GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.318/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580775)
beschikking van 23 april 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster] (de vrouw)
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. K.R. Koopman
en
[verweerder] (de man)
die verblijft in [verblijfplaats]
advocaat: mr. M.C.G. Voogt
en
mr. K.G.I.M. Schröder (de bijzondere curator)
als bijzondere curator over [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
die kantoor houdt in [plaats1]
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
als adviseur van het gerechtshof
1. Het geding in eerste aanleg
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 oktober 2024 en 16 december 2025.
Bij de beschikking van 16 december 2025 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat de vrouw vier keer per jaar (aan het begin van ieder kwartaal) een e-mail of brief zal sturen aan de man, via de betrokken hulpverlening, over:
waarbij de vrouw iedere keer een recente foto van de kinderen zal meesturen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard (hierna: de informatieregeling).
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 16 maart 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw van 3 april 2026 met productie;
- het verweerschrift van de man in het incident met producties;
- het verweerschrift van de bijzondere curator in het incident.
De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw met haar advocaat;
- de man met zijn advocaat;
- de bijzondere curator;
Namens de raad voor de kinderbescherming was, met bericht vooraf, niemand aanwezig.
3. De voor het verzoek tot schorsing van belang zijnde feiten
De vrouw is de moeder van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2020 en
[de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn geboren [in] 2023.
De man heeft [de minderjarige1] erkend.
De vrouw heeft alleen het gezag over de kinderen.
Bij de beschikking van 16 december 2025 heeft de rechtbank naast wat onder 1. is opgenomen – voor zover ook voor het schorsingsverzoek van belang – Verilabs als deskundige benoemd, aan Verilabs opdracht gegeven voor een DNA-onderzoek naar de vraag of de man de biologische vader is van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de beslissing op het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning aangehouden in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek.
4. De motivering van de beslissing
Aan de orde is het verzoek van de vrouw schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1. genoemde beslissing betreft, de informatieregeling. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer. De bijzondere curator is het eens met het verzoek van de vrouw, voor zover het [de minderjarige2] en [de minderjarige3] betreft.
Wat staat in de wet?
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Als hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de hogere rechter alsnog de werking schorsen.
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dit niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
Hoe oordeelt het hof?
[de minderjarige2] en [de minderjarige3]
Ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] geldt dat de man hen niet heeft erkend, zodat hij niet de juridische vader is van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
Het hof zal het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] toewijzen. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op een kennelijke misslag berust, omdat de juridische grondslag voor het vaststellen van een informatieregeling op grond van artikel 1:377b lid 1 BW ontbreekt. Het hof licht dit hierna toe.
Kennelijke misslag
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank de informatieregeling baseert op artikel 1:377b BW. Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter daarvoor een regeling vaststellen. Met ‘ouder’ is bedoeld diegene die de juridische vader of moeder van het kind is. Biologisch ouderschap alleen is onvoldoende.
Uit de overwegingen in de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank de informatieregeling heeft willen koppelen aan het biologisch ouderschap. In die beschikking staat namelijk: “Wel merkt de rechtbank op dat de regeling niet zal gelden ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man niet hun biologische vader is”. Niet alleen biedt artikel 1:377b BW geen juridische grondslag voor het vaststellen van een informatieregeling op grond van enkel biologisch ouderschap, door de manier waarop de rechtbank deze voorwaarde heeft geformuleerd geldt de informatieregeling al voordat er überhaupt duidelijkheid bestaat over het biologisch ouderschap van de man ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Deze voorwaarde omtrent het biologisch ouderschap komt ook niet terug in het dictum van de uitspraak. Met het voorgaande treedt de rechtbank buiten de kaders van artikel 1:377b BW, zodat sprake is van een kennelijke misslag.
Dat een informatieregeling, zoals de man stelt, op grond van artikel 8 EVRM kan worden vastgesteld wanneer sprake is van family life, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank heeft ten aanzien van de informatieregeling geen aansluiting gezocht bij artikel 8 EVRM, maar verwijst uitdrukkelijk naar (wat is bepaald in) artikel 1:377b BW.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man het hof verzocht om de behandeling van het incident aan te houden in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek. Nu de rechtbank de toekenning van het verzoek ten aanzien van de informatieregeling baseert op artikel 1:377b BW, het zijn van biologisch ouder niet voldoende is om op grond van dat artikel een informatieregeling te kunnen vaststellen en de uitkomst van het DNA-onderzoek dan ook niet tot een ander oordeel kan leiden, ziet het hof geen aanleiding om de behandeling van het schorsingsverzoek aan te houden. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
[de minderjarige1]
Ten aanzien van [de minderjarige1] geldt dat de man hem heeft erkend, zodat hij de juridische vader is van [de minderjarige1] .
Het hof zal ook het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van [de minderjarige1] toewijzen. Het hof is van oordeel dat het belang van de vrouw om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de man om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren.
Belangenafweging
De vrouw onderbouwt haar schorsingsverzoek verder door te stellen dat haar belang om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de man om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. De vrouw stelt in dat kader dat de informatieverstrekking onomkeerbaar is. De man ontvangt elke keer informatie die hij kan gebruiken als aanknopingspunt voor verdere procedures en als instrument om controle uit te oefenen over de vrouw. De informatieverstrekking brengt stress met zich mee voor de vrouw, terwijl zij behoefte heeft aan rust om te werken aan herstel en om de kinderen een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. Ook is het belang van de man bij het verkrijgen van de informatie minimaal omdat hij langdurig gedetineerd is, geen omgang heeft met [de minderjarige1] en met de informatie op dit moment dan ook geen zinnige invulling kan gegeven aan zijn vaderrol, aldus de vrouw.
De man voert verweer en vindt dat hij een wezenlijk en zwaarwegend belang heeft om de beschikking meteen te kunnen uitvoeren, wat ook het uitgangspunt is. De man mist [de minderjarige1] en wordt door de vrouw niet op de hoogte gehouden over hoe het met hem gaat. Iedere dag dat de man niets van of over [de minderjarige1] verneemt, is verschrikkelijk voor de man. Nu de man geen omgang heeft met [de minderjarige1] is de informatieregeling de enige manier om betrokken te blijven bij het leven van [de minderjarige1] . Het belang van de man bij onmiddellijke uitvoering van de informatieregeling is zwaarwegend, terwijl het belang van de vrouw bij schorsing beperkt is en onvoldoende concreet is onderbouwd, aldus de man. Bovendien hoort, wat de vrouw aanvoert, thuis bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep en niet in deze procedure. Verder voert hij aan dat het onomkeerbare karakter geen grond voor schorsing oplevert, dat niet is onderbouwd hoe hij de informatieregeling als controlemiddel zou gebruiken en dat hij enkel op de hoogte wil worden gehouden van het wel en wee van de kinderen. Voor wat betreft de kwetsbare behandelfase van de vrouw, voert de man aan dat dit niet is onderbouwd en het slechts een zeer beperkte informatieregeling van vier keer per jaar betreft.
Het hof is, anders dan de man, van oordeel dat van het door de vrouw gestelde belang bij schorsing voldoende concreet is. Zo blijkt uit de stukken, wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken en wat in de beschikking van de rechtbank is overwogen, dat sprake is van een complexe en risicovolle dynamiek tussen partijen. Daarbij voeren de zorgen over het controlerende en dwingende gedrag van de man richting de vrouw de boventoon en de man heeft laten zien dat hij niet in staat is om zijn emoties en fixatie richting de vrouw te beheersen. Uit de bestreden beschikking blijkt ook dat volgens de raad de kenmerken van intieme terreur zijn bevestigd. Ook blijkt dat het patroon van stressvolle contacten tussen partijen zich, ondanks de detentie van de man en het contactverbod van de man jegens de vrouw en de kinderen, voortzet. Verder is de vrouw in september 2025 gestart met gespecialiseerde hulpverlening, welk traject naar verwachting langdurig zal worden, omdat de situatie nog te onrustig is voor traumaverwerking.
Voor het hof is voldoende duidelijk dat de informatieregeling bijdraagt aan de onrust en stress die de vrouw als gevolg van het controlerende en dwingende gedrag van de man ervaart, terwijl de vrouw en de kinderen mede gelet op de ingezette hulpverlening op dit moment gebaat zijn bij rust. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van de vrouw en de kinderen bij rust zwaarder dan het belang van de man om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Daarbij vindt het hof van belang dat gebleken is dat de man het contactverbod veelvuldig en ook recent nog heeft overtreden, waardoor er geen rust komt in het gezin van de vrouw. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat zij twee weken geleden nog een brief van de man heeft ontvangen, waarmee hij het op 2 oktober 2025 opgelegde contactverbod heeft overtreden.
Hoewel het hof begrijpt dat de man [de minderjarige1] mist en graag op de hoogte wordt gehouden over [de minderjarige1] , heeft de man naar het oordeel van het hof geen zwaarder wegend belang bij een onmiddellijke uitvoering van de informatieregeling. Er is op dit moment geen contact is tussen [de minderjarige1] en de man, zodat onmiddellijke nakoming van de informatieregeling niet nodig is om dit goed te laten verlopen. Bij een eventuele bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep op een later moment, kan de informatie bovendien alsnog worden verstrekt.
5. De beslissing
Het hof:
wijst het schorsingsverzoek van de vrouw toe;
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 16 december 2025 voor zover deze de informatieregeling betreft;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, D.J.M. van de Voort en M. Kemmers en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.