ECLI:NL:GHARL:2026:2510

ECLI:NL:GHARL:2026:2510

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 21-002507-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Inhoudsindicatie: Veroordeling medeplegen oplichting en (gekwalificeerde) diefstallen. Tien vorderingen benadeelde partij. Het hof is onder deze uitzonderlijke omstandigheden bereid om verdachte een laatste kans te geven wat betreft de op te leggen straf.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 2 april 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.H. van der Grinten, hebben aangevoerd. Voorts is namens meerdere benadeelde partijen het woord gevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor drie strafbare feiten, te weten:

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel zijn meerdere bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten slotte is beslist op het beslag.

Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewijsoverweging en strafoplegging komt en doet daarom opnieuw recht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, te weten de oplichting van [slachtoffer 6] (zaak 6). Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraak.

Het hof leest het onder 1 tenlastegelegde zo dat de daar omschreven delicten moeten worden begrepen als afzonderlijke cumulatief tenlastegelegde feitelijk omschreven oplichtingen in de tenlastegelegde periode. Het hof is daarom van oordeel dat de partiële vrijspraak van de oplichting van [slachtoffer 6] (zaak 6) als beschermde vrijspraak moet worden beschouwd. Gelet op artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat tegen die vrijspraak is gericht. Dat betekent dat de oplichting van [slachtoffer 6] in hoger beroep niet meer aan de orde is.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024

te [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:

- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of

- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of

- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of

- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of

- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of

- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of

- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of

- [slachtoffer 12] (zaak 12) en/of

- [slachtoffer 13] (zaak 13) en/of

- [slachtoffer 14] (zaak 14) en/of

- [slachtoffer 15] (zaak 15) en/of

- [slachtoffer 16] (zaak 16)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,

te weten de afgifte van één of meerdere bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of sieraden en/of zilveren service stukken en/of zilveren vorkjes en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed door:

(telkens) die [slachtoffer 1] , die [slachtoffer 2] , die [slachtoffer 3] , die [slachtoffer 4] , die [slachtoffer 5] , die [slachtoffer 7] , die [slachtoffer 8] , die [slachtoffer 12] , die [slachtoffer 13] , die [slachtoffer 14] , die [slachtoffer 15] en/of die [slachtoffer 16] :

- telefonisch te benaderen en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker/ medewerker van de fraudehelpdesk en/of

- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op zijn/haar/hun bankrekening(en) en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van zijn/haar/hun bankrekening(en) af te halen/schrijven en/of dat niet verzekerd kan worden dat de bankpas na een bepaalde datum nog werkzaam is en/of dat er bij een inbraak een briefje is gevonden met (het) adres(sen) van slachtoffer(s) en/of dat er een cyber aanval aankomt en/of

- te vragen of er sieraden en/of (een) geldbedrag(en) in de woning aanwezig zijn en/of aan te geven dat men in de woning(en) wilt kijken om te zien wat eraan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn en/of

- te zeggen dat er een bankmedewerker langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) op te halen en/of

- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of

- te vragen om zijn/haar/hun bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) af te geven en/of

- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode(s) bij een pinautomaat geld te pinnen;

2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024

te [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 10.500,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan

- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of

- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of

- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of

- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of

- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of

- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of

- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of

- [slachtoffer 12] (zaak 12) en/of

- [slachtoffer 13] (zaak 13) en/of

- [slachtoffer 14] (zaak 14) en/of

- [slachtoffer 15] (zaak 15) en/of

- [slachtoffer 16] (zaak 16)

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 10.500,- euro) te pinnen;

3. primairhij op of omstreeks 7 augustus 2024 te [plaats ] één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten delen aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigen;

3. subsidiairhij op of omstreeks 8 augustus 2024 te [plaats ] één of meerdere sieraden, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. De rol van verdachte bestond uit het aan de deur gaan bij de slachtoffers en het pinnen van geld, waarbij alleen dat laatste in de tenlastelegging is opgenomen. Deze tenlastegelegde handeling is van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een wezenlijke/materiële bijdrage aan dit feit zoals vereist voor medeplegen. Daarbij komt dat de oplichtingen al waren voltooid op het moment dat verdachte met de uit oplichting verkregen bankpassen pinde.

De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof.

Standpunt van de advocaat-generaal

Volgens de advocaat-generaal kan het vonnis van de rechtbank worden bevestigd. Er kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt.

Medeplegen

De betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

In het onderhavige geval is sprake van zogenoemde ‘bankhelpdeskfraude’ waarbij de slachtoffers – veelal oudere mensen – telefonisch werden benaderd door iemand die zich voordeed als een bankmedewerker. Deze zogenaamde bankmedewerker gaf bijvoorbeeld aan dat er frauduleuze handelingen waren gepleegd of geprobeerd te plegen met de bankrekeningen van de slachtoffers en/of dat grote bedragen van die bankrekeningen waren afgeschreven. Vervolgens werd aan de slachtoffers gezegd dat er iemand van de bank langs zou komen om bankpassen en/of geldbedragen en/of sieraden op te halen.

De rol van verdachte bij de oplichting hield in dat hij zich in/bij de woningen van de slachtoffers voordeed als bankmedewerker en daar goederen, bankpassen, pincodes en/of sieraden ophaalde.

Het plegen van een dergelijke oplichting vergt een gezamenlijke planmatige aanpak, intensieve en nauwe samenwerking en duidelijke afstemming tussen de verschillende daders. Zij verrichten namelijk handelingen die tegelijkertijd of kort na elkaar plaatsvinden en die moeten worden afgestemd om de bankhelpdeskfraude tot een geslaagd einde te kunnen brengen.

De oplichtingshandelingen die zijn opgesomd in de tenlastelegging zien met name op het telefoongesprek dat de slachtoffers telkens hebben gevoerd met een onbekend gebleven persoon en op wat hen in dit telefoongesprek is uitgelegd, gezegd en/of verzocht. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de oplichting door vervolgens daadwerkelijk aan de deur van de woningen van de slachtoffers te komen, zich voor te doen als bankmedewerker, naar de in het telefoongesprek benoemde goederen te vragen en deze op te halen, in de woning te zoeken naar goederen en/of de goederen mee te nemen.

Het hof acht het uiterst ongelukkig dat juist deze handelingen van verdachte niet als zodanig in de tenlastelegging staan. Desondanks zijn de handelingen van verdachte wel onderdeel van de oplichtingshandelingen zoals die wel in de tenlastelegging staan opgenomen, waarbij het hof nadrukkelijk wijst op het gedachtestreepje dat ziet op het zeggen dat een bankmedewerker langs zou komen om de slachtoffers te helpen en hun betaalpassen en/of sieraden en/of geldbedragen op te halen. Verdachte heeft met zijn handelen direct uitvoering gegeven aan wat de onbekend gebleven persoon aan de telefoon heeft gezegd tegen de slachtoffers. Uit de verklaring van verdachte blijkt bovendien dat hij wetenschap had van voornoemde handelswijze en wist dat het ging om bankpassen, sieraden en/of geld dat/die hij bij de slachtoffers moest ophalen. Dit is hem telefonisch door een onbekend gebleven persoon, die hij soms nog tijdens het ophalen van de goederen aan de lijn had, verteld.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s) is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is daarbij van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Pinnen

Het als laatste in de tenlastelegging onder 1 opgenomen gedachtestreepje dat ziet op het met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincodes(s) bij een pinautomaat geld pinnen, merkt het hof niet aan als een oplichtingshandeling of een andere feitelijkheid relevant voor het onder 1 tenlastegelegde. Het pinnen is immers geen onderdeel van de oplichting zelf, maar een – door die oplichting mogelijk gemaakt – gevolg daarvan. Het hof zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024

te [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels:

- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of

- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of

- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of

- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of

- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of

- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of

- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of

- [slachtoffer 12] (zaak 12) en/of

- [slachtoffer 13] (zaak 13) en/of

- [slachtoffer 14] (zaak 14) en/of

- [slachtoffer 15] (zaak 15) en/of

- [slachtoffer 16] (zaak 16)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, en/of het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,

te weten de afgifte van één of meerdere bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of sieraden en/of zilveren servies stukken en/of zilveren vorkjes en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed door:

(telkens) die [slachtoffer 1] , die [slachtoffer 2] , die [slachtoffer 3] , die [slachtoffer 4] , die [slachtoffer 5] , die [slachtoffer 7] , die [slachtoffer 8] , die [slachtoffer 12] , die [slachtoffer 13] , die [slachtoffer 14] , die [slachtoffer 15] en/of die [slachtoffer 16] :

- telefonisch te benaderen en/of (daarbij) zich (telkens) voor te doen als bankmedewerker/ medewerker van de fraudehelpdesk en/of

- aan te geven dat er frauduleuze handelingen zijn gepleegd op zijn/haar/hun bankrekening(en) en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van zijn/haar/hun bankrekening(en) af te halen/schrijven en/of dat niet verzekerd kan worden dat de bankpas na een bepaalde datum nog werkzaam is en/of dat er bij een inbraak een briefje is gevonden met (het) adres(sen) van slachtoffer(s) en/of dat er een cyber-aanval aankomt en/of

- te vragen of er sieraden en/of (een) geldbedrag(en) in de woning aanwezig zijn en/of aan te geven dat men in de woning(en) wilt kijken om te zien wat eraan geldbedrag(en) en/of sieraden aanwezig zijn en/of

- te zeggen dat er een bankmedewerker langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun betaalpassen en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) op te halen en/of

- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of

- te vragen om zijn/haar/hun bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes in een (gesloten) envelop aan te (laten) bieden en/of sieraden en/of (een) geldbedrag(en) af te geven en/of

- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode(s) bij een pinautomaat geld te pinnen;

2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024

te [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) een of meerdere geldbedragen (totaal ongeveer 10.500,- euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

- [slachtoffer 1] (zaak 1) en/of

- [slachtoffer 2] (zaak 2) en/of

- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of

- [slachtoffer 4] (zaak 4) en/of

- [slachtoffer 5] (zaak 5) en/of

- [slachtoffer 7] (zaak 7) en/of

- [slachtoffer 8] (zaak 8) en/of

- [slachtoffer 12] (zaak 12) en/of

- [slachtoffer 13] (zaak 13) en/of

- [slachtoffer 14] (zaak 14) en/of

- [slachtoffer 15] (zaak 15) en/of

- [slachtoffer 16] (zaak 16)

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om dat/die zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met één of meer bankpas(sen) (met bijbehorende pincode) tot het gebruik waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), niet gerechtigd was/waren, uit/bij één of meer betaal- en/of geldautoma(a)t(en) één of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 10.500,- euro) te pinnen;

3. primairhij op of omstreeks 7 augustus 2024 te [plaats ] één of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, en dus overgaat tot oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit ten hoogste een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest (50 dagen) met een lang voorwaardelijk deel, in combinatie met een taakstraf. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te worden verbonden, met toevoeging van begeleiding van een jeugdcoach.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zogenoemde bankhelpdeskfraude. Verdachte en zijn mededaders hebben telefonisch contact gezocht met verschillende slachtoffers. Aan de slachtoffers werd telkens voorgehouden dat de bank had ontdekt dat er mogelijk fraude werd gepleegd met de bankrekening van het slachtoffer en aan hen werd een helpende hand geboden. Verdachte en zijn mededaders hebben op die manier het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Zij hebben verschillende slachtoffers ertoe aangezet om hun bankpassen en bijbehorende pincodes, en in sommige gevallen sieraden en/of zilveren servies af te geven. Met de verkregen bankpassen en pincodes werden vervolgens hoge geldbedragen gepind. Tegen de tijd dat de slachtoffers merkten dat er iets niet in orde was, waren het geld, de weggenomen goederen en de daders verdwenen.

Verdachte heeft hiermee samen met anderen op doortrapte en slinkse wijze geld en goederen afhandig gemaakt van meerdere kwetsbare slachtoffers op hoge leeftijd. Verdachte en zijn mededaders waren kennelijk maar uit op één ding: snel en makkelijk veel geld verdienen, waarbij op geen enkele wijze oog is geweest voor de kwetsbaarheid en de belangen van de slachtoffers. Door hun geraffineerde wijze van oplichting en diefstal hebben verdachte en zijn mededaders niet alleen waardevolle goederen en geld van de slachtoffers afgenomen, maar hebben zij ook het vertrouwen dat de slachtoffers hadden in de medemens geschaad. Uit de aangiftes en de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij – voor zover zij nog in leven zijn – ook nu nog de gevolgen van die daden ondervinden.

Met name gelet op de ernst van de feiten en de hoeveelheid slachtoffers is een langdurige (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd in eerste aanleg zonder meer gerechtvaardigd en begrijpelijk. Desondanks ziet het hof aanleiding om een andere (combinatie van) straf(fen) aan verdachte op te leggen.

Verdachte, die niet eerder veroordeeld is voor strafbare feiten, is jong. Hij is één dag voor de aanvang van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode achttien jaar geworden. Ter zitting heeft het hof waargenomen dat deze zaak en de zitting voor verdachte belastend waren en zijn geweest. Verdachte leek op verschillende momenten tijdens de zitting dicht te klappen. Een korte pauze leek hier geen verschil in teweeg te brengen. Het hof weegt dit mee bij de afweging van welke straf passend en geboden is.

Ter zitting heeft verdachte uitgelegd dat hij zijn opleiding nog niet heeft kunnen afronden, omdat hij enige tijd geen geschikte stageplek heeft kunnen vinden. Inmiddels is hij begonnen op een nieuwe stageplek en is hij wederom bezig met de afronding van zijn opleiding. Verdachte heeft de wens geuit verder te willen studeren en voorts aangegeven zich te oriënteren op een vervolgopleiding.

Verdachte heeft sinds zijn schorsing op 29 oktober 2024 intensief contact met de reclassering, die erg positief is over verdachte en het contact met verdachte wensen te behouden. Verdachte zelf merkt ook op dat hij het contact met de reclassering waardeert.

De reclassering schrijft in haar rapport van 16 april 2025 dat het risico op herhaling laag-gemiddeld wordt geschat, omdat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis zich coöperatief en gemotiveerd heeft ingezet. Ook heeft hij maatschappelijk verantwoorde keuzes gemaakt door zijn opleiding te hervatten, werk te zoeken en is hij afspraakgetrouw gebleken richting de reclassering. De reclassering adviseert een voorwaardelijke veroordeling met reclasseringstoezicht. Verdachte heeft de opgelegde gedragsinterventie (CoVa) positief afgerond en hij volgt onderwijs. Een gevangenisstraf zal het positieve ingezette traject met aangeleerde vaardigheden doorkruisen, wat mogelijk een negatief effect zal hebben op de ontwikkeling van verdachte en juist een recidiveverhogende uitwerking zou kunnen hebben.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het positieve traject en het toekomstperspectief van verdachte doorkruisen. De positieve ontwikkelingen bij verdachte zijn nog pril, maar een gevangenisstraf zou negatieve gevolgen voor deze ontwikkelingen hebben en bovendien recidiveverhogend kunnen uitpakken. Verdachte, noch de betrokkenen en de maatschappij lijken onder de huidige omstandigheden gebaat bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds vast heeft gezeten voor deze zaak. Verdachte zal de schade aan de slachtoffers moeten vergoeden en het hof gaat er van uit dat verdachte zich tot het uiterste zal inzetten om deze schade ook te vergoeden. Dit wordt vergemakkelijkt als verdachte de ingezette positieve lijn kan voortzetten en – met het afronden van zijn opleiding – zijn kans op een (betaalde) baan vergroot.

Het hof ziet dat het traject van verdachte met vallen en opstaan gaat en vermoedelijk ook nog zal gaan. Desondanks probeert verdachte op zijn eigen manier een juiste draai aan zijn leven te geven. Alles afwegende is het hof onder deze uitzonderlijke omstandigheden bereid om verdachte een laatste kans te geven.

Om die reden zal het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht (vijftig dagen). De ernst van het feit zal het hof benadrukken door daarnaast een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, nu verdachte en de maatschappij met name gebaat zijn bij voortzetting van het hulpverleningstraject, en door de maximale onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Concluderend zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 410 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een taakstraf van 240 uren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het meewerken aan schuldhulpverlening. Voor het opleggen van deze laatste geadviseerde voorwaarde ziet het hof geen reden. Op verzoek van de verdediging zal ook de bijzondere voorwaarde van begeleiding door een jeugdcoach aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen telefoon verbeurd wordt verklaard. De raadsvrouw heeft bepleit de telefoon (of een vergoeding als deze al is vernietigd) terug te geven aan verdachte.

Oordeel van het hof

Het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde is begaan en voorbereid met behulp van de inbeslaggenomen telefoon (PL0600-2024330093-G3288022, grijs, merk: Apple). Deze behoort verdachte toe. Deze wordt daarom verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.353,- ingediend, bestaande uit € 6.728,- aan materiële schade en (na verhoging ter terechtzitting in eerste aanleg) € 1.000,- aan immateriële schade, dus een totaalbedrag van € 7.728,-. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de gevorderde materiële schade, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert.

De gevorderde immateriële schade kan tot een bedrag van € 625,- worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt het hof redelijk voor. De verdediging heeft niet nader onderbouwd waarom aan de taxatiewaarde van de sieraden moet worden getwijfeld. Het hof zal de materiële schade tot een bedrag van € 6.728,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Immateriële schade (smartengeld)

De benadeelde partij heeft – voor zover hier van toepassing – volgens artikel 6:106 BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdsgroep en is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn niet enkel geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen, maar ook sieraden met emotionele waarde. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Afsluitend

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 7.353,-, bestaande uit € 6.728,- aan materiële schade en € 625,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 10 juli 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van (de nabestaanden van) de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.195,- ingediend, bestaande uit € 2.695,- aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag deels toegewezen, te weten tot een bedrag van € 3.500,-, bestaande uit € 2.500,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft voorgaand bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de omvang van de vordering waarover in hoger beroep dient te worden geoordeeld overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de oorspronkelijke vordering bij leven ingediend. Nadien is de benadeelde komen te overlijden. De nabestaanden van de benadeelde hebben zich in hoger beroep opnieuw willen voegen voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het strafgeding voorziet echter niet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dit betekent dat als de voeging in eerste aanleg heeft plaatsgehad, zij dan, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, op grond van artikel 421 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering van rechtswege voortduurt in hoger beroep (ECLI:NL:HR:2025:498 en ECLI:NL:HR:2024:439). Het hof heeft aldus te oordelen over het deel van de vordering dat is toegewezen door de rechtbank.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de gevorderde materiële schade, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert.

De gevorderde immateriële schade kan tot een bedrag van € 625,- worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof redelijk voor. Uit het dossier blijkt niet dat de benadeelde partij een vergoeding van de bank heeft ontvangen voor het gepinde geld. Het hof zal de materiële schade tot het bedrag van € 2.500,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Immateriële schade (smartengeld)

Het hof heeft bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] reeds algemene beschouwingen gewijd aan de wijze waarop vorderingen ter zake smartengeld dienen te worden beoordeeld. De vordering ter zake smartengeld van (de nabestaanden van) de benadeelde partij [slachtoffer 3] zal hierna langs de lijn van diezelfde algemene overwegingen en gezichtspunten worden beoordeeld.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdsgroep is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn niet enkel geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen, maar ook sieraden met emotionele waarde. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Afsluitend

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 3.125,-, bestaande uit € 2.500,- aan materiële schade en € 625,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 17 juli 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 11.850,- ingediend, bestaande uit € 11.225,- aan materiële schade en (na verhoging ter terechtzitting in eerste aanleg) € 1.000,- aan immateriële schade, dus een totaalbedrag van € 12.225,-. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de gevorderde materiële schade, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert.

De gevorderde immateriële schade kan tot een bedrag van € 625,- worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt het hof redelijk voor. De verdediging heeft niet nader onderbouwd waarom aan de taxatiewaarde van de sieraden moet worden getwijfeld. Het hof zal de materiële schade tot een bedrag van € 11.225,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Immateriële schade (smartengeld)

Het hof heeft bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] reeds algemene beschouwingen gewijd aan de wijze waarop vorderingen ter zake smartengeld dienen te worden beoordeeld. De vordering ter zake smartengeld van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal hierna langs de lijn van diezelfde algemene overwegingen en gezichtspunten worden beoordeeld.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdscategorie en is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn niet enkel geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen, maar ook sieraden met emotionele waarde. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Afsluitend

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 11.850,-, bestaande uit € 11.225,- aan materiële schade en € 625,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 11 juli 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.200,- aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de gevorderde materiële schade, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert.

Oordeel van het hof

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt het hof redelijk voor. Uit het dossier blijkt niet dat de benadeelde partij een vergoeding van de bank heeft ontvangen voor het gepinde geld. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof wijst het gevorderde dus toe tot een bedrag van € 1.200,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 5 augustus 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft aanvankelijk een vordering tot schadevergoeding van € 2.200,- ingediend, bestaande uit € 200,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Ter zitting in eerste aanleg is de vordering verlaagd tot uitsluitend een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade (smartengeld). De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde schade enkel kan worden toegewezen voor het onder 2 tenlastegelegde, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair vindt de verdediging dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] reeds algemene beschouwingen gewijd aan de wijze waarop vorderingen ter zake smartengeld dienen te worden beoordeeld. De vordering ter zake smartengeld van de benadeelde partij [slachtoffer 4] zal hierna langs de lijn van diezelfde algemene overwegingen en gezichtspunten worden beoordeeld.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdsgroep en is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn niet enkel geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen, maar ook sieraden met emotionele waarde en zilveren vorkjes. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 625,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 2 juli 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.555,- ingediend, bestaande uit € 555,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag deels toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft voorgaand bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor wat betreft de gevorderde materiële schade, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert.

De gevorderde immateriële schade kan tot een bedrag van € 625,- worden toegewezen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

De waarde van de sieraden is door een juwelier getaxeerd op € 5.055,-, terwijl de schade-expert van de verzekering de waarde heeft vastgesteld op € 4.500,-. Bij deze stand van zaken is onvoldoende onderbouwd op welk bedrag de waarde van de weggenomen sieraden moet worden geschat. Een nader debat over de waarde van de sieraden zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Immateriële schade (smartengeld)

Het hof heeft bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] reeds algemene beschouwingen gewijd aan de wijze waarop vorderingen ter zake smartengeld dienen te worden beoordeeld. De vordering ter zake smartengeld van de benadeelde partij [slachtoffer 14] zal hierna langs de lijn van diezelfde algemene overwegingen en gezichtspunten worden beoordeeld.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdscategorie en is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn niet enkel geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen, maar ook sieraden met emotionele waarde. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Afsluitend

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 625,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 14 augustus 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade ingediend, bestaande uit € 2.000,- aan smartengeld en € 1.000,- aan affectieschade. De rechtbank heeft dit bedrag deels toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- aan smartengeld. De rechtbank heeft voorgaand bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de gevorderde schade enkel kan worden toegewezen voor het onder 2 tenlastegelegde, vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair stelt de verdediging dat de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 625,- kan worden toegewezen. De gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen conform de beslissing van de rechtbank.

Oordeel van het hof

Affectieschade

Het bewezenverklaarde feit heeft niet geleid tot ernstig en blijvend letsel in de zin van artikel 6:107 BW bij het slachtoffer. De vordering tot vergoeding van affectieschade wordt dan ook afgewezen. Het deel van de vordering dat wordt afgewezen, bedraagt € 1.000,-. Verdachte hoeft dat bedrag niet te betalen.

Smartengeld

Het hof heeft bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] reeds algemene beschouwingen gewijd aan de wijze waarop vorderingen ter zake smartengeld dienen te worden beoordeeld. De vordering ter zake smartengeld van de benadeelde partij [slachtoffer 8] zal hierna langs de lijn van diezelfde algemene overwegingen en gezichtspunten worden beoordeeld.

De benadeelde partij behoort tot een kwetsbare leeftijdscategorie en is bij en/of in de woning benaderd door verdachte. Er zijn geldbedragen en een pinpas (met bijbehorende pincode) aan verdachte afgegeven, ter beschikking gesteld of weggenomen. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat zij ernstige nadelige geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde is naar het oordeel van het hof in het onderhavige specifieke geval sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen het handelen van verdachte en de geleden schade. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

De immateriële schade is tot een bedrag van € 625,- niet betwist. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte toewijzen. Van het overige deel kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Afsluitend

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 625,- aan immateriële schade (smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 7 augustus 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [bank 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.740,- ingediend, bestaande uit € 2.500,- aan materiële schade en € 240,- aan proceskosten. De rechtbank heeft de opgevoerde proceskosten gelet op de omschrijving als ‘onderzoekskosten’ en de verdere onderbouwing beschouwd als kosten ter zake de vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96, tweede lid onder b, BW. De rechtbank heeft het bedrag van € 2.740,- als materiële schade hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Verder verzoekt de raadsvrouw geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de benadeelde partij een professionele partij is die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.

Oordeel van het hof

Ontvankelijkheid

Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de geldigheid van de machtiging aan de bankmedewerker van de [bank 1] nu het een algemene machtiging betreft om de bank te vertegenwoordigen die doorlopend geldig is. De benadeelde partij kan daarom in de vordering worden ontvangen.

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadeposten betreffende de schadeloosstellingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 16] zijn voldoende onderbouwd en komen het hof redelijk voor. Het hof zal de materiële schade tot een bedrag van € 2.500,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De benadeelde partij heeft daarnaast proceskosten gevorderd. Het hof beschouwt deze gevorderde proceskosten – in overeenstemming met de rechtbank – als materiële schade gelet op de omschrijving en de onderbouwing. Het hof acht het gevorderde bedrag echter onvoldoende onderbouwd. Een nader debat om vast te stellen welk bedrag aan onderzoekskosten redelijk zou zijn, zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 2.500,- aan materiële schade.

Wettelijke rente

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 2.000,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 16 (t.b.v. [slachtoffer 16] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 2 september 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 500,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 4 (t.b.v. [slachtoffer 4] en/of boedel van [slachtoffer 4] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 28 november 2024.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. De benadeelde partij heeft immers uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Vordering van de benadeelde partij [bank 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.480,- aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft bepleit dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege dient te blijven. De benadeelde partij is een professionele partij die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.

Oordeel van het hof

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadeposten betreffende de schadeloosstellingen van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] zijn voldoende onderbouwd en komen het hof redelijk voor. Het hof zal de materiële schade tot een bedrag van € 2.000,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De benadeelde partij heeft daarnaast onderzoekskosten gevorderd. Het hof acht het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd. Een nader debat om vast te stellen welk bedrag aan onderzoekskosten redelijk zou zijn, zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 2.000,- aan materiële schade.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 1.000,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 14 (t.b.v. [slachtoffer 14] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 15 augustus 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 1.000,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 13 (t.b.v. [slachtoffer 13] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 28 augustus 2024.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. De benadeelde partij heeft immers uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Vordering van de benadeelde partij [bank 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.630,- aan materiële schade ingediend, bestaande uit € 5.550,- aan schadeloosstellingen en € 1.080,- aan onderzoekskosten. De rechtbank heeft dit bedrag deels toegewezen tot een bedrag van € 4.910,-. De rechtbank heeft voorgaand bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis, en dus de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij, te bevestigen.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering conform het vonnis van de rechtbank kan worden toegewezen, maar dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege dient te blijven. De benadeelde partij is een professionele partij die in staat moet worden geacht om zelfstandig de vordering te innen.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De schadeposten betreffende de schadeloosstellingen van [slachtoffer 15] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 12] zijn voldoende onderbouwd en komen het hof redelijk voor. Het hof zal de materiële schade tot een bedrag van € 4.100,- toewijzen. Voor deze schade is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 6:96 BW naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Voorts heeft de benadeelde partij materiële schade gevorderd betreffende de schadeloosstellingen van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 11] . Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat deze gevorderde schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij heeft daarnaast onderzoekskosten gevorderd. Het hof acht het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd. Een nader debat om vast te stellen welk bedrag aan onderzoekskosten redelijk zou zijn, zou een onevenredige belasting van deze strafprocedure opleveren. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

Het hof wijst het gevorderde dus deels toe tot een bedrag van € 4.100,- aan materiële schade.

Wettelijke rente

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 500,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 12 (t.b.v. [slachtoffer 12] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 23 juli 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 250,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 2 (t.b.v. [slachtoffer 2] en/of ervan [slachtoffer 2] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 1 augustus 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 1.200,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 8 (t.b.v. [slachtoffer 8] en/of ervan [slachtoffer 8] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 22 augustus 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 700,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 15 (t.b.v. [slachtoffer 15] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 29 augustus 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 700,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 5 (t.b.v. [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 5] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 31 augustus 2024.

Verdachte is over het toegewezen bedrag van € 750,- ter zake van de schadeloosstelling in zaaksdossier 1 (t.b.v. [slachtoffer 1] ) wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de schade van de benadeelde partij is ontstaan, te weten de factuurdatum 26 september 2024.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:106, tweede lid, BW). Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. De wetgever heeft niet uitgesloten dat de schadevergoedingsmaatregel ook ten bate van rechtspersonen kan worden opgelegd. Voor die oplegging zijn in dit geval ook goede redenen. De benadeelde partij heeft immers uit coulance de schade van haar klanten overgenomen, maar zou door het achterwege laten van de schadevergoedingsmaatregel een incassorisico lopen. Bovendien, als die klanten hun schade zelf hadden gedragen en in deze procedure hadden gevorderd, was de schadevergoedingsmaatregel zonder twijfel opgelegd. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde voor zover dat ziet op [slachtoffer 6] (zaak 6).

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 410 (vierhonderdtien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 360 (driehonderdzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat verdachte:

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven

1 STK Telefoon (Omschrijving: PL0600-2024330093-G3288022, grijs, merk: Apple).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 12] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.353,- (zevenduizend driehonderddrieënvijftig euro) bestaande uit € 6.728,- (zesduizend zevenhonderdachtentwintig euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 12] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.353,- (zevenduizend driehonderddrieënvijftig euro) bestaande uit € 6.728,- (zesduizend zevenhonderdachtentwintig euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 juli 2024.

Vordering van (de nabestaanden van) de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van (de nabestaanden van) de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.125,- (drieduizend honderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd (de nabestaanden van) [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.125,- (drieduizend honderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.850,- (elfduizend achthonderdvijftig euro) bestaande uit € 11.225,- (elfduizend tweehonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.850,- (elfduizend achthonderdvijftig euro) bestaande uit € 11.225,- (elfduizend tweehonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 84 (vierentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.200,- (duizend tweehonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,- (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 augustus 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 14] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 14] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 augustus 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan affectieschade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 625,- (zeshonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 augustus 2024.

Vordering van de benadeelde partij [bank 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bank 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bank 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

Vordering van de benadeelde partij [bank 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bank 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bank 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,- (tweeduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

Vordering van de benadeelde partij [bank 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bank 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.100,- (vierduizend honderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bank 3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.100,- (vierduizend honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. S. Bek en mr. C.T. Tjauw-Foe, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,

en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.H. Koning
  • mr. S. Bek
  • mr. C.T. Tjauw-Foe

Griffier

  • mr. A.S. Janssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand