[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis
Tenlastelegging
Vrijspraak feit 1 parketnummer 18-103076-21
Bewijsoverweging feit 2 en 3 parketnummer 18-103076-21
Bewijsoverweging feit 1, 2 en 3 parketnummer 18-053214-21
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 december 2022;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van verdachte
Oplegging van straf en/of maatregel
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wetsartikelen
BESLISSING
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-000732-23
Uitspraakdatum:23 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 31 januari 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-103076-21 en 18-053214-21, tegen
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 6 maart 2026 en 13 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het onderzoek is op de zitting van het hof van 23 april gesloten.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.A. Heidanus, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft bij vonnis:
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-103076-21:
1.[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in of omstreeks de periode van 3 oktober 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 1°) en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) en/of
B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer] (sub 6°),
immers heeft die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of (met) diens mededader(s):
- die [slachtoffer] naar een hennepkwekerij/stekkerij gebracht en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij in die hennepkwekerij/stekkerij werkzaamheden moest verrichten en/of daarvoor die [slachtoffer] niet betaald en/of
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij niet naar buiten mocht en/of indien zij naar buiten zou gaan zij geslagen zou worden en/of
- die [slachtoffer] in een ruimte laten verblijven waar zij niet beschikte over een (westers) toilet en/of verwarming
terwijl die [slachtoffer] niet over eigen inkomsten en/of woonruimte en/of een verblijfsstatus in Nederland beschikte en/of de Nederlandse taal niet spreekt en/of (aldus) gebruik heeft gemaakt van de afhankelijksheids- en/of kwetsbare positie van die [slachtoffer] ,
waardoor die [slachtoffer] zich niet kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken tegen/aan die uitbuiting door die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s)
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte en/of (met) diens mededader(s):
- een ruimte (met hennepplanten-/stekken) ter beschikking gesteld waar die [slachtoffer] moest werken en/of
- een douchewagen gehuurd voor die [slachtoffer] ;
2. primairhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.790 hennepstekken en 353 moederplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2. subsidiair[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of (een) ander(en) in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.790 hennepstekken en 353 moederplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 16 december 2020, te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:
- een ruimte voor het telen en/of kweken en/of stekken van hennep ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of
- een aggregaat en/of een kweekbak te huren en/of te verstrekken aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] ;
3.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Zaak met parketnummer 18-053214-21 (gevoegd):
1. primairverdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een loods op een perceel aan de [adres] , aldaar,) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 936, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
1. subsidiairéén of meer (onbekend gebleven) andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging, althans een van hen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een loods op een perceel aan de [adres] , aldaar,) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 936, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,
tot en/of bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte toen en (al)daar (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die (onbekend gebleven) andere perso(o)n(en) die loods voor de teelt/het kweken van hennep(planten) te verhuren, althans ter beschikking te stellen;
2. primairverdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektrische energie onder zijn/hun bereik heeft/hebben verschaft door middel van braak en/of verbreking;
2. subsidiairéén of meer (onbekend gebleven) andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging, althans een van hen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektrische energie onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, bij en/of
tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de maand juni 2018 en (al)daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of inlichtingen heeft verschaf door een (extra) (stroom)kabel vanaf de voorzijde van de woning aan de [adres] , aldaar, (over het erf) naar de loods eveneens staande (op het perceel) aan de [adres] , aldaar, aan te leggen en/of in te graven;
3.verdachte in of omstreeks de periode van 11 t/m 15 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een viertal, in ieder geval één of meer, vogelhuisjes en/of een (film)camera (van het merk Arlo, type Go) en/of een (zogenaamde) powerbank (van het merk Xtorm), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Op 16 december 2020 heeft de politie een inval gedaan in een loods in [plaats] . Deze loods is van verdachte. In de loods blijkt een hennepstekkerij te zitten. In de loods worden vier Vietnamese personen aangetroffen die daar aan het werk waren, waaronder medeverdachte [medeverdachte 1] en aangeefster. Aangeefster heeft aangifte gedaan van mensenhandel en heeft verklaard dat ze in de schuur moest werken zonder betaling. Naar aanleiding daarvan is het onderzoek Masaya gestart.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid van mensenhandel. Door zijn loods ter beschikking te stellen voor het kweken van hennepstekken bevorderde faciliteerde hij het strafbare feit van het telen van hennep en de daaruit voortvloeiende uitbuitingssituatie. Verdachte wist dat de hennepstekkerij was overgenomen door Vietnamezen en was op enig moment ook actief betrokken bij de huur van een douchecabine. Uit deze omstandigheden vloeit voort dat verdachte zich welbewust bloot heeft gesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat werknemers in de hennepstekkerij zouden worden uitgebuit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Er is geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan mensenhandel. De omstandigheid dat verdachte een loods heeft verhuurd en wetenschap had van hennepteelt en de aanwezigheid van de voorzieningen, zeggen niets over de wetenschap van uitbuiting.
Oordeel van het hof
Uit het dossier blijkt dat verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] samen het plan hebben opgevat om een hennepstekkerij op te zetten. Dit hebben ze gedaan in één van de schuren bij de woning van verdachte. Verdachte heeft zaken geregeld en betaald om de stekkerij op te zetten, waaronder bakken, stellingen en aggregaten. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens de hennepstekkerij opgebouwd. De stekkerij was geen succes en mislukte. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben hulp gevraagd en zijn via via in contact gekomen met Vietnamese mannen, die zich hebben voorgesteld als [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Toen werd besloten dat zij de stekkerij gingen organiseren kwamen er meer Vietnamezen in beeld. Verdachte zou een vergoeding krijgen voor het beschikbaar stellen van de loods en hij zou een deel van de opbrengst krijgen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er iemand permanent in de loods verbleef en daar ook niet mee had ingestemd als hij dat had geweten. Tijdens de eerste verhoren van aangeefster is haar een foto van verdachte getoond. Zij herkent de man op de foto niet. Dat is anders als aangeefster een foto wordt getoond van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] of een van de andere medeverdachten in dit onderzoek. Die personen herkent ze wel. Met betrekking tot de huur van de douchecabine en het toilet heeft medeverdachte [medeverdachte 5] verklaard dat hij op verzoek van meneer [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) bepaalde dingen moest realiseren. Hij moest onder andere zorgen dat er volgens afspraak een toilet en badkamer zou komen. De toiletwagen is vervolgens door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] opgehaald.
Naar het oordeel van het hof is het enkel ter beschikking stellen van een loods onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat verdachte heeft geweten van de uitbuitingssituatie waarin aangeefster zich bevond. Ook kan enkel op grond daarvan niet worden gezegd dat verdachte daarmee niet alleen heeft bevorderd en gefaciliteerd dat er hennep werd geteeld maar ook de daaruit voortvloeiende uitbuitingssituatie.
Uit het dossier blijken onvoldoende concrete omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was dat aangeefster zich in een uitbuitingssituatie bevond. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat verdachte wist dat aangeefster permanent en in de loods verbleef. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat aangeefster illegaal in Nederland verbleef, geen geld kreeg of zwaar werd onderbetaald voor de door haar verrichte werkzaamheden in de hennepstekkerij.
Gelet op vorenstaande heeft het hof uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de feiten geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof acht op grond van de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2
primair en 3 ten laste gelegde. Op 16 december 2020 zijn in de loods van verdachte aan de [adres] te [plaats] 3.790 hennepstekken en 353 hennepplanten (zogenoemde moederplanten) aangetroffen. De stroom voor de loods werd illegaal afgenomen. Verdachte verhuurde de loods vanaf mei/juni 2020 en in de zomer van 2020 wist hij dat er een hennepstekkerij aanwezig was. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn loods heeft verhuurd aan [medeverdachte 2] , wetend dat [medeverdachte 2] er” een hennepstekkerij in zou starten. [medeverdachte 2] heeft de hennepstekkerij samen met [medeverdachte 3] opgebouwd en opgestart. Verdachte heeft bakken besteld en betaald. Er werden aggregaten gebruikt die verdachte betaalde. Verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben in samenspraak besloten de stroom om de meter te leiden. Verdachte kreeg een vergoeding voor het beschikbaar stellen van de loods en het geld dat met de hennepstekkerij zou worden verdiend, zou hem ook toekomen. In september 2020 gingen zij samenwerken met een aantal Vietnamese medeverdachten.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 1 is sprake van medeplichtigheid en ten aanzien van feit 2 is sprake van medeplegen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van deze feiten.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen (hierna cursief weergegeven).
“Ten aanzien van feit 1 primair, kort gezegd medeplegen van het telen dan wel aanwezig
hebben van hennep, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 17 februari 2020 in een loods achter de woning van verdachte
aan de [adres] te [plaats] (hierna: de loods) een situatie is aangetroffen die door de politie wordt geduid als een geruimde hennepkwekerij. In de loods stonden stellages en
werden onder meer verlichtingsarmaturen en een tijdschakelklok aangetroffen. Tevens
werden in de loods vaten met de geur van hennep aangetroffen, alsmede stekblokjes met
hennepresten en waterslangen met hennepresten. Op diverse plaatsen in de ruimte lagen
hennepresten op de vloer. Op 14 november 2019 is er een thermische opname gemaakt
waarop een warmtebron zichtbaar was in de loods. Uit een netmeting van [benadeelde 2] volgt dat in het stroomverbruik een kweekpatroon van hennep zichtbaar was.
De toenmalige partner van verdachte, [getuige] , heeft op 17 oktober 2019 aan de politie verteld dat in een loods achter de woning van verdachte aan de [adres] te [plaats] (hierna: de loods) mogelijk hennep zou worden gekweekt. Verdachte had haar verteld dat de enige oplossing om uit de financiële problemen te komen zou zijn om een ruimte ter beschikking te stellen voor het kweken van hennep.
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank
bewezen dat in de loods van verdachte binnen de ten laste gelegde periode (blijkens de
thermische opname in ieder geval op 14 november 2019 en blijkens de verse hennepresten
tot kort voor de inval op 17 februari 2020) meerdere hennepplanten aanwezig zijn geweest. Nu een gemiddelde hennepplant 28,2 gram hennep levert mag ervan uitgegaan worden dat er in totaal in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram aanwezig is geweest.
(…)
Dat sprake was van medeplegen leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte heeft
verklaard dat hij de loods aan iemand had verhuurd en dat op camerabeelden is te zien dat op 11 februari 2020 twee voertuigen de betreffende loods inrijden en er ruim twee uur later weer uitrijden.
Ten aanzien van feit 2, kort gezegd diefstal van elektriciteit, overweegt de rechtbank dat
tijdens het onderzoek op 17 februari 2020 werd geconstateerd dat de stroomvoorziening in de loods op illegale wijze werd afgenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij hier niets van afwist. De rechtbank constateert echter dat hij desondanks de precieze locatie van de illegale aansluiting kon aanwijzen, overigens niet dan nadat de inspecteur hem voor had gehouden dat anders de bestrating van zijn perceel zou worden opgebroken. In combinatie met het feit dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank wist dat er een hennepkwekerij in zijn loods zat, zoals hiervoor overwogen, maakt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte wist dat er via een illegale aansluiting elektriciteit voor de loods werd afgenomen waarvoor hij niet betaalde. De rechtbank acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de
bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat
de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid,
tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
2020, opgenomen op pagina 56 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van
onderzoeksnummer NN3R019108 / APOLLO d.d. 9 februari 2021.”
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-103076-21:
2.primairhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met op 16 december 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.790 hennepstekken en 353 moederplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 16 december 2020 te [plaats] , in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;.
Zaak met parketnummer 18-053214-21 (gevoegd):
1.primairverdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een loods op een perceel aan de [adres] , aldaar,) een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 936, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.primairverdachte in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 16 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektrische energie onder zijn/hun bereik heeft/hebben verschaft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
3.verdachte in of omstreeks de periode van 11 t/m 15 februari 2020, te [plaats] , (althans) in de [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een viertal, in ieder geval één of meer, vogelhuisjes en/of een (film)camera (van het merk Arlo, type Go) en/of een (zogenaamde) powerbank (van het merk Xtorm), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorden aan de [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen (hierna cursief weergegeven).
“Verdachte heeft zich binnen het tijdsbestek van een jaar tweemaal schuldig gemaakt aan
overtreding van de Opiumwet door het telen van hennepplanten in een loods bij zijn woning.
(…) Tevens heeft verdachte ten behoeve van de hennepkwekerij en -stekkerij op illegale wijze stroom afgenomen en heeft hij door de politie opgehangen camera’s, een powerbank en vogelhuisjes vernield. (…)
Ten aanzien van de overtredingen van de Opiumwet overweegt de rechtbank dat hennep de
voor de volksgezondheid schadelijke stof THC bevat en daarom door de wetgever op de bij
de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Daarbij komt dat de (illegale) handel in hennep de samenleving onveiliger maakt door de criminaliteit die daardoor wordt gegenereerd. Het
aanleggen van een illegale stroomvoorziening levert niet alleen (financiële) schade op voor
de energiemaatschappij, maar brengt bovendien gevaar met zich mee, ook voor omwonenden.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich bij zijn handelen met betrekking tot de
hennepteelt (…) kennelijk alleen heeft laten leiden door zijn eigen hang naar
financieel gewin. Uit het feit hij slechts enkele maanden na de ontdekking van de geruimde
hennepkwekerij in zijn loods heeft ingestemd met het starten van een hennepstekkerij in
diezelfde loods, leidt de rechtbank af dat het politiële ingrijpen geen enkele remmende
werking heeft gehad”
In aanvulling hierop overweegt het hof als volgt.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 4 februari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof zal daarom het strafblad niet in het voordeel of in het nadeel van verdachte laten meewegen in de op te leggen straf.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en op de zitting bij het hof door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Het hof weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij ter terechtzitting in hoger beroep verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde feiten.
In de zaak van verdachte heeft de reclassering op diverse momenten gerapporteerd. Uit het rapport van 25 augustus 2021 blijkt dat er geen signalen naar voren komen van problemen op de leefgebieden. De reclassering ziet dan geen indicaties voor gedragsbeïnvloeding in een gedwongen kader. In het geval van een veroordeling adviseert de reclassering een afdoening zonder bijzondere voorwaarden. In het rapport van 24 augustus 2022 komt de reclassering tot hetzelfde advies. Ten behoeve van de zitting in hoger beroep heeft de reclassering weer een advies uitgebracht. Dan is er een aantal dingen veranderd. Verdachte heeft de loods gesloopt en een open kapschuur gerealiseerd, hij heeft meer personeel binnen zijn bedrijf en hij heeft een nieuwe relatie. De reclassering ziet nog steeds geen indicaties voor gedragsverandering dan wel risicobeperking in een gedwongen kader. Bij een veroordeling wordt geadviseerd om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Tot slot houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Verdachte is op 13 april 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 31 januari 2023. Op 13 februari 2023 heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Het dossier is door het hof ontvangen op 25 mei 2023 en op 23 april 2026 is het arrest van het hof uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ruim een jaar, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Het hof zal hiermee in de strafoplegging rekening houden.
Het hof acht in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 240 uur, passend. Het hof ziet echter in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om daarvan af te wijken. Het hof komt om die reden tot de niet alleen passende maar ook geboden oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 110 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast zal het hof aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 220 uren, te vervangen door 110 dagen hechtenis bij het niet uitvoeren van de taakstraf. Het hof komt daarmee tot een andere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd. Dat heeft te maken met het feit dat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen.
Voorlopige hechtenis
Het hof stelt vast dat verdachte gedurende langere tijd geschorst is geweest terwijl zich geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. Het hof ziet daarin, uit overwegingen van redelijkheid en opportuniteit, aanleiding om met ingang van heden het (inmiddels geschorste) bevel van de voorlopige hechtenis op te heffen bij arrest.
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.700,00 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,00 immateriële schade en € 5.700,00 materiële schade. De rechtbank heeft de vordering van de immateriële schade toegewezen en de vordering van de materiële schade afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 27.582,21 ingediend. De schade bestaat uit materiële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat [benadeelde 2] schade heeft geleden
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank en de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen (hierna cursief weergegeven).
“Met betrekking tot benadeelde partij [benadeelde 2] is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de hennepkwekerij in de loods - zoals [benadeelde 2] heeft gesteld - zeven kweken heeft gehad. Nu dat naar het oordeel van de rechtbank niet met
zekerheid kan worden vastgesteld, kan de omvang van de door [benadeelde 2] geleden schade
evenmin worden vastgesteld. Het alsnog laten onderzoeken zou een onevenredige belasting
van het strafproces opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet
ontvankelijk in de vordering verklaren en bepalen dat deze slechts bij de burgerlijke rechter
kan worden aangebracht.”
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 518,79 ingediend. Het bedrag bestaat uit materiële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van de het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gevorderd om de vordering toe te wijzen conform de beslissing van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De vordering is niet betwist. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, namelijk 15 februari 2020.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze
uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de
kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog
moet maken.
De straf en/of maatregel is gebaseerd op:
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-103076-21 onder 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 110 (honderdtien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 518,79 (vijfhonderdachttien euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-053214-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 518,79 (vijfhonderdachttien euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 februari 2020.
Voorlopige hechtenis
Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Dörholt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 april 2026.
Mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.