GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.650
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 562125 en 562133)
beschikking van 23 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
advocaat: mr. H. Loonstein,
en
[verweerster] (de vrouw),
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. L.C. de Rijk.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de rechtbank), van 10 januari 2024 (562125) en 3 april 2025 (562133), uitgesproken onder voornoemde zaaknummers. De beschikking van 3 april 2025 wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingekomen op 3 juli 2025, met producties;
het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties;
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
een brief namens de man van 20 februari 2026 met producties;
twee journaalberichten namens de vrouw van respectievelijk 25 februari 2026 en 6 maart 2026, beide met producties;
twee journaalberichten namens de man van respectievelijk 2 maart 2026 en 3 maart 2026, beide met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de man met mr. J.R. Núñez Casanova, die waarnam voor mr. H. Loonstein;
de vrouw met haar advocaat.
Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof namens de man een journaalbericht van 12 maart 2026 ingediend, met een productie.
3. De feiten
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2019. Zij woont bij de vrouw.
Partijen hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
Partijen hebben in 2021 een ouderschapsplan opgesteld. In dit plan is een
zorgregeling opgenomen. Verder hebben partijen afgesproken dat de man maandelijks
€ 88,- aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalt. Er is daarbij rekening gehouden met een
zorgkorting van 15%. Bij beschikking van 21 oktober 2021 heeft de rechtbank bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.
4. Het geschil
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in dit hoger beroep relevant) de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan van 2021, gewijzigd en bepaald dat de kinderalimentatie vanaf 3 april 2025 € 346,- per maand bedraagt, waarbij de man vanaf 3 april 2025 de kinderalimentatie steeds voor de eerste van de maand moet betalen.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom met één grief in hoger beroep (principaal hoger beroep). Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij aan de vrouw als kinderalimentatie – zo begrijpt het hof - € 109,69 per maand zal betalen zijnde het geïndexeerde bedrag dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen, althans een maandelijks bedrag dat het hof juist acht en een beslissing over de proceskosten te nemen.
De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is het op haar beurt ook niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie. Zij komt daarom ook in hoger beroep, met één grief (incidenteel hoger beroep). Zij verzoekt het hof:
in het principaal hoger beroep: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen;
in het incidenteel hoger beroep: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vastgestelde kinderalimentatie en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van 3 april 2025 een bedrag van € 434,- per maand als kinderalimentatie aan haar moet betalen, bij vooruitbetaling te voldoen.
De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en vraagt het hof het verzoek van de vrouw geheel of gedeeltelijk af te wijzen en een beslissing over de proceskosten te nemen.
5. De overwegingen voor de beslissing
De beslissing
Het hof zal de kinderalimentatie met ingang van 3 april 2025 wijzigen naar een bedrag van € 359,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 als gevolg van de indexering naar
€ 376,- per maand. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren en het meer of anders verzochte afwijzen. Het hof legt hierna uit waarom.
De motivering van de beslissing
Het hof neemt bij de beoordeling de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt.
Wijzigingsgrond
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 BW die een herbeoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt.
Ingangsdatum 5.4 De rechtbank heeft als ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie 3 april 2025 gehanteerd. Partijen hebben geen grief gericht tegen de ingangsdatum, zodat het ook het hof hiervan uitgaat.
Behoefte van [de minderjarige]
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] in 2021 € 513,- per maand bedroeg. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedroeg de behoefte van [de minderjarige] ten tijde van de ingangsdatum in 2025 € 611,- per maand.
Draagkracht van partijen
Partijen dienen samen naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [de minderjarige] . Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Gelet op de ingangsdatum zal het hof de draagkracht van partijen beoordelen vanaf 3 april 2025. Op de zitting is de draagkrachtberekening die op 6 maart 2026 namens de vrouw is overgelegd met partijen besproken, zodat het hof deze berekening tot uitgangspunt zal nemen.
Draagkracht van de man
De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte is uitgegaan van zijn jaaropgave 2024. Op de zitting bij het hof hebben beide partijen ermee ingestemd dat de man alsnog zijn jaaropgave 2025 in het geding brengt en dat bij de berekening van zijn draagkracht wordt uitgegaan van die jaaropgave. Op 12 maart 2026 heeft de man alsnog zijn jaaropgave 2025 in het geding gebracht.
Op basis van de jaaropgave 2025 gaat het hof aan de kant van de man uit van een inkomen uit arbeid van € 48.729,- bruto per jaar. Uit de aangehechte berekening volgt dat dit leidt tot een NBI van € 3.176,- per maand en een draagkracht voor kinderalimentatie van € 639,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
Het hof stelt voorop dat het arbeidsinkomen van de vrouw niet (meer) tussen partijen in discussie is. De discussie over de draagkracht van de vrouw gaat in hoger beroep alleen nog over het kindgebonden budget (KGB), de alleenstaande ouderkop (AOK) en de woonlasten.
De man stelt dat aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van een hoger KGB (inclusief AOK) dan zij feitelijk ontvangt. Hij gaat uit van een KGB (inclusief AOK) van € 9.456,- per jaar. Hij voert daartoe onder meer het volgende aan. Partijen hebben in het verleden afgesproken dat als de vrouw toeslagen, vergoedingen of andere vormen van compensatie zou ontvangen, die bedragen in mindering zouden worden gebracht op de door de man te betalen kinderalimentatie. Deze afspraken leidden ertoe dat de man in 2021 aan de vrouw een bedrag van € 88,- per maand als kinderalimentatie diende te betalen. Dit kwam erop neer dat de man 17 procent van de behoefte van [de minderjarige] droeg. Met de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie draagt de man 57 procent van de behoefte van [de minderjarige] en als het hof het verzoek van de vrouw in het incidenteel hoger beroep toewijst, draagt de man zelfs 71 procent van de behoefte van [de minderjarige] . Dat komt doordat de vrouw nu minder toeslagen ontvangt dan ten tijde van het ouderschapsplan, omdat zij inmiddels een fiscale partner heeft. Het gegeven dat de vrouw daardoor een lagere draagkracht heeft, kan echter niet voor rekening van de man komen. De in het ouderschapsplan afgesproken verhouding zou dan geheel scheefgroeien. Op de zitting heeft de advocaat van de man nog toegelicht dat de percentages worden vermeld ter illustratie, maar dat het geen grief op zichzelf betreft. Als het hof de man niet volgt in zijn stelling over de AOK en het KGB, verzoekt de man het hof om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een lager woonbudget. De man gaat uit van een woonbudget van maximaal 15% van het NBI, omdat de vrouw samenwoont met haar partner en haar woonlasten met hem kan delen.
Volgens de vrouw moet niet worden gerekend met fictieve toeslagen, maar moet worden gekeken naar haar werkelijke situatie. Zij verwijst naar een uitspraak van dit hof van 12 januari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:264) en een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 mei 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:3579). De vrouw gaat in de door haar op 6 maart 2026 overgelegde draagkrachtberekening uit van een KGB van € 821,- per jaar. Volgens haar ontvangt zij geen AOK. Verder vindt zij dat aan haar kant gewoon moet worden uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, omdat dit het uitgangspunt is. Slechts in bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken en alleen als er een draagkrachttekort is. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Daarbij komt dat de werkelijke woonlasten van de vrouw net worden gedekt door het woonbudget van 30% van het NBI.
Het hof volgt de vrouw in haar stelling dat moet worden aangesloten bij haar werkelijke situatie. Als uitgangspunt geldt dat een ieder de vrijheid heeft om keuzes te maken in het leven. De vrouw is gaan samenwonen met haar partner en ontvangt als gevolg daarvan geen AOK en een lager KGB dan waar zij recht op zou hebben als zij niet zou samenwonen. Dat is inherent aan het fiscale systeem en de berekeningsmethodiek van kinderalimentatie. Als de stelling van de man zou worden gevolgd, zou bij de vrouw een draagkracht worden verondersteld die zij feitelijk niet heeft. Dat zou ertoe leiden dat niet volledig in de behoefte van [de minderjarige] kan worden voorzien en dat is naar het oordeel van het hof onwenselijk. Het alternatief is dat de partner van de vrouw het tekort zou moeten aanvullen, maar hij is op grond van de wet niet onderhoudsplichtig zodat dit dus ook niet van hem kan worden verlangd.
De vrouw heeft ter onderbouwing van het KGB een aan haar gerichte ‘Definitieve berekening Toeslagen 2024’ overgelegd, waaruit blijkt dat het KGB over 2024 definitief is berekend op € 1.694,-. Daarnaast heeft zij twee bankafschriften overgelegd, waaruit volgt dat de Belastingdienst op 21 juli 2025 en 20 augustus 2025 een bedrag van € 54,- heeft gestort op een bankrekening ten name van de vrouw met als omschrijving ‘voorschot KiT/Kgb’. Omdat de in 2025 gestorte bedragen slechts voorschotten betreffen, het hof niet beschikt over de definitieve berekening van het KGB over 2025 en ook niet over voldoende gegevens beschikt om die berekening te kunnen maken, gaat het hof uit van het definitieve bedrag aan KGB in 2024.
In de huidige forfaitaire benadering van de kinderalimentatie wordt standaard rekening gehouden met 30% van het NBI voor woonlasten. Dat is op zichzelf niet in strijd met de wettelijke maatstaven. Als niet volledig in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien én er aanwijzingen zijn dat (1) de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder (2) aanmerkelijk en (3) duurzaam lager zijn dan het forfaitaire bedrag, zal de rechter ambtshalve moeten nagaan of een berekening van de draagkracht op basis van de werkelijke woonlasten leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage. Als dat het geval is, moet hij die hogere bijdrage opleggen of motiveren waarom hij dat niet doet. Zoals hierna zal blijken, hebben partijen bij berekening volgens de forfaitaire methode samen voldoende draagkracht om te voorzien in de behoefte van [de minderjarige] . Het hof ziet daarom geen aanleiding om bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een lager werkelijk woonbudget, noch om met een lager forfaitair percentage rekening te houden.
Uit de aangehechte berekening volgt dat de vrouw een NBI heeft van € 2.125,- per maand en een draagkracht voor kinderalimentatie van € 124,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
Partijen dienen in de behoefte van hun kind bij te dragen volgens de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 763,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] bedroeg in 2025 € 611,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:
het aandeel van de man (draagkracht man/totale draagkracht x behoefte) € 512,- per maand;
het aandeel van de vrouw (draagkracht vrouw/totale draagkracht x behoefte) € 99,- per maand.
Zorgkorting
Op de dagen dat [de minderjarige] in het kader van de uitvoering van de zorgregeling bij de man verblijft, maakt de man daarvoor kosten. Deze mogen in mindering worden gebracht op zijn aandeel in behoefte van [de minderjarige] , de zogeheten zorgkorting. De hoogte van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van het verblijf en wordt gesteld op een percentage van de behoefte van [de minderjarige] . Niet in geschil is dat in dit geval een zorgkorting van 25% passend is, wat neerkomt op € 153,- per maand.
Bijdrage van de man
Na aftrek van de zorgkorting dient de man met ingang van 3 april 2025 een bijdrage van € 359,- per maand te betalen. Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd, voor het eerst met ingang van 1 januari 2026. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de bijdrage € 376,- per maand.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Het hof zal de beslissing over de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Dit betekent dat de beslissing geldt, ook als één van de ouders cassatie instelt tegen deze beslissing.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren omdat deze rechtszaak gaat over een bijdrage voor het kind van partijen. Dit betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet betalen.
6. Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 april 2025, voor zover die betrekking heeft op de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 oktober 2021, voor zover dat betrekking heeft op de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2019, ingang van 3 april 2025 € 359,- per maand dient te betalen en met ingang van 1 januari 2026 als gevolg van de wettelijke indexering € 376,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, P.B. Kamminga en H. Phaff en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.