar niet meer wil voortzetten.’ Vervolgens wordt diverse malen tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] telefonisch contact gezocht. Op 3 december 2020 is [medeverdachte 1] naar [plaats 4] gegaan. Op 4 december 2020 om 11: 10 uur, een dag nadat [medeverdachte 1] zich heeft gemeld in [plaats 4] , zegt [medeverdachte 6] tegen verdachte dat alles geregeld is en de huurbaas is omgepraat.
Op 4 december 2020 stuurt [medeverdachte 2] naar [verdachte] om 08:02 uur: ‘Zeg tegen [naam 7] dat het beter is om de afspraak van maandag van 2 uur naar 6 uur te verzetten, want dan komt de eigenaar pas terug van werk.' [verdachte] reageert om 08:17 uur: ‘Ja, verzet de afspraak maar.' [medeverdachte 2] bevestigt even later dat de afspraak is verzet naar 6 uur. De eerstkomende maandag hierna, betrof 7 december 2020. Op 7 december 2020 stralen telefoons van diverse personen de GSM-mast in [plaats 1] aan. [medeverdachte 1] , die er woont, straalde met nummer [telefoonnummer 9] om 01:57 uur in [plaats 1] aan, daarna van 14:09 uur tot 22:09 uur. [medeverdachte 4] en [verdachte] waren er rond de afgesproken tijd 18:00 uur. Daarna worden er chatberichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] gestuurd waarin wordt gesproken over nieuw gemaakte afspraken. [verdachte] stuurt: ‘Vanaf nu, van de 100 krijgt de eigenaar van de winkel 40, 20 verkopen, 4 trek ik er elke keer af voor mijn documenten tot wanneer alles afbetaald is, gaan wij dan verder. Dat is afgesproken. Wat denk je over deze afspraak. [medeverdachte 2] reageert dan: ‘Het is oke.’
Verder zijn op de telefoon van [medeverdachte 6] screenshots aangetroffen van een Whatsapp-gesprek met medeverdachte [medeverdachte 2] (‘ [medeverdachte 2] ’). Op 3 december 2020 schrijft [medeverdachte 6] : ‘ [medeverdachte 2] , huurbaas wil stoppen wij geven jullie geld terug. Medeverdachte [medeverdachte 2] schrijft: ben je thuis? Ik kom straks bij jou? Even later schrijft [medeverdachte 6] : Heb [medeverdachte 5] al gezegd dat we gaan stoppen wij geven geld terug aan [verdachte] en jou en [naam 8] . Even later schrijft [medeverdachte 6] dat als ze iets nieuws hebben ze gelijk medeverdachte [medeverdachte 2] zullen bellen. Ze zoeken een nieuwe locatie, waarop medeverdachte schrijft: Top. Tenslotte vraagt [medeverdachte 6] aan medeverdachte [medeverdachte 2] waar ze [benadeelde] heen moeten brengen; of ze haar naar [plaats 2] moeten brengen. Daarop zegt medeverdachte: ja graag.
Geen geld
Bij haar aanhouding op 16 december 2020 had aangeefster in bezit: dertig euro, twee jassen, een bril, armband, ring en twee oorbellen. Een bankrekening had ze niet in Nederland, gezien haar illegale status. Aangeefster heeft verklaard dat zij nooit een euro heeft gehad terwijl er wel eerder is geoogst. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat aangeefster is betaald.
Verklaring [medeverdachte 4]
is in het onderzoek Masaya ook als verdachte aangemerkt. Hij heeft diverse verklaringen afgelegd. Hij heeft onder meer verklaard dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 6] (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) en hij zijn begonnen met het opzetten van een hennepstekkerij. Dit hebben zij gedaan in een van de schuren bij de woning van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft toen zaken geregeld en betaald om de hennepstekkerij op te zetten. [medeverdachte 6] en hij hebben vervolgens samen de hennepstekkerij opgebouwd. Echter de plantage mislukte. Ze kregen het niet goed van de grond. Hij is toen samen met [medeverdachte 6] naar een growshop in [plaats 4] gegaan en heeft daar gevraagd om hulp bij het opzetten van de hennepplantage. Zij zijn toen in contact gekomen met twee Vietnamese mannen. Eén daarvan werd [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) genoemd en de andere man werd [medeverdachte 2] genoemd. Zij stelden zich voor als de [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . De [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] verbaasden zich ook over de stekkerij. Het was niet goed. [medeverdachte 2] en de [medeverdachte 3] zeiden toen dat zij er wel een hennepstekkerij in konden zetten. Op het moment dat werd besloten dat zij het gingen organiseren, werd ook duidelijk dat er meer Vietnamese mensen in beeld kwamen. Er was ook een vrouw bij die [verdachte] werd genoemd. Van haar werd gezegd dat zij de baas was en de touwtjes in handen had. [medeverdachte 2] onderhield het contact met deze mensen en met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] werd uiteindelijk bedreigd door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] deed dit uit naam van [verdachte] . [medeverdachte 2] is de bijnaam van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] was voor [medeverdachte 4] het aanspreekpunt. [verdachte] was de bazin. Zij kwam af en toe binnen en gaf dan opdrachten. Zij gaf opdrachten aan alle Vietnamezen. Aangeefster werkte voor [verdachte] . Als deze [verdachte] opdrachten gaf, dan werd het ook gedaan. Aangeefster behandelde haar als een soort van god. Aangeefster deed alles voor [verdachte] . Zij bracht haar koffie en thee.
Verklaring [medeverdachte 6]
In het onderzoek is [medeverdachte 6] ook als verdachte gehoord. Hij heeft ook verklaard dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en hij een hennepkwekerij hebben opgezet maar dat het steeds niet lukte. Via een growshop zijn ze in contact gekomen met twee Vietnamese mannen. Ze zijn toen opnieuw begonnen. Op een gegeven moment kwam er iemand en die noemden ze ‘ [verdachte] .’ Deze vrouw kwam uit [plaats 3] . [medeverdachte 5] was een vrouw die tolkte tussen de Nederlanders en de Vietnamezen. ‘ [benadeelde] ’ werkte voor die ‘ [verdachte] ’. ‘ [benadeelde] ’ is die vrouw die daar in die kampeerwagen in de schuur woonde. Die vrouw kwam, dat was in september of oktober.
Verder heeft hij verklaard dat [benadeelde] werkte voor [verdachte] en [medeverdachte 2] . [benadeelde] kwam met [verdachte] mee. Ze werkte en sliep in de loods. Ze gaf water en hield de plantjes bij. Hij heeft verklaard dat hij het sneu vond hoe die vrouw daar zat. Ze zat moederziel alleen in de schuur. De caravan was een oud ding. In het begin deed ze haar behoefte op een stoel met een gat erin. Later deed ze dat in de wc die hij heeft opgehaald. Hij vond het schandalig zoals die vrouw leefde in de schuur. [verdachte] gaf de leiding en gaf de opdrachten aan de Vietnamezen. Als [medeverdachte 6] een foto van een vrouw wordt getoond (het hof begrijpt: een foto van verdachte) verklaart hij: dat is de baas, dat is [verdachte] . Zij is gevaarlijk. Zij onderdrukte [benadeelde] . Alleen die [medeverdachte 3] was niet bang voor haar. Bij een foto van een man (het hof begrijpt: een foto van [medeverdachte 2]), verklaart [medeverdachte 6] : dat is [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] kwam via die Growshop in contact met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] moest de andere locatie opbouwen in dezelfde schuur. [medeverdachte 6] heeft gezien dat [medeverdachte 2] met hout bezig was. Ook heeft hij verklaard dat [medeverdachte 1] niet wilde dat aangeefster in de avond buiten de loods liep omdat ze dan door de buren gezien kon worden.
Verklaring [medeverdachte 5]
heeft verklaard dat zij zichzelf [medeverdachte 5] noemt. Verdachte [verdachte] is haar tante . Op een gegeven moment werd zij gebeld door haar tante . Zij vertelde dat er problemen waren over geld. Zij vertelde dat zij geld had gegeven aan de mannen en dat zij dit geld terug wilde hebben, maar omdat tante de Nederlandse taal niet goed sprak, vroeg zij het aan haar. Toen [medeverdachte 2] daar kwam, bleek het over hennep te gaan. Alles was al in werking. [medeverdachte 2] heeft ook verklaard dat twee Nederlandse mannen een aantal babyplanten hadden verkocht. De hoeveelheid en de prijs weet ze niet meer maar ze weet wel dat zij dit toen aan haar tante heeft vertaald omdat zij echt samen werkte met de twee Nederlandse mannen. [medeverdachte 6] maakte ook plantjes tot ze klaar waren voor de verkoop. [medeverdachte 2] ging dan vertalen voor haar tante en zij besloten dan om te verkopen en aan wie. [medeverdachte 1] heeft zij gesproken over de prijs van de loods. Zij moest van haar tante een afspraak maken om hem te spreken over de prijs van de loods. Zij heeft samen met haar tante gesproken over de prijs en dit vervolgens vertaald. Haar tante had haar verteld dat zij tussen de 18.000 en 20.000 heeft betaald aan de mannen.
Ook heeft zij verklaard over een Vietnamese vrouw die daar in de loods verbleef. Zij sliep in de caravan. De eerste keer dat [medeverdachte 2] in de schuur was viel het haar op dat er geen toilet was. De laatste keer dat [medeverdachte 2] er was stond er een nieuw toilet en een douche. Dit was een aparte ruimte. [medeverdachte 2] zou het vreselijk vinden om daar langere tijd te moeten verblijven omdat het erg koud was en gelet op de voorzieningen die er zijn. De vrouw die in de loods verbleef heet [benadeelde] . In het Nederlands vertaald zou dit [benadeelde] of [benadeelde] zijn. Zo noemde zij haar dan ook wel en ze noemde de vrouw ook wel zus. Als [medeverdachte 2] een foto van aangeefster ziet geeft ze aan dat dit de vrouw is waar over zij sprak. Dat is de vrouw die in de loods verbleef. Zij is dus [benadeelde] of [benadeelde] .
Verder heeft ze verklaard dat één van de Vietnamese mannen aangeefster eten bracht. En dat haar tante ook boodschappen heeft gedaan. Zij brachten dat dan naar haar. Aangeefster
belde dan met haar tante en zij vertelde wat zij nodig had. Ze kan zich nog herinneren dat
de vrouw haar tante had gevraagd om beltegoed te kopen. Volgens haar had aangeefster geen eigen geld waar ze over kon beschikken. Het klopt dat haar tante de touwtjes in handen had.
Verklaring medeverdachte [medeverdachte 2]
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat aangeefster aan hem heeft gevraagd om haar te helpen met het krijgen van een legale status. Hij wist dat aangeefster in de loods verbleef en dat er in het begin geen douche en toilet was. Hij heeft verklaard dat hij op verzoek van meneer [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) bepaalde dingen moesten realiseren. Hij moest onder andere zorgen dat er volgens afspraak een toilet en badkamer moest komen. [medeverdachte 3] verblijft in Praag. [medeverdachte 3] heeft hem gezegd dat hij een vergoeding zou krijgen zodra de kwekerij geld op zou leveren.
Verklaring verdachte
Zij heeft onder andere verklaard dat aangeefster door [medeverdachte 3] naar verdachte in [plaats 2] is gebracht. In de woning van verdachte mocht ze tijdelijk verblijven. Verdachte heeft aangeefster gevraagd wat ze hier moest. Niemand zou haar aannemen zonder papieren. Ze heeft ook verklaard dat ze geld geleend heeft aan [medeverdachte 3] om te investeren in een generator. De westerlingen kennen haar als [verdachte] en ze wordt ook [verdachte] genoemd. Verder heeft ze verklaard dat ze een aantal keren in de hennepstekkerij is geweest en daarin heeft geïnvesteerd om winst te kunnen behalen. Ook wist ze dat aangeefster in de loods van de hennepstekkerij verbleef en heeft ze haar leefsituatie gezien.
Oordeel van het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
Het hof kan zich voor een belangrijk deel vinden in de overwegingen van de rechtbank en heeft deze deels in zijn eigen oordeel verwerkt:
Voor de meest in het oog springende inconsistentie in de verklaringen van aangeefster - aangeefster heeft aanvankelijk niet belastend over verdachte verklaard - is een logische verklaring. Aangeefster was bang voor verdachte. Zij durfde meer te verklaren toen zij wist dat verdachte was aangehouden. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaringen is verder met name van belang of deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De verklaringen – voor zover deze voor het bewijs worden gebruikt - worden op een groot aantal punten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals hierboven is gebleken. Zo kan uit de locatiegegevens van de telefoon van aangeefster worden afgeleid dat zij gedurende een onafgebroken periode van ongeveer drie en vervolgens vier weken in de loods heeft verbleven. De verklaring van onder meer [medeverdachte 5] bevestigt dat aangeefster in de loods aanvankelijk haar behoefte moest doen op een emmer. De verklaringen van onder meer medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] ondersteunen de kern van de verklaringen van aangeefster inhoudend dat verdachte de baas over haar was. Uit de verklaringen van aangeefster, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] en de chatberichten blijkt - in tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard - dat zij wel degelijk een belangrijke rol speelde in de hennepstekkerij en het aansturen van aangeefster en dat zij hier een financieel belang bij had; zij zou namelijk profiteren van het geld dat daarmee verdiend zou worden.
Was er sprake van mensenhandel?
Verdachte wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 237f lid 1 sr sub 1, 4 en 6 van.
Uitbuiting
Ten aanzien van sub 4 en sub 6 geldt dat pas tot een bewezenverklaring kan worden gekomen als sprake is van gedragingen begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Ten aanzien van sub 1 geldt dat verdachte het oogmerk moet hebben gehad van uitbuiting.
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als dit onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Hierbij geldt in het geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Zoals uit de hierboven weergeven feiten en omstandigheden blijkt hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] het plan opgevat om een hennepstekkerij te beginnen. Toen dit niet bleek te lukken zijn zij via via in contact gekomen met [medeverdachte 3] en medeverdachte [medeverdachte 2] . Vanaf dat moment gaan zij zich verder met de hennepstekkerij bezighouden en zij hebben vanaf dat moment een rol gehad in het opzetten en onderhouden van de hennepstekkerij. Aangeefster heeft enige tijd verbleven in de woning van verdachte, is door de verdachte op de trein richting het noorden gezet, is vanaf een station door medeverdachte [medeverdachte 2] opgehaald en naar de hennepstekkerij in [plaats 1] gebracht.
Aard en duur van de werkzaamheden
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de telefoon van aangeefster van ongeveer 20 oktober tot 10 november 2020 en van 17 november tot en met 16 december 2020 onafgebroken de mast in [plaats 1] heeft aangestraald. In die periode heeft aangeefster in de loods verbleven om de hennepstekken te verzorgen. Dit zijn illegale werkzaamheden. Zij kreeg instructies van verdachte over hoe zij haar werkzaamheden moest uitvoeren.
Beperkingen voor aangeefster
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster gedurende eerst drie en daarna vier weken onafgebroken in de schuur heeft verbleven terwijl zij moest zorgen voor de hennepstekken. In de schuur was het koud en donker. In de schuur was geen verwarming anders dan een kleine kachel in de caravan en de temperatuur in de schuur was gelijk aan de buitentemperatuur. Aangeefster zat daar in het najaar/begin van de winter. Ten tijde van de aanhouding was het buiten ongeveer 5 graden. De stroom in de caravan was zeer brandgevaarlijk aangelegd en de bewegingsruimte in de caravan was nihil. Aan het begin van haar verblijf, begin oktober, was er nog geen toilet en douchecabine. Zij moest toen haar behoefte doen op een stoel met een gat erin en als ze zich wou wassen moest ze eerst water koken.
Zij was niet vrij om te gaan en te staan waar ze wilde en anderen beslisten over waar aangeefster heen gebracht moest worden. Voor vervoer, eten en beltegoed was zij afhankelijk van anderen.
Economisch voordeel voor verdachte, maar niet voor aangeefster
Door het werk dat aangeefster heeft verricht hebben verdachte en medeverdachte(n) voordeel genoten. Zij hebben aangeefster niet betaald voor haar werkzaamheden terwijl zij wel gedurende ongeveer zeven weken hennepplanten en -stekken heeft verzorgd. Op het moment van haar aanhouding had zij € 30,00 bij zich. Gelet op haar verblijf in de loods kon zij eventuele verdiensten niet hebben uitgegeven. Dat er ook is geoogst blijkt uit de verklaringen van aangeefster en [medeverdachte 5] en een foto op de telefoon van verdachte waarin een doos met hennepstekken is afgebeeld met op de achtergrond de vloer van de loods in [plaats 1] . In het berichtenverkeer tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] - als er opnieuw afspraken worden gemaakt over de verdelingen van de verdiensten - wordt aangeefster niet genoemd als persoon die meedeelt in de verdiensten.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden volgt dat de omstandigheden waaronder aangeefster voor verdachte werkte en de beperkingen die zij had zodanig waren dat sprake was van uitbuiting.
Vervoeren en huisvesten met het oogmerk van uitbuiting
Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen aangeefster heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting.
Middelen
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de middelen misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.
Aangeefster was illegaal in Nederland en sprake de Nederlandse taal niet. Aangeefster is door [medeverdachte 3] naar verdachte gebracht. Vanuit daar is zij op de trein gezet en naar [plaats 1] gebracht. Aangeefster was volledig afhankelijk van anderen. Zo werd voor haar bepaald waar zij naartoe werd gebracht en was zij ook afhankelijk van anderen voor vervoer, eten en beltegoed. Gelet op haar illegale status, waar verdachte van op de hoogte was, maar ook praktisch gezien kon zijn geen kant op. Ook buiten de loods kon zij geen kant op. De loods lag op een afgelegen plek en aangeefster had geen eigen vervoer of geld voor vervoer waardoor zij geïsoleerd was van de wereld om haar heen. Gelet op deze feiten en omstandigheden verkeerde aangeefster in een kwetsbare en afhankelijke positie van verdachte en medeverdachte(n). Dat verdachte overwicht op aangeefster had volgt uit het feit dat verdachte aangeefster instructies gaf en dat die door aangeefster werden opgevolgd. Verdachte heeft (tezamen in vereniging met een ander of anderen) misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin aangeefster zich bevond en van het overwicht dat zij op aangeefster hadden door aangeefster uit te buiten en door aangeefster te vervoeren en huisvesten met het oogmerk van uitbuiting.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat gebruik is gemaakt van andere middelen, te weten misleiding, dwang en bedreiging met geweld. Op basis van de verklaringen van aangeefster zijn daarvoor wel aanwijzingen maar daarvoor wordt geen steun gevonden in andere bewijsmiddelen.
Opzettelijk voordeel trekken
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster geen loon ontving voor al het werk dat zij voor verdachte en medeverdachte(n) heeft moeten doen. Alleen al om die reden hebben zij opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van aangeefster. Daarnaast hebben verdachte en medeverdachte(n) mede door de uitbuiting van aangeefster stekjes verkregen die bestemd waren voor de verkoop.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Medeverdachte [medeverdachte 2] wist van de uitbuiting en de middelen die hiervoor werden ingezet door verdachte. Medeverdachte ondersteunde verdachte bij de inzet van de middelen, heeft aangeefster vervoerd en gehuisvest en profiteerde samen met verdachte van de uitbuiting. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen ten aanzien van sub 1, 4 en 6 van artikel 273f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht bewezen.
Oordeel van het hof m.b.t. feit 2 – overtreding Opiumwet
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht het hof eveneens bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep.
In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen reden om uit te gaan van een kortere periode voor de bewezenverklaring. Uit onder andere de verklaringen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat verdachte eerder bij de hennepstekkerij betrokken is geweest dan drie weken voor de inval op 16 december 2020.
Feit 3 - witwassen
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich – conform de officier van justitie in eerste aanleg – op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte beschikte over veel vermogen en doet uitgaven die zich niet uit legale bron laten verklaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om verdachte - conform het vonnis van de rechtbank - vrij te spreken van witwassen ten aanzien van de vliegtickets, de sieraden en het onroerend goed.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank (hieronder cursief opgenomen) en neemt deze over:
“Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij een aantal van misdrijf afkomstige goederen
voorhanden heeft gehad, te weten hoeveelheden geld, (een) vliegticket(s), sieraden en
onroerend goed. De rechtbank is (…) van oordeel dat ten aanzien van de
vliegtickets, sieraden en het onroerend goed niet kan worden vastgesteld dat deze afkomstig
zijn uit enig misdrijf.
Met betrekking tot de woning van verdachte aan de [adres 3] stelt de
officier van justitie zich op het standpunt dat ten behoeve van hypotheekaanvraag gebruik is
gemaakt van een vervalste werkgeversverklaring. Daarvoor bevat het dossier naar het
oordeel van de rechtbank echter onvoldoende overtuigend bewijs. Dat de bestuurder van het
op de werkgeversverklaring genoemde bedrijf zich ten tijde van het verhoor in 2021 niet kon herinneren ooit een Vietnamese vrouw in dienst te hebben gehad en dat de naam van
verdachte hem niets zei, acht de rechtbank niet redengevend. Deze getuige heeft namelijk
tevens verklaard dat hij zich als gevolg van een ongeluk dingen niet goed kan herinneren, dat hij 20 a 30 bedrijven heeft gehad en dat hij zich zelfs de naam van het op de
werkgeversverklaring genoemde bedrijf niet meer kan herinneren. Bovendien zou de
bedoelde werkgeversverklaring reeds zijn opgesteld in 2008; dus dertien jaar voor het
verhoor.
Ten aanzien van de geldbedragen overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving
van witwassen opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wél is vereist dat vaststaat dat het voorwerp
afkomstig is uit enig misdrijf. Daarvoor zal allereerst moeten worden vastgesteld dat de
gebleken feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer het vermoeden
gerechtvaardigd is dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is. In
die situatie mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de
herkomst van dat voorwerp. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en
niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien de verklaring van verdachte niet aan die vereisten voldoet, kan, ondanks dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank leidt uit de vermelde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode vele, soms grote contante bedragen op haar bankrekeningen gestort, volgens de berekening in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel € 251.830,00. Daarnaast heeft ze een contant bedrag van € 20.000,00 - naar eigen zeggen - geleend aan [medeverdachte 3] . Uit de gegevens van de belastingdienst en verdachtes bankrekeningen blijkt dat er nagenoeg geen legaal inkomen tegenover staat en dat er via de bankrekening weinig girale uitgaven zijn gedaan ten behoeve van levensonderhoud. Daarnaast heeft verdachte verklaard niet over spaargeld te beschikken. Het gegeven dat verdachte nagenoeg geen legaal inkomen ontvangt via haar bankrekeningen, de gegevens van de belastingdienst waaruit blijkt dat haar bedrijf geen dan wel weinig omzet heeft gegenereerd rechtvaardigt het vermoeden dat de contante geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Gelet op dit vermoeden is het aan verdachte om een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van deze geldbedragen.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaringen afgelegd waaruit zou moeten
blijken wat de herkomst is van contante geldbedragen. Verdachte stelt zwart geld te
verdienen door het verrichten van schoonmaakwerk en koken. Verdachte heeft echter geen
aannemelijke en verifieerbare verklaring gegeven voor wie zij zwart heeft gewerkt en
hoeveel zij er mee heeft verdiend. De door verdachte gegeven verklaring is dan ook in zoverre niet verifieerbaar.
Verdachte heeft verder verklaard dat zij contante bedragen heeft opgenomen van haar
doorlopend krediet om die vervolgens te storten op haar bankrekening. Daarmee heeft
verdachte een onnavolgbaar contante geldstroom gecreëerd die niet anders kan worden
uitgelegd dan het bemoeilijken van het traceren van de herkomst van de contante
geldbedragen die zij op haar bankrekeningen heeft gestort.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat geldbedragen, onmiddellijk of middellijk, uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geldbedragen.”
Feit 4 en 5 – verboden wapenbezit
Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft in hoger beroep aangevoerd dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank kan worden gevolgd in haar overwegingen en beslissingen ten aanzien van deze feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank (hieronder cursief opgenomen) en neemt deze over:
“Uit de bewijsmiddelen volgt dat in een garage, horend bij de woning van verdachte aan de
[adres 1] , een semi-automatisch pistool voorzien van een
geluiddemper en kogels zijn aangetroffen. Het pistool met geluiddemper was gewikkeld in
een handdoek en verpakt in een foedraal.
Op het magazijn van het pistool is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat van verdachte
afkomstig kan zijn; het aantreffen van dit DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer
waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte (…) en een
willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee
willekeurige onbekende personen.
Daarbij komt dat aangeefster heeft verklaard dat verdachte in het bezit was van “een geweer waar geen geluid uit kwam”. (…)”
Gelet op het voorgaande acht het hof - net als de rechtbank - feit 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.zij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) een ander of anderen, te weten [benadeelde] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, en gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde] (sub 1°) en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [benadeelde] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) en/of
B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander, te weten die [benadeelde] (sub 6°),
immers heeft zij, verdachte en/of (met) haar mededader(s):
- die [benadeelde] naar een hennepkwekerij/stekkerij gebracht en/of tegen die [benadeelde] gezegd dat zij in die hennepkwekerij/stekkerij werkzaamheden moest verrichten en/of daarvoor die [benadeelde] niet betaald en/of
- tegen die [benadeelde] gezegd dat zij niet naar buiten mocht en/of indien zij naar buiten zou gaan zij geslagen zou worden en/of
- vuisten aan die [benadeelde] laten zien, toen die [benadeelde] aangaf dat zij niet wilde werken en/of
- die [benadeelde] in een ruimte laten verblijven waar zij niet beschikte over een (westers) toilet en/of verwarming,
terwijl die [benadeelde] niet over eigen inkomsten en/of woonruimte en/of een verblijfsstatus in Nederland beschikte en/of de Nederlandse taal niet spreekt en/of (aldus) gebruik heeft gemaakt van de afhankelijksheids- en/of kwetsbare positie van die [benadeelde] , waardoor die [benadeelde] zich niet kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken tegen/aan die uitbuiting door haar, verdachte en/of diens mededader(s);
2.zij in of omstreeks de periode van 3 oktober 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [locatie] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.790 hennepstekken en 353 moederplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2021, te [plaats 2] en/of te [plaats 3] , althans in Nederland, (een) voorwerp(en) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld, te weten: - (een) vliegticket(s) en/of - sieraden en/of - onroerend goed en/of - een of meer andere goederen en/of geldbedragen, optellend tot een groot geldbedrag van in totaal € 193.739, zijnde het onverklaarbare verschil tussen de contante uitgaven en de vastgestelde contante inkomsten, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of hiervan gebruik heeft gemaakt terwijl zij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
4.zij op of omstreeks 5 oktober 2021 te [plaats 2] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad, te weten:
- een semi-automatisch, centraalvuur pistool (merk/type: BBM, Police, kaliber: 6.35mm) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- een (aantal) centraalvuur kogelpatronen (merk Sellier & Bellot volmantel, kaliber 6.35mm);
5.zij op of omstreeks 5 oktober 2021 te [plaats 2] , een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mensenhandel, meermalen gepleegd, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse ernstige strafbare feiten. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen (hierna cursief weergegeven).
“Verdachte heeft zich samen met haar mededaders gedurende enkele maanden beziggehouden met de teelt van hennepstekken in een loods in [plaats 1] . In (een caravan in) die loods verbleef een vrouw gedurende ongeveer zeven weken permanent (met eenmalig een onderbreking van een week) om voor de hennepstekken te zorgen. Voorafgaand aan haar verblijf in de loods heeft verdachte het slachtoffer gehuisvest in haar eigen woning. De
leefomstandigheden in de loods waren mensonterend. Het was er koud en donker en
aanvankelijk deed een stoel met een gat in de zitting en daaronder een emmer dienst als
toilet. Vanaf enig moment was de loods voorzien van een toilet en een douchecabine.
Het slachtoffer was illegaal in Nederland, kon geen kant op en was afhankelijk van verdachte en haar mededader(s) voor huisvesting, eten, vervoer en beltegoed. Verdachte heeft van die situatie misbruik gemaakt en heeft zich schuldig gemaakt aan uitbuiting.
De (doorgaans kwetsbare) slachtoffers van uitbuiting hebben in de regel langere tijd last van de psychische gevolgen van de uitbuiting. Dat dit ook in onderhavige zaak het geval is, volgt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring.
Ten aanzien van de hennepstekkerij overweegt de rechtbank dat hennep de voor de
volksgezondheid schadelijke stof THC bevat en daarom door de wetgever op de bij de
Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Daarbij komt dat dergelijke (illegale) handel de
samenleving onveiliger maakt door de criminaliteit die daardoor wordt gegenereerd. De
rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij zich bij haar handelwijze kennelijk alleen
heeft laten leiden door haar eigen hang naar financieel gewin.
Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een groot geldbedrag en
aan bezit van een pistool, munitie en een demper. Dit levert eveneens een ernstig feit op,
omdat ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich brengt.”
In aanvulling hierop overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 4 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ook blijkt niet van nieuwe justitiële contacten.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en op de zitting bij het hof door haar zelf en haar raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Uit het rapport van de reclassering van 15 januari 2026 blijkt het volgende. Verdachte staat sinds 2022 onder schorsingstoezicht bij de reclassering. Zij heeft zich aan de bijzondere voorwaarden gehouden (meldplicht, contactverbod). Positief is dat verdachte momenteel een baan heeft en beschikt over een ondersteunend familiair netwerk.
De reclassering acht reclasseringsbemoeienis niet geïndiceerd. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Tot slot houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Verdachte is op 5 oktober 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 31 januari 2023. Op 9 februari 2023 heeft verdachte hoger beroep ingesteld. en op 23 april 2026 is het arrest van het hof uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ruim een jaar, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Het hof zal hiermee in de strafoplegging rekening houden.
Vanwege de ernst van de feiten acht het hof een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het hof acht in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden,, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend. Het hof ziet echter in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om daarvan af te wijken. Het hof komt om die reden tot de niet alleen passende maar ook geboden oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:
De advocaat-generaal heeft gevorderd het beslag af te doen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.
Het hof zal de inbeslaggenomen geldbedragen, met uitzondering van het geldbedrag van € 2.000,00 teruggeven aan verdachte omdat deze geldbedragen niet in verband staan met de bewezenverklaarde feiten en daarom niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Evenmin zijn ze vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.000,00 overweegt het hof
dat dit bedrag toebehoort aan de zoon van verdachte en daarom aan hem dient te worden
teruggegeven.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10 .700,00 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 immateriële schade en € 5.700,00 materiële schade. De rechtbank heeft de vordering van de immateriële schade volledig toegewezen en de vordering van de materiele schade afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Het gaat om schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van verdachte, terwijl deze schade op grond van artikel 6:98 Burgerlijk Wetboek (BW) aan verdachte kan worden toegerekend. Binnen dit kader staat de onrechtmatige gedraging van verdachte voorop. In deze zaak is dat het complex van uitbuitingshandelingen. Het voordeel dat verdachte uit de uitbuiting heeft getrokken is het nadeel van de benadeelde partij. De rechtbank heeft dit kader miskend door in het geheel niet te onderzoeken of voor de vordering van de benadeelde partij de onrechtmatige daad als civielrechtelijke grondslag heeft gefungeerd. De advocaat-generaal heeft zijn standpunt onderbouwd door te verwijzen naar een arrest van dit hof, te weten: ECLI:NL:GHARL:2022:8171. In die uitspraak heeft het hof ondanks de deels illegale werkzaamheden van het slachtoffer de vordering van gederfde inkomsten op basis van schatting heeft toegewezen, aldus de advocaat-generaal.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft € 5.700,00 aan materiële schade gevorderd. Ter onderbouwing is aangevoerd dat aangeefster geen salaris heeft ontvangen voor haar werkzaamheden in de loods. Berekend is dat de benadeelde partij 57 dagen heeft gewerkt. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat aangeefster € 100,00 per dag zou krijgen voor haar werk. Voorts is een immateriële schade gevorderd van € 5.000,00.
Het hof stelt voorop dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een vergoeding heeft gevraagd voor gederfde inkomsten voor werkzaamheden die verband houden met criminele activiteiten. Voor een dergelijke vergoeding bestaat geen ruimte omdat gederfde inkomsten die verband houden met het verrichten van criminele activiteiten niet kunnen worden vergoed. De verwijzing van de advocaat-generaal naar een uitspraak van dit hof en de daaraan verbonden conclusie duidt op een onjuiste lezing van dat arrest. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat gederfde inkomsten als schadepost door het verrichten van criminele activiteiten kan worden toegekend. Dat kan onder omstandigheden anders zijn als er gederfde inkomsten worden gevorderd die verband houden met de omstandigheid dat de benadeelde partij door de uitbuitingssituatie is afgehouden van legale activiteiten/werkzaamheden waarmee geld kan worden verdiend. Dat is in het onderhavige geval niet gevorderd en was aldus geen onderdeel van het ter zitting gevoerde debat.
Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Het hof zal de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de gestelde nadelige gevolgen voor aangeefster zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is dan ook op grond van dat artikel gehouden die immateriële schade te vergoeden. Uit de overgelegde stukken blijkt ook genoegzaam dat de benadeelde partij nadelige gevolgen heeft ondervonden van de uitbuitingssituatie.
Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan acht het hof een bedrag van € 5.000,00 als smartengeld billijk en zal de vordering tot immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag.
Hoofdelijkheid
Het hof bepaalt verder dat de verdachte en haar mededader ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Het hof zal de vordering dan ook hoofdelijk toewijzen, in die zin dat indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Wettelijke rente
Het hof stelt vast dat aangeefster een voorschot uitbetaald heeft gekregen voor de door haar geleden schade. Het is niet duidelijk wanneer het voorschot aan de benadeelde partij is uitbetaald. Het hof zal daarom geen wettelijke rente opleggen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op:
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 619,55;
- Noorse kronen ter waarde van € 1.140,72;
- Zweedse Kronen ter waarde van € 93,59;
- Amerikaanse dollars ter waarde van € 718,44;
- Australische dollars ter waarde van € 12,35;
- Britse ponden ter waarde van € 46,12;
- Vietnamese Dong ter waarde van € 50,96 en
- Zuid-Koreaanse Won ter waarde van € 40,32.
Gelast de teruggave aan [de zoon van verdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van € 2000,00.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Dörholt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 april 2026.
Mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.