ECLI:NL:GHARL:2026:2508

ECLI:NL:GHARL:2026:2508

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 21-000304-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Net als de rechtbank veroordeelt het hof verdachte voor doodslag op zijn 7 weken oude zoontje. Niet aannemelijk is geworden dat het zeer ernstige hersenletsel waaraan de baby is overleden een andere oorzaak kan hebben dan dat dit door verdachte aan hem is toegebracht. Het hof legt hem hiervoor 7 jaar gevangenisstraf op. De vordering benadeelde partij van de moeder is toegewezen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in P.I. [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 3 augustus 2023, 17 augustus 2023, 15 oktober 2024 en 20 en 24 maart 2026 en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. C.B. Stenger en mr. P.Th. van Jaarsveld, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. M.R.M. Schaap, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Daarom, en ook omdat er in hoger beroep uitgebreid aanvullend onderzoek is verricht, vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij in of omstreeks 30 november 2020 tot en met 1 december 2020 te [plaats] zijn zoon, [naam zoon] , geboren op 9 oktober 2020, opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [naam zoon] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden,

in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen;

subsidiairhij in of omstreeks de periode 30 november 2020 tot en met 1 december 2020 te [plaats] aan zijn zoon, [naam zoon] , geboren op 9 oktober 2020, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten zeer ernstig hersenletsel, letsel aan de ogen en meerdere breuken in het lichaam, heeft toegebracht, door

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [naam zoon] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden,

in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiairhij in of omstreeks de periode 30 november 2020 tot en met 1 december 2020 te [plaats] zijn zoon, [naam zoon] , geboren op 9 oktober 2020 heeft mishandeld door

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [naam zoon] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden,

in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde, doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt verdediging

Op de zitting van het hof is door de raadsman en raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe (zakelijk weergegeven) aangevoerd dat het niet mogelijk is te beredeneren hoe het letsel bij [naam zoon] is ontstaan. Er is slechts één bron beschikbaar, buiten het vakgebied van juristen, namelijk het deskundigenbewijs. Daarnaast is er geen enkel bewijs in het dossier aanwezig dat verdachte het letsel van [naam zoon] zou hebben veroorzaakt. Er zijn uiterlijk bij [naam zoon] geen letsels waargenomen die verband houden met toegebracht letsel. Slechts de door de deskundigen van het openbaar ministerie aangehangen medische theorie over de bij [naam zoon] aangetroffen letsels, kan daartoe worden gebruikt, en dat terwijl er geen volledige consensus in de wetenschap bestaat over de juistheid van die theorie die er samenvattend op neer komt dat de triade duidt op toegepast letsel. De vraag is daarom hoe geschikt deze theorie is om daarmee in een strafzaak een dader aan te wijzen. Internationaal kijkt men binnen de rechtspraak ook steeds kritischer naar het gebruik van de door de deskundigen aangehangen hypothese als middel om tot een bewezenverklaring te komen. Al zou het hof die theorie wél serieus nemen, dan is niet elke andere oorzaak voor eventueel toegebracht letsel uitgesloten, ook niet door de deskundigen van het openbaar ministerie. De verloskundige heeft verklaard dat de moeder van [naam zoon] , [benadeelde] , haar heeft verteld dat ze [naam zoon] uit reflex door elkaar heeft geschud, heeft uitgekleed en hem is gaan reanimeren. [benadeelde] heeft dat zelf echter in haar eerste verhoor bij de politie niet gezegd en in haar tweede verhoor ontkend. Vervolgens verandert ze haar verklaring hierover en zegt dat ze hem op de arm heeft gehad en heen en weer heeft geschud. Daartegenover staat dat verdachte consequent heeft verklaard over wat er is voorgevallen. Het alternatieve scenario dat [naam zoon] het letsel heeft opgelopen voordat de hulpdiensten arriveerden, maar nadat [naam zoon] was weggevallen kan niet worden uitgesloten.

De raadsvrouw heeft vervolgens (zakelijk weergegeven) ook aangevoerd dat een alternatief scenario niet kan worden uitgesloten, namelijk dat een medische oorzaak voor het overlijden van [naam zoon] aannemelijk is. Er waren zorgen over [naam zoon] die in het dossier veelvuldig naar voren komen. [naam zoon] kreunde veel, sliep altijd, perste en liep rood aan, overstrekte en zag tweemaal geel. Ook had hij al een paar dagen dunne ontlasting en was hij niet fit. De door de verdediging benaderde deskundigen [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] stellen dat een medische oorzaak aannemelijk is en niet kan worden uitgesloten. Hun oordeel kan niet terzijde worden geschoven enkel omdat dit gebaseerd is op klinische ervaring in plaats van uitsluitend op literatuur. Niet kan worden gezegd dat een traumatische oorzaak de enige plausibele verklaring is. Ook voor de aangetroffen fracturen kan volgens hen een medische oorzaak niet worden uitgesloten.

Als het hof vaststelt dat een medische oorzaak is uitgesloten, dan blijft volgens de deskundigen een schud- of impacttrauma over als oorzaak, terwijl niet kan worden vastgesteld of het letsel is ontstaan door schudden, impact of een combinatie van beide. Alleen daarom al kan voorwaardelijk opzet niet worden bewezen. Als het mechanisme niet kan worden vastgesteld, kan niet vastgesteld worden hoe het letsel is ontstaan en of er een aanmerkelijke kans op de dood was die bewust is aanvaard. Verder is de bewijskracht van het waarschijnlijkheidsoordeel van deskundige [naam 5] slechts beperkt, nu hij heeft geconcludeerd dat de combinatie van bevindingen veel waarschijnlijker is bij een niet-accidentele dan bij een accidentele (zeer forse) krachtsinwerking. Als het hof wel van oordeel is dat sprake is van toegebracht letsel, is het niet zeker of dat door verdachte is toegebracht. Gelet op de tijdspanne waarin het letsel kan zijn ontstaan, is het mogelijk dat het letsel op een eerder moment op 30 november 2020 is toegebracht, terwijl verdachte niet thuis was. Daarbij beargumenteert de raadsvrouw net als de raadsman dat het mogelijk is dat het letsel van [naam zoon] is ontstaan doordat [benadeelde] [naam zoon] uit een reflex door elkaar heeft geschud. Verdachte heeft geen constant zicht gehad op [benadeelde] en is buiten geweest om de ambulance op te vangen. Daarbij zijn er contra-indicaties voor het daderschap van verdachte. Voor een veroordeling moet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat [naam zoon] opzettelijk is mishandeld en als gevolg daarvan is komen te overlijden. Het dossier bevat daarvoor geen direct bewijs, terwijl de deskundigheidsrapportages een beperkte bewijskracht hebben. Het wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling ontbreekt.

Oordeel van het hof

Het hof komt tot een ander oordeel. De bewijsmiddelen zoals hieronder zijn weergegeven, bevattende onder meer de redengevende feiten en omstandigheden, waardeert het hof zoals weergegeven in zijn overwegingen.

Inleiding

Op 9 oktober 2020 is [naam zoon] geboren, als zoon van verdachte en [benadeelde] . [naam zoon] is op 1 december 2020 om 00:18 vervoerd naar het [naam ziekenhuis] ) nadat hij zich in de woning van verdachte en [benadeelde] in [plaats] op 30 november 2020 in reanimatiebehoeftige toestand bevond. Diezelfde dag, op 1 december 2020 werd de behandeling gestaakt, waarna [naam zoon] om 13:00 uur is overleden. Door de artsen van het [naam ziekenhuis] werd geen verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven.

Door deskundigen vastgestelde letsels en duiding daarvan

Op een CT-scan van de hersenen van 1 december 2020 (voordat [naam zoon] was overleden) werd een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies gezien: langs de buitenzijde van de linker hersenhelft, langs het scheidingsvlies tussen beide helften van de grote hersenen en links op het scheidingsvlies tussen grote en kleine hersenen. Aan de linkerzijde van de grote hersenen (zijwaarts) was een kneuzingshaard zichtbaar. Een nieuwe CT-scan van een paar uur later liet een toename van de kneuzingshaard zien (met een extra kneuzingshaard linksachter in de grote hersenen die terugkijkend ook deels zichtbaar was op de eerste CT-scan) met een toename van hersenzwelling met tekenen van inklemming. Het verschil tussen grijze stof (hersencellen in de schors) en witte stof (de zenuwuitlopers) was verminderd zichtbaar. Ook werden op een röntgenfoto van de borstkas op 1 december 2020 oude(re) ribbreuken aan de linkerzijde gezien. Een oogarts onderzocht de netvliezen van de ogen. Het onderzoek mislukte bij het rechteroog vanwege de kleine pupilopening. Links waren verschillende bloedingen in en achter het netvlies zichtbaar.

Postmortaal, dus na het overlijden van [naam zoon] , werd verder onderzoek aan zijn lichaam verricht.

Uit een schouwverslag van 1 december 2020, opgesteld door forensisch arts [naam 1] , blijkt onder meer van huidafwijkingen, waarvan minimaal 1 geel-bruine hematoom op de linker kaakrand en diverse andere hematomen.

Bij radiologisch onderzoek door prof. [naam 2] op 2 december 2020 werd de aanwezigheid van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies bevestigd, aan de buitenzijde langs de linker hersenhelft, tussen de helften van de grote hersenen in en op het scheidingsvlies tussen grote en kleine hersenen. In de linker hersenhelft was een bloederige kneuzing zichtbaar. In de hersenkamers was bloed aanwezig, links meer dan rechts. Door hersenzwelling van met name de linker hersenhelft, was de middenlijn verschoven naar rechts. Er werden ook ribbreuken geconstateerd aan de voorzijde van de eerste twee ribben aan de rechterkant en van de eerste rib aan de linkerkant. Ook werden ribbreuken zijwaarts geconstateerd van de ribben 2 tot en met 5 aan de linkerzijde en zij-achterwaarts aan rib 7 aan de linkerzijde. Het waren ribbreuken met genezingsreacties, waarbij de zijwaartse breuken in de ribben 2 tot en met 5 minder ver genezen waren (wolkige botnieuwvorming) dan de ribbreuk van rib 7 linksachter (remodellering). De radioloog concludeert dat sprake is van herhaalde incidenten waarop de fracturen zijn ontstaan. Ook werden kleine breukjes (zogenaamde metafysaire hoekfracturen) gezien in het rechterbovenbeen aan de zijde van de knie en in het linker scheenbeen aan de zijde van de enkel.

Op 2 december 2020 vond een sectie plaats door forensisch patholoog [naam 3] . Uitwendig zag de patholoog enkele onderhuidse bloeduitstortingen aan het hoofd en op de kin, deels passend bij medisch handelen. Onderhuids waren enkele bloeduitstortingen tot op het botvlies van de schedel zichtbaar. De hersenen waren ernstig gezwollen. Rondom de hersenen, met name links, en in het verloop van het wervelkanaal was sprake van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Rondom beide oogzenuwen waren bloedingen. Bij enkele ribben werd botnieuwvorming gezien.

Uit microscopisch onderzoek bleek het volgende over de datering van de fracturen:

Bij gericht lichtmicroscopisch onderzoek konden de uit het radiologisch onderzoek door prof. [naam 2] blijkende breuken aan de linker 6e rib achterwaarts, rechter 7e rib voorwaarts en de linker 11e rib voorwaarts niet worden bevestigd. De metafysaire hoekfractuur aan het rechterdijbeen kon evenmin worden bevestigd.

Op de zitting van het hof van 20 maart 2026 is door forensisch patholoog [naam 4] toegelicht dat de ribfracturen (het hof begrijpt uit het hierboven weergegeven microscopisch onderzoek: de rechter 2e en 3e rib voorwaarts) van enkele dagen oud mogelijk verband kunnen houden met de reanimatiepoging.

Neuropathologisch onderzoek liet schade van hersenweefsel door zuurstoftekort zien. Ook waren er tekenen van traumatische (door krachten ontstane) beschadigingen, namelijk:

De ouderdom van (restanten van) de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) werd geschat op enkele uren. Ook in het ruggenmerg was schade door zuurstofgebrek en waren laagcervicaal (in de nek) tot lumbaal (in de onderrug) verschillende kleinere bloedingen boven en onder het harde hersenvlies, voornamelijk in de omgeving van zenuwwortels.

Oogpathologisch onderzoek liet uitgebreide bloedingen zien in de netvliezen van beide ogen, rechts meer dan links, over het gehele oppervlak en in alle lagen van het netvlies. Ook werden bloeduitstortingen rondom de oogzenuw en in het vetweefsel achter het oog geconstateerd.

Overwegingen van het hof

Samenvattend zijn bij [naam zoon] onder meer de volgende letsels vastgesteld:

Het hof staat vervolgens voor de vraag wat kan gelden als de doodsoorzaak van [naam zoon] en wat de toedracht is geweest van de bij [naam zoon] geconstateerde letsels.

Nadere conclusies forensisch deskundigen over toedracht

Forensisch patholoog [naam 4] concludeert hierover bij rapportage van 27 mei 2021 dat het uitgebreide hersenletsel het ontstaan van een reanimatiebehoeftige toestand en een uitzichtloze situatie zonder meer verklaard. Het hersenletsel en het oogletsel zijn volgens [naam 4] ontstaan door ofwel niet-accidenteel (toegebracht) letsel, te weten een dynamisme krachtsinwerking (schudtrauma) al dan niet in combinatie met stomp botsende krachtsinwerking (zoals stompen en slagen al dan niet met of tegen structuren), ofwel door accidenteel letsel, te weten stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd in de vorm van hoogenergetisch trauma (zoals een zwaar verkeersongeval of een val van grote hoogte). Simpele huis-, tuin- en keukenongevallen zijn alleszins onvoldoende om het letselbeeld te verklaren.

De bloeduitstortingen rondom het ruggenmerg waren voornamelijk gelokaliseerd in de omgeving van zenuwwortels. Ze zijn het gevolg van stomp botsende krachtsinwerking ter hoogte van de romp of ontstaan in het kader van een dynamische krachtsinwerking.

De ribbreuken zijn het gevolg van hevig stomp botsende al dan niet in combinatie met comprimerende krachtsinwerking (zoals slagen, vallen of stevig beetpakken). De uiteenlopende genezingsstadia passen bij herhaaldelijke incidenten waarop deze breuken zijn ontstaan. Zowel (zij- en achterwaarts gelokaliseerde) ribbreuken als metafysaire hoekfracturen komen vaker voor in het kader van een niet-accidentele toedracht en dus bij toegebracht letsel dan bij een accidentele toedracht.

Gezien (de combinatie van de) sectiebevindingen kan een ziekelijke en/of geboortegerelateerde oorzaak van voornoemde letsels volgens [naam 4] worden uitgesloten. Op basis van de bevindingen van de in- en uitwendige schouwing en de aanvullende onderzoeken zijn geen ziekelijke afwijkingen aangetroffen die de onwelwording en/of het overlijden kunnen verklaren of die hiervoor van betekenis zijn geweest.

Op de zitting van het hof van 20 maart 2026 heeft [naam 4] verklaard dat het niet anders kan zijn dan dat er een krachtsinwerking op het hoofd is geweest. Er is op meerdere niveaus traumatische schade. Schade aan de zenuwuitlopers ontstaat slechts bij een (niet geringe) krachtsinwerking. Ook is er geen enkele stoornis te noemen waardoor verscheuring van het ependym ontstaat. Er is in het geval van [naam zoon] veel meer schade vastgesteld dan alleen de triade.

Forensisch arts [naam 5] concludeert in zijn rapport van 21 juni 2021 dat [naam zoon] is overleden aan ernstig hersenletsel, met kneuzingshaarden, bloedingen, hersenzwelling en schade door zuurstoftekort. De combinatie van deze letsels is het gevolg van (een) forse krachtsinwerking(en). Naast deze forse, fataal verlopen schade in de hersenen, was sprake van bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies op verschillende locaties, uitgebreide netvliesbloedingen, oudere ribbreuken op meer dan één moment ontstaan en van minimaal één metafysaire hoekfractuur in de benen.

De bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, die neuropathologisch vers waren, en de netvliesbloedingen, waarbij ijzer bij oogpathologisch onderzoek niet aankleurde, zijn volgens [naam 5] op zichzelf beschouwd het gevolg van forse krachtsinwerkingen. In combinatie met het forse hersenletsel wijst dit op zeer forse krachtsinwerkingen als gevolg van impact en/of een heftig schudincident.

Verschillende onderzoeken (zoals microbiologisch onderzoek en stofwisselingsonderzoek) leidden niet tot een verklaring van de letsels. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. Ook toxicologisch onderzoek leidde niet tot een verklaring van het overlijden. De geboorte is als oorzaak uitgesloten. De geconstateerde letsels zijn, in combinatie bezien, niet ontstaan bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de geboorte.

Het hersenletsel op zichzelf, evenals de combinatie van alle bevindingen, is volgens [naam 5] zeer veel waarschijnlijker bij een (zeer) forse krachtsinwerking (te weten een forse impact tegen het hoofd en/of een heftig schudincident) dan bij een eenvoudige val, bij een medische aandoening en/of bij gebruikelijke verzorgingshandelingen. De geboorte is uitgesloten als oorzaak. De combinatie van medische bevindingen is daarbij veel waarschijnlijker bij een niet-accidentele, dan bij een accidentele (zeer) forse krachtsinwerking. Een onderscheid tussen forse impact en een heftig schudincident is niet goed te maken. De bloeduitstortingen tot op het botvlies van de schedel en de beperkte schade aan de zenuwuitlopers in de hersenen geven enige ondersteuning voor impact als onderdeel van het oorzakelijke mechanisme, al dan niet in combinatie met een heftig schudincident. Een schudincident zonder impact als oorzaak is daarbij niet uit te sluiten.

Op verzoek van de verdediging is in eerste aanleg een volledig tegenonderzoek uitgevoerd door forensisch patholoog [naam 6] . Hij concludeert in zijn rapportage van 15 november 2022 dat de doodsoorzaak van [naam zoon] hoofdletsel is. Hij vervolgt dat de anatomische bevindingen die hierop wijzen zijn: subduraal hematoom, bloeding in het ventrikelstelsel van de hersenen, contusieschade, traumatische laceratie van het ependym. Er was ook beperkt traumatisch axonaal letsel. Er was sprake van hypoxisch/ischemische encefalopathie die aansluit bij de hierboven beschreven bevindingen.

Op de vraag wat de mogelijke verklaringen voor de geconstateerde letsels en/of afwijkingen zijn, concludeert [naam 6] in zijn (vertaalde) rapport dat de bevindingen aan het centraal zenuwstelsel kenmerkend zijn voor trauma. De “triade” van subduraal hematoom, netvliesbloeding en hypoxisch/ischemische bloeding was aanwezig. Bovendien was er contusieschade (kneuzingschade) en een laceratie (scheuring) van het hersenweefsel. De veroorzakende mechanismen zijn directe impact en/of schudden. Impact betekent doorgaans dat het hoofd een oppervlak heeft geraakt. Geboortetrauma is uitgesloten doordat de letsels duidelijk van na de bevalling dateren. Netvliesbloeding in de mate die in dit geval wordt gezien, hangt sterk samen met het traumatische hersenletsel. Hypoxisch/ischemisch letsel wordt veroorzaakt door gebrek aan zuurstof en bloedtoevoer aan de hersenen en is het kenmerkende letselpatroon dat wordt gezien in de hersenen van een kind van deze leeftijd. Er is melding gemaakt van beperkte traumatische schade aan de axonen - de zenuwuitlopers in de hersenen. Radiografisch werden ribfracturen vastgesteld met callusvorming die wijst op genezing. Deze hangen sterk samen met toegebracht letsel. Ze worden veroorzaakt door samendrukken van de borstkas. De beschrijvingen geven aan dat dit geen geboorteletsels zijn, maar dat zij van voor de ontwikkeling van de hersenletsels dateren. Metafysaire fracturen hangen sterk samen met toegebracht letsel. Ze kunnen worden veroorzaakt door trekken aan en verdraaien van de ledematen. Een ander mechanisme dat mogelijk veroorzakend is, is het zwaaien van de ledematen als het kind wordt vastgegrepen en geschud. [naam 6] concludeert dat de letsels kenmerkend zijn voor toegebracht letsel.

In hoger beroep is op verzoek van de verdediging nogmaals een tegenonderzoek uitgevoerd, dit keer door forensisch arts [naam 7] , bij rapportage van 12 december 2023. [naam 7] heeft gerapporteerd op basis van vragen van het hof, van de advocaat-generaal en van de verdediging. [naam 7] heeft een tweede maal gerapporteerd, op 21 mei 2024, ditmaal ter beantwoording van aanvullende vragen van de verdediging. Over de toedracht van de letsels van [naam zoon] concludeert hij dat zowel voor de onwelwording als voor het overlijden van [naam zoon] in het ziekenhuis en bij gerechtelijke sectie (inclusief contra-expertise) geen andere (eventueel onderliggende of bijkomende) oorzaak is gebleken. Het overlijden wordt verklaard door forse acceleratie-deceleratie en/of impact (contact) krachtsinwerking(en) op het hoofd van het [naam zoon] . Het aangetroffen ernstige hersenletsel past bij de hypothese dat geweld is toegepast, zo concludeert [naam 7] .

Op de zitting van het hof van 20 maart 2026 heeft [naam 7] toegelicht dat afwezigheid van zichtbaar letsel bij baby’s niets zegt. Ook als evident sprake is geweest van mishandeling, hoeft er aan de buitenkant van het lichaam niets te zien te zijn.

Overweging hof over de oorzaak van het overlijden van [naam zoon]

Het hof stelt op basis van de resultaten van het onderzoek zoals hierboven omschreven in de verschillende deskundigenrapportages, vast dat niet ter discussie staat dat het overlijden van [naam zoon] wordt verklaard door – kort samengevat – de gevolgen van ernstig hoofdletsel. Het hof neemt de conclusies van de forensisch deskundigen hieromtrent over.

Nadere conclusies van de deskundigen over de letseltoedracht

Over de oorzaak van de bij [naam zoon] waargenomen letsels komen de forensisch deskundigen allen ook tot dezelfde conclusie: het hoofdletsel en het overlijden van [naam zoon] is het gevolg van een forse krachtsinwerking. Door [naam 5] is geconcludeerd dat de combinatie van bevindingen zeer veel waarschijnlijker is bij een (zeer) forse krachtsinwerking dan bij een eenvoudige val, bij een medische aandoening en/of bij gebruikelijke verzorgingshandelingen. Met de term zeer veel waarschijnlijker wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten 10.000 tot 1.000.000 keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is, dan wanneer de andere hypothese waar is (likelihood ratio). Over de vervolgvraag of het letsel van [naam zoon] toegebracht letsel is, heeft [naam 5] geconcludeerd dat de combinatie van medische bevindingen veel waarschijnlijker is bij een niet-accidentele, dan bij een accidentele (zeer) forse krachtsinwerking. Voor de term veel waarschijnlijker geldt een likelihood ratio van 100 tot 10.000. [naam 4] benoemt dat het in het geval van een accidentele krachtsinwerking zou moeten gaan om stomp botsende krachtinwerking op het hoofd in de vorm van hoogenergetisch trauma, zoals een zwaar verkeersongeval of een val van grote hoogte. Simpele huis-, tuin- en keukenongevallen zijn alleszins onvoldoende om het letselbeeld te verklaren. [naam 6] stelt vast dat de letsels kenmerkend zijn voor toegebracht letsel en [naam 7] benoemt dat het aangetroffen ernstige hersenletsel past bij de hypothese dat geweld is toegepast.

Door de verdediging ingebrachte rapportages: deskundigen [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2]

Voorafgaand aan de zitting van 15 oktober 2024 heeft de verdediging twee rapportages van kinderartsen, beiden voormalig neonatoloog, te weten dr. [naam deskundige 1] en dr. [naam deskundige 2] , in het geding gebracht. Zij laten zich uit over de vraag of het mogelijk is dat de letsels zijn ontstaan door een andere oorzaak dan een krachtsinwerking. Zij komen beiden tot de conclusie dat de letsels waaraan [naam zoon] is overleden verklaard kunnen worden door een medische oorzaak. Beide artsen hebben onder meer gebruik gemaakt van de door de verdediging in hoger beroep ingebrachte anamnese van 17 november 2023 door voormalig huisarts [naam 8] .

[naam deskundige 1] concludeert in haar rapportage van 9 oktober 2024 dat de combinatie van medische feiten veel waarschijnlijker is bij een medische oorzaak, dan bij een niet-accidentele (zeer) forse krachtsinwerking. Er zijn redenen om te denken aan een ante-/perinataal ontstane subdurale bloeding (voor, tijdens of na de geboorte). Voor de geboorte kan een mogelijk vitamine K tekort bij moeder geleid hebben tot een vitamine K tekort bij [naam zoon] , dat kan hebben geleid tot stollingsstoornissen en een intracraniële bloeding. Daarbij wordt in de literatuur beschreven dat bij ongeveer de helft van de asymptomatische pasgeborenen een subdurale bloeding voorkomt. Alle risicofactoren voor het ontstaan van een dergelijke bloeding waren in het geval van [naam zoon] aanwezig. Meestal geneest een dergelijke subdurale bloeding restloos, maar in sommige gevallen ontstaat een chronische subdurale bloeding. Tijdens het leven van [naam zoon] waren er ook klinische aanwijzingen voor een dergelijke subdurale bloeding (geleidelijke vergroting van zijn hoofd, een abnormaal verhoogd bilirubinegehalte, spugen, gebalde vuistjes, kreunen en heftig achterwaarts overstrekken). Er bestaat een reële kans dat al dan niet spontaan een rebleed (herbloeding) is opgetreden. Door die rebleed is een verhoging van de intracraniële druk (hersendruk) opgetreden die gepaard gaat met netvliesbloedingen en een acute neurologische verslechtering met ernstige hersenschade. Of proteïne C deficiëntie een rol heeft gespeeld is niet met zekerheid te zeggen en ook werd een stollingsstoornis niet met 100% zekerheid uitgesloten. De fracturen kunnen verklaard worden door de moeizame bevalling gecombineerd met een vitamine D tekort.

Verder heeft [naam deskundige 1] onder meer de volgende opmerkingen gemaakt over de rapportage van [naam 5] . Verhoogde D-dimeren (een afbraakproduct van stolsels) zeggen niets over de oorzaak van bloeduitstortingen en zijn niet bewijzend voor toegebracht hersenletsel. Het is onwaarschijnlijk dat de nek geen letsels toont als er sprake zou zijn geweest van forse krachtsinwerking/shaken baby syndroom. Een opmerking over de status van de brugvenen ontbreekt. Kansberekeningen en waarschijnlijkheden mogen nooit in de plaats komen van een differentiaaldiagnose. Een recente publicatie laat zien dat een verdenking toegebracht letsel gebaseerd op de hypothese dat het schudden van een jong kind kan leiden tot trauma aan het hoofd geen enkele wetenschappelijke onderbouwing heeft.

[naam deskundige 2] heeft een rapportage geschreven gedateerd 10 oktober 2024 in reactie op het rapport van [naam 5] . Naar inschatting van [naam deskundige 2] is de kans dat de combinatie van letsels waaraan [naam zoon] is overleden een medische oorzaak heeft vele malen groter dan de kans dat deze een niet-accidentele oorzaak heeft. Hij beschrijft dat er veel andere oorzaken zijn voor kneuzingshaarden in de hersenen en netvliesbloedingen. Een stuwing van bloed als gevolg van een obstructie in de kleine vaten naar aanleiding van proteïne C deficiëntie is niet uitgesloten. [naam zoon] was drager van een DNA-variant van proteïne C. Uit de literatuur blijkt dat bij een pasgeborene als gevolg van het abnormale DNA heftige bloedingen op kunnen treden. Verder zijn verhoogde D-dimeren geen bewijs voor een multitrauma, maar een teken van een ontregelde stolling. Een dergelijke ontregeling van de stolling is bij jonge kinderen beschreven. Ook slikte moeder fraxiparine. Onbekend is of dat middel via de placenta het ongeboren kind bereikt. Fraxiparine kan als bijwerking bloedingen veroorzaken. Net als [naam deskundige 1] verklaart [naam deskundige 2] het subduraal hematoom door een rebleed van een bij de geboorte ontstane subdurale bloeding of door een gebrek aan vitamine K. Netvliesbloedingen zijn ook volgens [naam deskundige 2] een gevolg van verhoogde druk in de hersenen. De fracturen kunnen worden verklaard door botontkalking door een gebrek aan calcium en vitamine D. Ook is niet uit te sluiten dat gebruik van fraxiperine tijdens de zwangerschap leidt tot botontkalking.

Toelichting van de deskundigen ter zitting van het hof

Op de zitting van het hof van 20 maart 2026 zijn deskundigen [naam 5] , [naam 4] , [naam 7] , [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] in elkaars aanwezigheid gehoord. De forensisch deskundigen zijn in die hoedanigheid gehoord. [naam deskundige 1] is gehoord in de hoedanigheid van kinderarts neonatoloog en [naam deskundige 2] in de hoedanigheid van kinderarts. De forensisch deskundigen hebben de beschikking gekregen over de rapportages van de kinderartsen en de anamnese van [naam 8] en op de zitting gereageerd op de door [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] beschreven mogelijke oorzaken van de letsels van [naam zoon] . [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] hadden al de beschikking over de andere rapportages alvorens zij rapporteerden.

Ten aanzien van het subduraal hematoom is door [naam deskundige 1] allereerst verduidelijkt dat een gebrek aan vitamine K bij de moeder het risico op een subduraal hematoom bij de geboorte vergroot.

[naam 4] beargumenteert daarop dat een rebleed van een subdurale bloeding is uitgesloten. Hij legt uit dat normaliter als een bloeduitstorting ontstaat, deze spontaan kan verdwijnen of dat er een neomembraan kan ontstaan. Dat is een membraan rondom de bloeding. Een rebleed is een hernieuwde bloeding die uitgaat van die neomembraan. Daarin zitten kleine bloedvaatjes: die hebben een dunne wand, zijn fragiel en kunnen opnieuw gaan bloeden. Een dergelijke bloeding treedt op binnen het neomembraan en gaat daar niet buiten. Zulke bloedingen geven een lage druk en leiden niet of hoogstens minimaal tot klinische verschijnselen. [naam 4] benoemt dat in het geval van [naam zoon] geen neomembraan is vastgesteld. Er zijn geen gevolgen gezien van een oudere bloeduitstorting, alles was nieuw. Daarbij was er ook uitgebreide schade in de hersenen. Bij de kneuzingshaarden is een datering gedaan en ook die duidt op recent ontstaan letsel. Het letsel hangt dus niet samen met de geboorte. De bloeding is afkomstig van scheuring van de ankervenen/brugvenen. Onderzoek naar de ankervenen/brugvenen is niet goed mogelijk, daarvoor zijn er teveel en zijn ze te veel verspreid. Het bloed moet echter ergens vandaan komen en dat kan in dit geval niet anders dan afkomstig zijn van scheuring van ankervenen/brugvenen.

[naam 5] benadrukt dat het subdurale hematoom bij [naam zoon] niet de doodsoorzaak is. Al zouden er alternatieve verklaringen kunnen worden gevonden voor het ontstaan van de bloeding, wat in dit geval niet zo is wegens het ontbreken van oudere componenten, dan nog verklaart dat niet het overlijden van [naam zoon] .

Over de mogelijkheid van bloedingen als gevolg van een proteïne C deficiëntie vertelt [naam 4] dat het door [naam deskundige 2] in zijn rapportage aangehaalde artikel ging over een andere vorm van proteïne C deficiëntie: het betrof daar een evidente volledige proteïne C deficiëntie, terwijl [naam zoon] alleen drager was. Wat je bij een volledige deficiëntie ziet is dat stolling ontstaat, ook in de huid. Op een gegeven moment zijn de stollingsfactoren op en ontstaan bloedingen. Dan zouden verspreid door het lichaam en in de huid stolsels kunnen worden verwacht. Bij [naam zoon] is uitgebreid lichtmicroscopisch onderzoek verricht en er zijn geen stolsels aangetroffen. De hoge waarde van D-dimeren kan worden verklaard door de bloedophoping.

[naam 5] licht vervolgens toe dat kinderen die geen vitamine K toegediend hebben gekregen en borstvoeding krijgen, zich kunnen presenteren met bloedingen in het hoofd. Een vitamine K tekort dat zo ernstig is dat er bloedingen ontstaan leidt tot verlengde stollingstijden. In het geval van [naam zoon] waren de stollingstijden niet verlengd. Daarbij is hem volgens de informatie van het ziekenhuis waar [naam zoon] geboren werd, na de geboorte vitamine K toegediend en kreeg hij bovendien kunstvoeding. Er is geen reden om aan te nemen dat de bloedingen het gevolg waren van een vitamine K tekort. [naam 5] is bovendien geen enkele casus bekend van zulke ernstige bloedingen als bij [naam zoon] , bij kinderen die wel vitamine K hebben gehad. Ook past dat aldus [naam 5] niet bij de vele andere letsels die bij [naam zoon] zijn waargenomen.

Gevraagd naar de theorie van [naam deskundige 2] over het ontstaan van kneuzingshaarden, te weten stuwing van bloed als gevolg van een obstructie in de kleine vaten, antwoordt [naam 4] dat in dit geval traumatische beschadigingen van de bloedvaten zijn aangetoond. Omdat er sprake is van traumatische schade spreekt men van kneuzingshaarden. Anders wordt gesproken over bloedingen. [naam 7] en [naam 5] sluiten zich ter terechtzitting hierbij aan.

[naam 5] is gevraagd naar de mogelijkheid dat de netvliesbloedingen zijn ontstaan door een verhoogde hersendruk. [naam 5] licht toe dat er consensus bestaat dat een verhoogde hersendruk niet leidt tot uitgebreide netvliesbloedingen. Er zijn aanwijzingen dat van netvliesbloedingen bij een plots verhoogde hersendruk sprake kan zijn. In dat geval zou er slechts een beperkte hoeveelheid netvliesbloedingen zijn, centraal achterin. Dat kan echter alleen zo zijn wanneer de intredeplaats van de oogzenuw gezwollen is; de plek waar de bloedvaten binnenkomen. Alleen dan kan een verhoogde hersendruk worden gerelateerd aan enkele netvliesbloedingen. Op basis van de uitgebreidheid van de netvliesbloedingen en omdat de intredeplaats van de oogzenuw bij [naam zoon] niet gezwollen was, kan een verhoogde hersendruk dus niet de oorzaak zijn van de netvliesbloedingen bij [naam zoon] . Er is een uitgebreide lijst van mogelijke medische verklaringen voor netvliesbloedingen, echter geven vrijwel alle medische verklaringen hooguit een beperkt aantal netvliesbloedingen centraal. Wanneer ze uitgebreider worden, meerlaags tot in de periferie, dan wordt krachtsinwerking als mogelijke oorzaak steeds groter.

[naam deskundige 2] is voorgehouden dat uit het Farmacotherapeutisch Kompas en informatie van Lareb blijkt dat fraxiparine de placenta niet passeert en dat bloedingen als genoemde bijwerking van dat middel maternale bloedingen betreffen; bloedingen bij moeder tijdens de bevalling en niet bij het (ongeboren) kind. Hij reageert dat hij in zijn rapportage met bloedingen als bijwerking inderdaad maternale bloedingen heeft bedoeld. Er is geen bewijs dat fraxiparinegebruik bij moeder ook kan leiden tot bloedingen bij het kind. Misschien heeft hij dat in zijn rapportage dan niet goed geconcludeerd, aldus [naam deskundige 2] . Hij legt uit dat de placenta een slechte filter is. Er is geen studie die aantoont dat fraxiparine de placenta passeert. Zijn klinische ervaring is echter dat bijna alle geneesmiddelen van moeder naar kind overgaan. Ook ten aanzien van de botbreuken kan hij dus niet uitsluiten dat fraxiparine net zo werkt als de moederstof heparine en dus botontkalking kan geven bij het kind bij gebruik tijdens de zwangerschap.

[naam 4] heeft daarop gereageerd dat uit het handboek farmacologie van Goodman and Gilman blijkt dat fraxiparine de placenta niet passeert en daarom wordt voorgeschreven tijdens zwangerschappen, terwijl dan wordt aanbevolen enige tijd voor de bevalling te stoppen wegens risico op bloedingen bij de moeder.

Over de mogelijkheid dat de fracturen kunnen zijn ontstaan door een vitamine D tekort dan wel een calciumgebrek heeft [naam 4] uitgelegd dat er ten tijde van het overlijden van [naam zoon] radiologisch en lichtmicroscopisch gekeken is naar de botstructuur. Er waren geen afwijkingen zichtbaar en geen stoornissen in mineralisatie. Het klopt dat calciumafzetting daar ook bij hoort.

[naam deskundige 1] reageert daarop door te stellen dat het vitamine D gehalte ten tijde van de obductie alweer genormaliseerd was en dat je dan niets meer kan zien aan de botten. Dan had moeten worden gekeken op het moment dat de breuken zijn ontstaan en dat is de geboorte, aldus [naam deskundige 1] . [naam 4] zegt dat hij niet weet wat de concentratie van vitamine D tijdens de geboorte is geweest, maar dat een eventueel vitamine D tekort geen invloed heeft op het genezingsproces. Op basis van de verschillende dateringen van de breuken is de geboorte dan nog steeds uitgesloten als oorzaak van de fracturen.

[naam 4] heeft verder toegelicht dat er in de nek van [naam zoon] wel degelijk letsel is aangetroffen, anders dan [naam deskundige 1] heeft gesteld. Er zaten bloedingen in de nek en ter hoogte van de onderrug. Het bloed is zowel subduraal als epiduraal aangetroffen, dus onder het harde hersenvlies en daarboven. Bloed onder het harde hersenvlies, subduraal bloed, kan uitzakken en kan zichtbaar zijn in de lage rug, maar niet in de hals. Daarbij geldt een dergelijke uitzakking alleen voor subduraal bloed, terwijl er ook sprake was van epiduraal bloed. Dat geeft aan dat er lokaal trauma is geweest.

Op de stelling van zowel [naam deskundige 1] als [naam deskundige 2] dat in zijn algemeenheid niet bewezen is dat schudden kan leiden tot bloedingen antwoordt [naam 5] dat er inderdaad vanwege ethische bezwaren geen studies bestaan die in een gecontroleerde setting kinderen schudden om te bestuderen wat het gevolg is, maar dat er veel studies zijn die op verschillende manieren de vaststelling van toegebracht letsel gebruikt hebben, in gevallen waarbij helder is wat er is gebeurd door de beschikbaarheid van videobeelden of bekentenissen. Het antwoord op de vraag of schudden kan leiden tot een subduraal hematoom is een duidelijk “ja”. [naam 5] zegt geen enkel opiniestuk of statement te kennen waarin dat wordt ontkend. De discussie is andersom: kun je door de aanwezigheid van een subduraal hematoom vaststellen dat er is geschud. Het antwoord op die vraag is “nee", aldus [naam 5] .

Tussenconclusies hof over de toedracht van het letsel

Het hof komt tot de volgende tussenconclusies. De door [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] genoemde alternatieve verklaringen voor het bij [naam zoon] waargenomen letsel zijn op de zitting van het hof op essentiële onderdelen met argumenten weerlegd door de forensisch deskundigen. Op die weerlegging is geen weerwoord gekomen waaruit zou kunnen volgen dat er toch een reële mogelijkheid bestaat dat het letsel bij [naam zoon] een medische oorzaak heeft. Daarbij is een aantal van de bij [naam zoon] vastgestelde letsels door [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] in het geheel niet verklaard. Zij hebben zich beiden vooral toegelegd op het verklaren van de afzonderlijke letsels van het subduraal hematoom, de netvliesbloedingen en de hersenschade en dragen alternatieve verklaringen aan voor de fracturen. Voor de waargenomen traumatische beschadigingen is echter door hen geen alternatieve verklaring aangedragen.

Het hof maakt daarbij nog de volgende kanttekening. Zowel [naam deskundige 1] als [naam deskundige 2] hebben onder meer gebruik gemaakt van de door de verdediging in hoger beroep ingebrachte anamnese van 17 november 2023 door voormalig huisarts [naam 8] . Hierin is informatie opgenomen over [naam zoon] afkomstig van verdachte. [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] kennen betekenis toe aan het beschreven gedrag van [naam zoon] in hun rapportages. Het is het hof opgevallen dat het gedrag dat verdachte beschrijft, niet in lijn is met wat anderen, die [naam zoon] van dichtbij hebben meegemaakt, over [naam zoon] hebben verklaard, althans niet in de mate zoals in de anamnese van [naam 8] is beschreven. Zo heeft bijvoorbeeld [benadeelde] bij de raadsheer-commissaris desgevraagd verklaard dat zij het meermalen krampachtig overstrekken en het kreunen met gebalde vuistjes niet herkende.

Het hof overweegt verder dat de theorie van de forensisch deskundigen, te weten dat letsel zoals bij [naam zoon] is vastgesteld, kan ontstaan door een krachtsinwerking zoals schudden en/of impact, als algemeen geaccepteerd heeft te gelden binnen de forensische gemeenschap. [naam 7] heeft dit nader onderbouwd door aan zijn rapportage van 21 mei 2024 het artikel Consensus statement on abusive head trauma in infants and young children van Choudhary e.a., gepubliceerd op 23 mei 2018 toe te voegen. Ter zitting van het hof heeft [naam 7] onder verwijzing naar een zeer recente publicatie toegelicht dat ook heden sprake is van diezelfde consensus. Desgevraagd op de zitting van het hof 20 maart 2026 heeft [naam deskundige 1] overigens ook gezegd te beseffen dat zij met haar visie - kort gezegd - tegen de stroom in roeit. Het hof wijst er voorts op dat, zoals de forensisch deskundigen ook hebben benadrukt, naast de zogenaamde triade (subduraal hematoom, netvliesbloedingen en hersenschade door zuurstofgebrek) bij [naam zoon] veel meer letsel is vastgesteld. Het is in die zin onjuist om te stellen dat het gegeven dat bij [naam zoon] (enkel) de triade is vastgesteld heeft geleid tot de conclusies waartoe de forensisch deskundigen zijn gekomen.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de door [naam deskundige 1] en [naam deskundige 2] aangedragen medische verklaringen voor de (afzonderlijke) letsels van [naam zoon] niet aannemelijk zijn gebleken. Daarbij zijn andere mogelijke medische oorzaken blijkens het dossier reeds eerder in differentiaaldiagnose uitgesloten. Evenmin is bij toxicologisch onderzoek gebleken van een mogelijk toxicologische oorzaak van het overlijden van [naam zoon] . Het hof komt daarmee tot de conclusie dat de rapportages van de forensisch deskundigen over de toedracht van het letsel van [naam zoon] als uitgangspunt te gelden hebben. Het hof gaat bij zijn oordeel derhalve af op hetgeen is beschreven in de in dit arrest weergegeven rapportages van deskundigen. Naar de door het hof gebruikte rapportages wordt telkens verwezen in de in dit arrest opgenomen noten. Het hof acht hun bevindingen navolgbaar en hun conclusies zijn onderbouwd. Deze deskundigen ondersteunen elkaar bovendien in hun bevindingen en conclusies.

Niet ter discussie staat dat [naam zoon] is overleden aan ernstig hersenletsel, met kneuzingshaarden, bloedingen, hersenzwelling en schade door zuurstoftekort. Volgens deskundigen [naam 4] , [naam 7] en [naam 6] is het hersenletsel waaraan [naam zoon] is overleden te verklaren door een forse krachtsinwerking. Deskundige [naam 5] beargumenteert middels de Bayesiaanse methode dat dit hersenletsel zeer veel waarschijnlijker is bij een forse krachtsinwerking dan bij een medische aandoening. Deze term uit de gebezigde waarschijnlijkheidsterminologie heeft een bewijskracht van 10.000 tot 1.000.000. Dat betekent dat er (beperkte) ruimte lijkt te bestaan voor een medische oorzaak. Een medische oorzaak voor het fatale letsel is echter niet aannemelijk geworden. Het hof komt dus tot de tussenconclusie dat het bij [naam zoon] geconstateerde letsel is veroorzaakt door een krachtsinwerking na de geboorte, accidenteel dan wel niet-accidenteel, die bovendien significant is geweest.

Vervolgens moet het hof de vraag beantwoorden of sprake is geweest van een accidentele of een niet-accidentele krachtsinwerking. Bij een accidentele krachtsinwerking gaat het om hoogenergetisch trauma zoals een zwaar verkeersongeval of een val van grote hoogte. Simpele huis-, tuin- en keukenongevallen zijn alleszins onvoldoende om het letselbeeld te verklaren. Voor een dergelijk ernstig ongeval bestaan in deze zaak geen aanknopingspunten. Dat brengt het hof tot de conclusie dat het fatale hersenletsel [naam zoon] is toegebracht. Gelet op de verklaringen van de forensisch deskundigen is het letsel toegebracht door een dynamische krachtsinwerking (schudtrauma) al dan niet in combinatie met een of meerdere stomp botsende krachtsinwerking(en). Dat er uitwendig geen (dan wel weinig) letsel is waargenomen sluit de mogelijkheid van impact niet uit.

Datering van het hersen- en oogletsel

Uit neuropathologisch onderzoek bleek dat de traumatische kneuzingen met bloedingen in de linker- en rechterhersenhelft en het subduraal hematoom enkele uren oud worden geschat. Op de zitting van de rechtbank heeft [naam 4] verklaard dat hij zich aansluit bij dat wat de neuropathologische onderzoekers hierover hebben geconcludeerd. Op de vraag of hij de tijdsindicatie kon preciseren, heeft [naam 4] aangegeven dat zijn inschatting is dat dit letsel minder dan een dag oud was.

[naam 5] beschrijft in zijn rapportage over de bloedingen in de netvliezen van beide ogen dat er geen aanwezigheid van ijzer als afbraakproduct van rode bloedcellen werd vastgesteld. De afwezigheid van ijzer als afbraakproduct van rode bloedcellen wijst op een ouderdom van de netvliesbloedingen van maximaal enkele dagen. Op de zitting van de rechtbank heeft [naam 4] toegelicht dat de netvliesbloedingen zijn ontstaan ten tijde van het ontstaan van het hersenletsel. [naam 5] sluit zich op de zitting van de rechtbank bij die conclusie aan.

Op de vraag wanneer symptomen van de letsels waarneembaar moeten zijn geweest antwoorden de forensisch deskundigen gelijkluidend.

In het rapport van [naam 4] is weergegeven dat bekend is dat kinderen na oplopen van dergelijk ernstig hersenletsel, dat uiteindelijk fataal is geworden, niet meer ‘normaal’ gefunctioneerd hebben. In een aanvullende toelichting heeft hij gesteld dat het direct ontstaan van klinische symptomen na een gewelddadige handeling bij toegebracht hersenletsel zeer aannemelijk is.

[naam 5] heeft in zijn rapport genoemd dat bij [naam zoon] sprake was van een acute klinische noodsituatie met bewustzijnsvermindering en ademhalingsproblemen. [naam 5] heeft geconcludeerd dat juist voorafgaande aan het ontstaan van de klinische verschijnselen sprake moet zijn geweest van (een) forse krachtsinwerking(en) op het hoofd. Bij een dergelijke acute klinische noodsituatie en bij een nadien geconstateerd zeer ernstig hersenletsel met hersenweefsel versterf, is de krachtsinwerking zo fors geweest dat het na de krachtsinwerking niet mogelijk zal zijn geweest om normaal te functioneren. In een e-mail van [naam 5] die zich in het dossier bevindt waarin hij zijn eerder gestuurde voorlopige rapport toelicht, legt [naam 5] uit dat hij bedoelt dat de verschijnselen direct aansluitend aan de krachtsinwerking zijn opgetreden: dus binnen seconden. Op de zitting van de rechtbank heeft [naam 5] nogmaals verduidelijkt dat direct na de krachtsinwerking normaal functioneren niet meer mogelijk zal zijn.

[naam 6] heeft in zijn rapport genoemd dat er doorgaans een veranderende mate van bewustzijn is na toebrenging van hersenletsels waarbij bewusteloosheid optreedt, zoals de beschreven toestand van [naam zoon] toen de ambulance aankwam. De symptomen treden doorgaans onmiddellijk na het ontstaan van de hersenletsels op. Daarnaast merkt [naam 6] op dat er geen moment van helderheid zal zijn geweest, gezien de schade aan de hersenen en het gegeven dat uit pathologisch onderzoek blijkt dat de letsels recent zijn. Op de zitting van de rechtbank heeft [naam 6] hieraan toegevoegd dat symptomen bijvoorbeeld een lager bewustzijnsniveau, het stoppen met ademen of niet goed ademen en spasmen zijn. [naam 6] heeft verklaard geen gevallen in de literatuur te kennen waarbij na het ontstaan van dergelijk letsel de geschetste symptomen niet onmiddellijk intreden.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen op dit onderdeel over en stelt vast dat het hersen- en oogletsel gelijktijdig is ontstaan, dat deze letsels zeer recent, maximaal een dag voor het overlijden van [naam zoon] zijn ontstaan en dat onmiddellijk na de krachtsinwerking als gevolg waarvan de letsels zijn ontstaan sprake moet zijn geweest van een klinische noodsituatie bij [naam zoon] .

Daderschap

Verdachte en [benadeelde] hebben beiden verklaringen afgelegd over hoe de avond van 30 november 2020 is verlopen. Verdachte heeft verklaard dat [benadeelde] en hij thuis waren op de bewuste avond. [benadeelde] is tegen 22.40 of 22.45 naar boven gegaan. Ze hebben [naam zoon] in de box gelegd. [naam zoon] was toen om zich heen aan het kijken en was beweeglijk. Er was niets met hem aan de hand. In het verhoor van 23 maart 2021 verklaart hij dat [benadeelde] om 22.45 of 22.50 naar bed ging. Ze is niet meer beneden geweest en appte hem dat ze ongesteld was geworden.

[benadeelde] heeft in haar eerste verhoor verklaard dat ze rond 22.15 uur naar bed ging. Zij had [naam zoon] om 22.00 gevoed en overgedragen aan verdachte. Verdachte deed altijd de laatste fles van [naam zoon] , dat was nu ook zo. [naam zoon] was toen in orde. In haar tweede verhoor verklaart [benadeelde] dat ze rond 22.45 naar bed ging. Uit onderzoek aan de telefoons van verdachte en [benadeelde] blijkt dat [benadeelde] verdachte om 22.40 een bericht heeft gestuurd dat zij ongesteld is geworden.

[benadeelde] verklaart in haar eerste verhoor dat ze al wat sliep toen daarna verdachte naar boven kwam en zei dat [naam zoon] niet meer bewoog. Verdachte heeft verder verklaard dat hij halverwege de trap omhoog, zo’n 2 á 4 treden, [benadeelde] heeft geroepen met “ [naam zoon] is er niet meer.” Hierop is [benadeelde] uit bed gevlogen, gelijk de trap af naar [naam zoon] die op de bank lag, helemaal slap. Ze zag dat hij slap was en geen kleur meer had. [benadeelde] verklaart dat ze toen gelijk [naam zoon] zijn kleertjes heeft uitgetrokken en dat ze hem nog tweemaal op de mond had geblazen. De kleren lagen door het huis verspreid. Ondertussen had ze ook nog de hond achter opgesloten en had ze verdachte bevolen gelijk 112 te bellen, waarop verdachte dit deed.

Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat [naam zoon] in één keer weg was. Hij heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [naam zoon] helemaal slap werd, niet meer reageerde op prikkels, vertrekkingen in zijn gezicht vertoonde, in ademnood verkeerde en wit en blauw werd. Toen [benadeelde] beneden kwam zei ze dat hij direct 112 moest bellen.

Om 23.20 heeft verdachte 112 gebeld. Om 23.29 komt de politie ter plaatse. De ambulance is dan al gearriveerd en [naam zoon] wordt gereanimeerd.

Op basis van bovenstaande stelt het hof vast dat verdachte in ieder geval vanaf 22.40 tot vlak voor het 112-gesprek alleen was met [naam zoon] . [benadeelde] ging rond 22.40 naar bed. Op dat moment was er met [naam zoon] niets aan de hand: hij functioneerde normaal. Het letsel van [naam zoon] moet hem dus in ieder geval na 22.40 uur zijn toegebracht. Dat het letsel ook eerder op de dag kan zijn toegebracht, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is niet mogelijk. De deskundigen hebben immers verklaard dat de klinische noodtoestand van [naam zoon] direct na de krachtsinwerking moet zijn ingetreden, terwijl [naam zoon] , toen [benadeelde] naar bed ging, nog in orde was. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat [naam zoon] toen beweeglijk was en om zich heen keek.

Scenario verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat het ook mogelijk is dat [benadeelde] het uiteindelijke letsel heeft toegebracht. [naam zoon] kan door een andere oorzaak onwel zijn geworden en zijn weggevallen, zoals verdachte consequent heeft verklaard. Ondersteunend aan zijn verklaring dat hij [naam zoon] heeft gevoed en [naam zoon] toen wegviel is dat er daadwerkelijk melk in de keel van [naam zoon] is aangetroffen. [benadeelde] heeft tegen de verloskundige gezegd dat zij [naam zoon] uit reflex door elkaar heeft geschud. Verdachte heeft dit niet gezien, maar hij heeft niet de hele tijd zicht gehad op [benadeelde] : hij is naar de voorkamer gegaan om 112 te bellen en is ook naar buiten gegaan om de hulpverleners op te vangen. Daarbij liep [benadeelde] van de trap naar de bank om [naam zoon] te pakken en ging naar de bijkeuken om de hond weg te doen.

Overwegingen hof

Het hof stelt vast dat zowel verdachte als [benadeelde] hebben verklaard dat [benadeelde] verdachte gelijk de opdracht gaf 112 te bellen, terwijl zij zelf naar [naam zoon] ging. Verdachte verklaart dat [benadeelde] [naam zoon] oppakte en al lopend begon uit te kleden, terwijl ze de hond snel in de bijkeuken opsloot. De kleren lagen overal, ook op het aanrecht. Verdachte belde intussen 112. Hij verklaart dat hij niet constant zicht op haar had. [benadeelde] verklaart zoals bovenomschreven dat ze [naam zoon] heeft opgepakt, al lopend de hond in de schuur heeft gedaan en [naam zoon] heeft uitgekleed. De kleren lagen door het huis verspreid. Ze heeft nog tweemaal op hem geblazen en toen had verdachte de meldkamer aan de lijn. Uit de letterlijke uitwerking van het 112-gesprek blijkt vervolgens dat verdachte direct zegt dat [naam zoon] helemaal weg is en dat [benadeelde] na een aantal door verdachte uitgewisselde zinnen, derhalve bijna aan het begin van het gesprek op de achtergrond al hoorbaar is en meeluistert. Verdachte heeft de meldkamer toen op speaker gezet, waarop [benadeelde] op aanwijzing van de meldkamer met reanimeren begint en vervolgens met een hartmassage. Terwijl verdachte de hulpdiensten buiten opvangt, volgt [benadeelde] de instructies van de meldkamer op tot de hulpdiensten het van haar overnemen.

[benadeelde] zou de volgende dag in een telefoongesprek tegen de verloskundige hebben gezegd dat zij [naam zoon] ‘uit reflex door elkaar heeft geschud.’ [benadeelde] heeft evenwel altijd ontkend dat zij [naam zoon] met kracht door elkaar heeft geschud of dat zij op een andere manier fors geweld heeft uitgeoefend op [naam zoon] . Bij de rechter-commissaris heeft zij verduidelijkt dat zij [naam zoon] heeft opgepakt van de bank toen zij hem daar levenloos zag liggen, dat zij hem op haar arm heeft genomen en heen en weer heeft bewogen. Zij heeft verklaard dat zij als verpleegkundige heeft geleerd dat je iemand bij reanimatie licht moet ‘aanschudden’ en dat dit is wat zij mogelijk tegen de verloskundige heeft gezegd. De verloskundige heeft tegenover de rechter-commissaris bevestigd dat zij niet meer weet wat [benadeelde] letterlijk gezegd heeft, dat het zou kunnen dat zij het over ‘licht aanschudden’ heeft gehad en dat dit inderdaad is wat je in de opleiding krijgt aangeleerd als je iemand aantreft die niet reageert.

Uit het rapport van [naam 5] volgt dat het toebrengen van dergelijk ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact dusdanig heftig is, dat getuigen de handeling direct als gevaarlijk zouden kwalificeren. Enigszins wild of ruw omgaan met kinderen valt duidelijk buiten deze mate van heftigheid. [naam 5] beschrijft dat wordt aangenomen dat een aanmerkelijke kracht (door een puber of volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) is vereist ingeval schudden (zonder impact) de oorzaak is van ernstig hersenletsel. Op de zitting van het hof van 20 maart 2026 heeft [naam 5] toegelicht dat het een extreme krachtsinwerking moet zijn die buitenstaanders onmiddellijk als levensgevaarlijk zouden herkennen. [naam 7] heeft zich daarbij aangesloten en aangevuld dat licht aanschudden terwijl [naam zoon] al onwel was, volstrekt niet te vergelijken is met de kracht die nodig is om dit letsel bij [naam zoon] te veroorzaken.

Het hof overweegt dat het weliswaar mogelijk is dat verdachte [benadeelde] op momenten uit het oog is verloren: allereerst kort toen zij de hond opsloot en vervolgens toen verdachte naar buiten ging om de hulpdiensten op vangen. Het is het naar het oordeel van het hof echter in het geheel niet aannemelijk dat [benadeelde] [naam zoon] gewelddadig door elkaar heeft geschud op het moment dat verdachte de hulpdiensten opving, omdat [benadeelde] toen op exacte instructie van de meldkamer [naam zoon] reanimeerde en hem een hartmassage gaf, hetgeen voor de meldkamer gezien de letterlijke uitwerking van het 112-gesprek, hoorbaar is geweest. [benadeelde] moet dan dus in de tijd dat zij [naam zoon] van de bank pakte totdat zij het 112-gesprek overnam [naam zoon] het letsel hebben toegebracht. Dat moment kan echter maar enkele seconden hebben geduurd, omdat zij aan het begin van het 112-gesprek het gesprek al van verdachte over heeft genomen terwijl zij verdachte gelijk bij het beneden komen zei 112 te bellen. In die tijd heeft ze al lopend [naam zoon] uitgekleed: beide verklaren dat de kleertjes door de woning verspreid lagen. Daarbij heeft zij, voordat ze het gesprek overnam, ook de hond opgesloten. Het door elkaar schudden van [naam zoon] op de wijze zoals [naam 5] die beschrijft past niet in de luttele tijd die [benadeelde] uit het zicht van verdachte is geweest, omdat ze toen ook de hond wegbracht en [naam zoon] uitkleedde. Daarbij heeft [benadeelde] in die korte tijd dus niet continu beide handen beschikbaar gehad, terwijl het niet aannemelijk is dat de kracht waarmee het dodelijk letsel moet zijn toegebracht kan worden bereikt terwijl [benadeelde] [naam zoon] op één arm vast had. Het hof acht het verder onwaarschijnlijk dat [benadeelde] in de zeer korte tijd dat verdachte haar uit het oog kan hebben verloren, uit angst dat haar kind komt te overlijden vervolgens [naam zoon] zelf met dusdanig veel geweld door elkaar schudt dat hij juist als gevolg daarvan komt te overlijden.

Tot slot acht het hof het ook niet aannemelijk dat [naam zoon] zich voordat [benadeelde] naar beneden kwam nog niet in een klinische noodtoestand bevond. Het beeld dat verdachte schetst over de toestand van [naam zoon] toen hij besloot [benadeelde] te roepen, past bij de verschijnselen die de deskundigen omschrijven als de symptomen van een klinische noodsituatie die seconden na het toebrengen van hersenletsel waarneembaar zullen zijn. De deskundigen beschrijven een lager bewustzijnsniveau, het stoppen met ademen of niet goed ademen en spasmen. [benadeelde] , die is opgeleid tot verpleegkundige, treft [naam zoon] aan in een situatie die zij gelijk herkent als dusdanig gevaarlijk dat zij verdachte de opdracht geeft onmiddellijk 112 te bellen. Bij aankomst van de ambulance, hooguit enkele minuten later, is de klinische noodsituatie en reanimatiebehoeftigheid van [naam zoon] bevestigd. Een mogelijk alternatief scenario waarin [benadeelde] [naam zoon] krachtig heeft geschud met het geconstateerde ernstige hersenletsel tot gevolg, zoals door de verdediging is gesuggereerd, is - los van het gegeven dat [benadeelde] dit heeft ontkend - naar het oordeel van het hof op grond van het bovenstaande niet aannemelijk geworden.

Het hof stelt op basis van al het bovenstaande vast dat het toebrengen van het dodelijk letsel heeft plaatsgevonden tussen het moment waarop [benadeelde] naar bed ging, rond 22.40 uur, en het moment waarop verdachte naar boven is gerend om aan [benadeelde] te vertellen dat er iets met [naam zoon] was: vlak voor het 112-gesprek om 23.20 uur. Dat verdachte [naam zoon] in die tijd mogelijk ook nog heeft gevoed maakt dit niet anders. Net als de rechtbank, komt het hof dus tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die [naam zoon] het fatale letsel heeft toegebracht.

Opzet

Het hof moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [naam zoon] .

Er is niet vast komen te staan dat verdachte de bedoeling had om [naam zoon] van het leven te beroven. Vol opzet op de dood kan daarom niet worden bewezen. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van [naam zoon] , is aanwezig als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging die aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen, omdat niet vast kan komen te staan of er sprake is geweest van schudden en/of van impact. Als het mechanisme niet kan worden vastgesteld, kan niet vastgesteld worden hoe het letsel is ontstaan en of er een aanmerkelijke kans op de dood was die bewust is aanvaard. Daarbij zijn er volgens de raadsvrouw contra-indicaties voor het daderschap van verdachte; [naam zoon] was een rustige baby, verdachte was niet agressief en er was een stabiele gezinssituatie.

Het hof overweegt dat onduidelijk is gebleven welke handelingen verdachte precies heeft verricht. De bij [naam zoon] geconstateerde letsels en de conclusies van de deskundigen wijzen op krachtig schudden dan wel het uitoefenen van stomp botsend geweld, dan wel een combinatie van beide, waarbij aldus de bovenomschreven conclusies van verschillende deskundigen sprake moet zijn geweest van een forse krachtinwerking.

Deze handelingen kunnen volgens de deskundigen leiden tot de dood van een baby, zoals hier ook is gebeurd. Hiervoor is reeds overwogen dat de deskundige [naam 5] heeft aangegeven, dat voor het veroorzaken van ernstig hersenletsel - waarvan in onderhavige zaak sprake is - een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) voor het schudden vereist is. Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd) is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren, aldus [naam 5] . Mede gelet hierop is het hof van oordeel dat de krachtige en daarmee gewelddadige handelingen die verdachte moet hebben verricht naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Dat het niet duidelijk is geworden welke handelingen verdachte precies heeft verricht maakt dat niet anders. Van relevante contra-indicaties zoals hier bedoeld is het hof verder niet gebleken. Het hof acht het voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [naam zoon] , en daarmee het primair ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primairhij in de periode van 30 november 2020 tot en met 1 december 2020 te [plaats] zijn zoon, [naam zoon] , geboren op 9 oktober 2020, opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval zeer heftig uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [naam zoon] met kracht vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden,

In elk geval samendrukkend en/of anderszins zeer heftig geweld op het hoofd en/of het lichaam van [naam zoon] uit te oefenen;

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het primair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden op te leggen, met aftrek van het voorarrest, en verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, in de vorm van een contactverbod voor vijf jaren met [benadeelde] , met een vervangende hechtenis van 7 dagen per overtreding en met een maximum van 6 maanden.

De raadsvrouw heeft bepleit de straf van verdachte te matigen, gelet op vergelijkbare zaken en het feit dat het in detentie niet goed met hem gaat.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van [naam zoon] , zijn zeven weken oude zoontje, door hem met kracht te schudden en/of door impact op zijn hoofd uit te oefenen. Door dit geweld heeft [naam zoon] ernstig hersenletsel opgelopen, waaraan hij uiteindelijk de volgende dag is overleden. Het doden van iemand is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Dit recht heeft verdachte zijn zoontje ontnomen. Een kindje van de leeftijd van [naam zoon] is volledig weerloos en afhankelijk van de zorg van zijn ouders. Als vader had verdachte [naam zoon] zorg, geborgenheid en bescherming moeten bieden. Verdachte heeft op ernstige wijze zijn ouderlijke plicht geschonden.

Verdachte heeft de moeder van [naam zoon] en andere naasten onherstelbaar verdriet toegebracht. Verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn handelen. De naasten van [naam zoon] zijn tot op de dag van vandaag in onzekerheid gebleven over wat [naam zoon] in de laatste momenten van zijn korte leven mee heeft moeten maken. Tegelijkertijd ziet het hof ook dat verdachte veel verdriet heeft en moet leven met de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor het overlijden van zijn zoontje.

Het hof heeft gelet op verdachtes strafblad, gedateerd 18 februari 2026. Uit dit uittreksel blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van enig strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat dit feit alleen een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt.

Het hof komt tot een bewezenverklaring terwijl verdachte het feit heeft ontkend. Dit leidt - hoe dan ook - tot de situatie dat verdachte geen inzicht heeft gegeven in de beweegredenen van zijn handelen. Het geven van inzicht - hoe moeilijk ook - en tot inkeer komen kan voor een rechter een reden voor clementie zijn. In dit geval is die situatie niet bereikt.

Het hof moet anderzijds ook constateren dat in hoger beroep de redelijke termijn als opgenomen in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 20 januari 2023, de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 24 april 2026 zijn 3 jaar en ruim 3 maanden verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 1 jaar en 11 maanden.

Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft aanvullend onderzoek plaatsgehad. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van het hof wel enige, maar onvoldoende rechtvaardiging voor de volledige de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering. Om die reden komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd en dan door de advocaat-generaal is geëist.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar passend en geboden is en zal het hof verdachte die straf opleggen. Het hof heeft hierbij 4 maanden minder gevangenisstraf opgelegd dan wanneer de redelijke termijn niet overschreden zou zijn. Het voorarrest zal hierop in mindering worden gebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Het hof zal aan verdachte geen contactverbod opleggen met [benadeelde] in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel, omdat aan de wettelijke voorwaarden daarvan niet is voldaan. Niet kan worden vastgesteld dat dit ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten aangewezen is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

, de moeder van [naam zoon] , heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. In eerste aanleg werd een bedrag van € 55.958,44 gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 55.825,40. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeelt in de door de benadeelde partij gemaakte en nog te maken kosten, die tot de dag van de uitspraak van de rechtbank zijn begroot op € 51,54.

Op de zitting van het hof heeft de benadeelde partij aangegeven dat het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen in hoger beroep wordt gehandhaafd. Het hof moet dus een beslissing nemen over de vordering voor zover die door de rechtbank is toegewezen.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten.

Materiële schade (€ 825,40), bestaande uit:

Reiskosten sessies psychiater: € 55,40

Eigen risico 2021 en 2022: € 770,00

Immateriële schade (€ 55.000), bestaande uit:

Affectieschade: € 20.000

Shockschade: € 35.000

Proceskosten (€ 51,54), bestaande uit:

Reiskosten zittingen: € 33,94

Parkeerkosten zittingen: € 17,60

Standpunten partijen

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering geheel kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft de hoogte van de gevorderde shockschade betwist. De stukken met betrekking tot de behandeling en therapie dateren van de zaak in eerste aanleg. Er zijn nadere stukken nodig om vast te kunnen stellen hoe groot de schade is. Het dossier is er niet duidelijk over of [naam zoon] in de armen van [benadeelde] stief. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot vergoeding van shockschade te matigen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De gevorderde materiële schade en affectieschade zijn voldoende vast komen te staan en heeft verdachte niet betwist. Verdachte moet die schade vergoeden. Die posten worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade stelt het hof het volgende voorop. Iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – kan ook onrechtmatig handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt.

Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld, is

afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij onder meer

een rol spelen zijn:

i) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;

ii) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige

daad en de gevolgen daarvan; en

iii) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.

Verder is van belang dat het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die

volgt uit door de onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor vergoeding van

shockschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon

is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn

als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De emotionele schok moet

hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in

voldoende mate objectiveerbaar. Hierbij wordt opgemerkt dat een eventuele vordering tot

schadevergoeding kan worden toegewezen indien de rechtbank op grond van een rapportage

van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een

ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat er sprake is van dergelijk geestelijk letsel, waarbij het niet noodzakelijk is dat in die

rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de

omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij

het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden

gehouden met de vergoeding wegens affectieschade (vgl. Hoge Raad van 28 juni 2022,

ECLI:NL:HR:2022:958).

De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlage daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade onderbouwd. Uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat de benadeelde direct is geconfronteerd met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. Het hof stelt daartoe het volgende vast.

Op 30 november 2020 is de benadeelde partij gewekt door haar toenmalige partner, verdachte, die haar vertelde dat hun 7 weken oude zoontje [naam zoon] niet meer reageerde. Hierop zijn ambulance en politie ter plaatse gekomen. Voordat de hulpdiensten arriveerden heeft de benadeelde partij [naam zoon] op instructie van de meldkamer gereanimeerd en een hartmassage gegeven. De hulpdiensten nemen de reanimatie van haar over. Er waren wel 15 mensen in hun huis bezig met [naam zoon] , de benadeelde partij zag het allemaal gebeuren. In het [naam ziekenhuis] blijkt dat zijn hoofdje vol bloed zit. De volgende dag hoort ze dat de behandeling zal worden gestaakt en dat [naam zoon] zal komen te overlijden. [naam zoon] lag bij de benadeelde partij op de borst toen de slangetjes eruit gingen. Hij begon vreselijk te gieren, een geluid waar ze heel erg van is geschrokken. Toen kwam hij te overlijden. De benadeelde partij heeft [naam zoon] nog ongeveer 2 uur op haar borst gehouden. Nadat het lichaam van [naam zoon] terugkomt van het mortuarium heeft ze [naam zoon] gewassen en ziet ze dat zijn lichaam overal is opengesneden. Dit alles is voor de benadeelde zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een psychiater. De benadeelde partij heeft flashbacks en herbelevingen. Ze ondergaat hiervoor trauma-behandelingen. De psychiater verklaart dat psychotherapie hoogstwaarschijnlijk jaren nodig zal zijn.

Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande sprake van grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade. Dat de stukken van de psychiater dateren uit 2021 maakt dat niet anders. Het hof zal de vordering integraal toewijzen en ziet geen reden de vordering te matigen, zoals verzocht door de verdediging.

Conclusie

Het hof komt dus tot de conclusie dat de gehele vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Net als de rechtbank, zal het hof verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De gevorderde reis- en parkeerkosten zullen daarbij worden toegewezen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 55.825,40 (vijfenvijftigduizend achthonderdvijfentwintig euro en veertig cent) bestaande uit € 825,40 (achthonderdvijfentwintig euro en veertig cent) materiële schade en € 55.000,00 (vijfenvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

51,54 (eenenvijftig euro en vierenvijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 55.825,40 (vijfenvijftigduizend achthonderdvijfentwintig euro en veertig cent) bestaande uit € 825,40 (achthonderdvijfentwintig euro en veertig cent) materiële schade en € 55.000,00 (vijfenvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 244 (tweehonderdvierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 december 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J. Dolfing en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffiers mr. D. de Jong en S. de Wit, MSc, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?