GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.534
(zaaknummer rechtbank Overijssel 318855)
beschikking van 23 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [land1] ,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [plaats1] ,
advocaat: mr. R.W Hoevers.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 318855. Die beschikking wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingekomen op 5 juni 2026, met producties;
het verweerschrift;
drie journaalberichten namens de man van 27 februari 2026, 4 maart 2026 en 10 maart 2026, met producties;
een journaalbericht namens de vrouw van 3 maart 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Aanwezig waren:
de man (met toestemming van het hof via een Microsoft Teams-verbinding);
de advocaat van de man;
de vrouw met haar advocaat.
De man en de vrouw werden allebei bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal .
3. De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2021.
De man en de vrouw hebben allebei de Hongaarse nationaliteit.
De man heeft een nieuwe relatie. Zijn partner en hij hebben [in] 2024 een zoon gekregen, die [naam1] heet.
4. Het geschil
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2024 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (verder: kinderalimentatie) een bedrag van € 441,- per maand moet betalen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom met vier grieven in hoger beroep. De grieven gaan over de ingangsdatum (grief 4), de behoefte van [de minderjarige] (grief 1) en de draagkracht van de man (de grieven 2 en 3). De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van de dag van 1 augustus 2024 vast te stellen op maximaal € 100,- per maand, althans op een ander bedrag dat het hof juist acht, lager dan € 441,- per maand.
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking in stand te laten, met veroordeling van de man in de proceskosten.
5. De overwegingen voor de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Partijen hebben de Hongaarse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter, zodat het hof aanleiding ziet ambtshalve onderzoek te doen naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De Nederlandse rechter is bevoegd een beslissing te nemen over de kinderalimentatie, omdat de vrouw en [de minderjarige] op het moment van het indienen van het verzoek bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, waar zij nu ook nog wonen.
Omdat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en het toepasselijk recht in hoger beroep niet in geschil is, zal ook het hof Nederlands recht toepassen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De man stelt in (de toelichting op) grief 4 dat de rechtbank ten onrechte 1 maart 2024 heeft gehanteerd als ingangsdatum voor de kinderalimentatie. Hij voert het volgende aan. Er is geen goede reden om af te wijken van de hoofdregel dat als ingangsdatum voor kinderalimentatie heeft te gelden de dag waarop de rechtbank het inleidend verzoekschrift heeft ontvangen. Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, heeft de man uit plichtsbesef een onderhoudsbijdrage aan de vrouw betaald maar hij kon dat eigenlijk niet betalen en daarom is hij daar ook mee gestopt.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij vindt dat de rechtbank op de juiste gronden 1 maart 2024 als ingangsdatum heeft gehanteerd. Zij voert het volgende aan. Na het uiteengaan van partijen heeft de man maandelijks een onderhoudsbijdrage aan de vrouw betaald. Dat heeft hij tot en met 14 februari 2024 gedaan. De rechtbank heeft terecht aangesloten bij de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn en dat is volgens de vrouw 1 maart 2024.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het in deze zaak gaat om een eerste vaststelling van het bedrag dat de man moet betalen aan kinderalimentatie. De rechter heeft grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum voor kinderalimentatie. De rechtbank heeft aangesloten bij de datum waarop de man na het uiteengaan van partijen is gestopt met het betalen van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw. Het hof ziet in het door de man aangevoerde geen reden om uit te gaan van een andere ingangsdatum voor de (eerste) vaststelling van het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] . Grief 4 faalt.
Behoefte [de minderjarige] 5.6 De man stelt in (de toelichting op) grief 1 dat de rechtbank bij het berekenen van de behoefte van [de minderjarige] ten onrechte is uitgegaan van de inkomensgegevens van partijen over 2023. Volgens hem moet worden uitgegaan van de inkomensgegevens van partijen over 2022, omdat 2022 het laatste volledige jaar was van samenwoning.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat de samenwoning van partijen in 2023 is geëindigd en dat volgens het rapport Alimentatienormen (de Tremanormen) moet worden uitgegaan van het inkomen ten tijde van het beëindigen van de relatie, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Volgens de vrouw zijn die bijzondere omstandigheden er in dit geval niet.
Het hof volgt de vrouw in haar standpunt. Tussen partijen is in hoger beroep niet (meer) in geschil dat hun samenleving in juli 2023 is beëindigd. In het rapport Alimentatienormen wordt aanbevolen om bij het berekenen van de behoefte van het kind uit te gaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en het kind een gezin vormden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat hiervan moet worden afgeweken. De man heeft niet gesteld, althans niet onderbouwd, dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Daarnaast ontbreken concrete inkomensgegevens van partijen over 2022. De man heeft verwezen naar het verzamelinkomen dat staat vermeld op de door hem overgelegde aanslag inkomstenbelasting 2022 en de toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand, maar dat is onvoldoende nu daaruit enkel het verzamelinkomen blijkt, waarvan eventuele aftrekposten dus al zijn afgetrokken. Grief 1 faalt.
Draagkracht van de man
De man stelt in (de toelichting op) de grieven 2 en 3 dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te kunnen voldoen. Hij voert aan dat de rechtbank bij het bepalen van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de man inmiddels in [land1] woont en werkt, met de onderhoudsplicht die hij heeft ten aanzien van zijn zoon [naam1] en ook niet met schulden uit het tijdvak van de samenleving van partijen, waar hij als enige op aflost.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat hij opnieuw vader is geworden. Als voldoende vaststaat dat de man opnieuw vader is geworden dan heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in zijn huidige inkomen, waardoor geen berekening kan worden gemaakt van de behoefte van zijn tweede kind. Ook vindt zij dat de man de door hem gestelde schulden onvoldoende met stukken heeft onderbouwd.
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de man [in] 2024 vader is geworden van [naam1] . Dit blijkt uit de Gemeentelijke Basisadministratie Verstrekkingsvoorziening waartoe het hof ambtshalve toegang heeft. Gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw ligt het op de weg van de man om zijn stelling over zijn gebrek aan draagkracht met verifieerbare stukken te onderbouwen en volledige inzage te geven in zijn financiële situatie. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen vaststellen dat zijn draagkracht niet toereikend is om te kunnen voorzien in (zijn aandeel in) de behoefte van [de minderjarige] . De man heeft de volgende financiële stukken in het geding gebracht: een aanslag inkomstenbelasting 2022, aangiftes omzetbelasting over 2022, 2023 en 2024, [land1] loonstroken over de periode van oktober 2025 tot en met januari 2026 en een [land1] arbeidsovereenkomst. Op basis van deze gegevens kan niet worden berekend wat het netto besteedbaar inkomen van de man is op de ingangsdatum, noch daarna. Ook blijkt niet hoeveel hij bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn tweede kind, [naam1] . Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde schulden, omdat de man geen onderbouwing heeft gegeven van het ontstaan van de schulden, de (actuele) omvang van de schulden en de aflossingen daarop. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de draagkracht van de man in elk geval toereikend is om vanaf 1 maart 2024 volledig in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De grieven 2 en 3 falen.
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tot 1 oktober 2025 geen inkomen had en dat haar partner tot die datum voorzag in haar kosten van levensonderhoud. Dit brengt mee dat de bijdrage van de man over de periode 1 maart 2024 tot 1 oktober 2025 zal worden bepaald op het bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld. Op de zitting bij het hof heeft de vrouw verteld dat zij sinds oktober 2025 een betaalde baan heeft. Zij werkt 40 uur per week en verdient daarmee € 2.200,- netto per maand. De vrouw heeft geen recente inkomensgegevens verstrekt. Het hof stelt vast dat beide partijen onvoldoende inzage hebben gegeven in hun financiële situatie. Bij gebrek aan verdere gegevens gaat het hof ervan uit dat beide partijen ieder vanaf 1 oktober 2025 in redelijkheid voor de helft kunnen voorzien in de behoefte van [de minderjarige] . In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] in 2023 bepaald op € 415,- per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 469,- per maand. Het hof zal daarom vaststellen dat de man met ingang van 1 oktober 2025 (de helft van afgerond) € 470,- =) € 235,- per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd, voor het eerst met ingang van 1 januari 2026. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de bijdrage € 246,- per maand.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie over de periode van 1 maart 2024 tot 1 oktober 2025 en vernietigen voor zover die betrekking heeft op de periode daarna.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren omdat deze rechtszaak gaat over een bijdrage voor het kind van partijen. Dit betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet betalen. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten zoals de vrouw heeft gevraagd, omdat beide partijen (gedeeltelijk) in het ongelijk worden gesteld.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 maart 2025, voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie over de periode van 1 maart 2024 tot 1 oktober 2025:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 maart 2025, voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie over de periode vanaf 1 oktober 2025 en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2021, € 235,- per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 246,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en D.J.M. van de Voort, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar.