ECLI:NL:GHARL:2026:2514

ECLI:NL:GHARL:2026:2514

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 23/2875 en 23/2876
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bartels, clustergewijze afdoening, cluster Overig I (626 zaaknummers), poort A. Niet-ontvankelijkverklaring wegens het niet betalen van griffierecht. Beroep op betalingsonmacht (bobog) afgewezen, omdat niet de door het Hof gevraagde informatie is gegeven. Overschrijding van de redelijke termijn, minder dan twaalf maanden, en bagatelgrens van € 1.000 niet gehaald (ECLI:NL:HR:2024:854).

Uitspraak

RGERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 23/2875 en 23/2876

uitspraakdatum: 21 april 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 september 2023, nummers ARN 22/376 en 22/377, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld (hierna: de heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

Het namens belanghebbende ingediende hogerberoepschrift is op 30 oktober 2023 ontvangen ter griffie van het Hof.

Bij brief van 12 maart 2024, gericht aan het bij het Hof bekende adres van mr. D.A.N. Bartels MRE (hierna: de gemachtigde), heeft de griffier gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 548,00. In deze brief is meegedeeld dat het bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening en dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij aangetekende brief van 10 april 2024 gericht aan het bij het Hof bekende adres van de gemachtigde heeft de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 548,00. Ook in deze brief is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

De hiervoor bedoelde brieven zijn niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetekende brief van 10 april 2024 op 12 april 2024 is afgehaald bij een PostNL-punt en dat voor ontvangst is getekend.

Bij brief van 18 april 2024 heeft de gemachtigde een gestandaardiseerd beroep op betalingsonmacht gedaan. Gelet op eerdere ervaringen met dergelijke (ongefundeerde) beroepen van deze gemachtigde, heeft het Hof bij brief van 1 april 2022 aan de gemachtigde medegedeeld dat een beroep op betalingsonmacht voortaan niet in behandeling wordt genomen, tenzij het met gebruik van de bij die brief gevoegde formulier wordt gedaan of het beroep de daarin gevraagde informatie bevat, op basis waarvan het beroep inhoudelijk kan worden beoordeeld. De brief van 18 april 2024 is niet voorzien van een ingevuld formulier dat daartoe aan de gemachtigde is verstrekt. Evenmin is de in het formulier gevraagde informatie anderszins aangeleverd. Het Hof heeft het beroep op betalingsonmacht daarom niet in behandeling genomen.

Het griffierecht is niet betaald (ook niet voor een deel).

De onderhavige hoger beroepen zijn gaan behoren tot een cluster van zaken. Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen waarin de gemachtigde voor verschillende belanghebbenden optreedt, met verschillende heffingsambtenaren als wederpartij en die zijn ingekomen vóór 1 september 2025. Op 3 december 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij brief van 19 december 2025 bevestigd. Daarbij is ook het proces-verbaal van de regiezitting meegezonden.

Het Hof heeft als bijlage bij de brief van 19 december 2025 een overzicht verstrekt van zaken (A) waarin een verzuim is geconstateerd in de voorfase van het hoger beroep. De onderhavige zaken staan op dat overzicht. De gemachtigde is daarbij een termijn gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren.

Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft de gemachtigde gereageerd bij berichten van 21 januari 2026, 14:34 en 15:00 uur. Het Hof heeft andere berichten, die buiten de gegeven termijn zijn ingekomen, buiten beschouwing gelaten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026 via beeldverbinding. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.

Het Hof heeft het onderzoek heropend vanwege een technische storing aan de zijde van de gemachtigde bij de zitting van 28 januari 2026. De tweede zitting heeft op 4 maart 2026 te Arnhem plaatsgevonden. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar wederom niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.

2. Beoordeling door het Hof

Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de bankrekening die is vermeld in de brief van de griffier.

Gemachtigde heeft desgevraagd niet concreet aangegeven dat, en zo ja, in hoeverre, het door het Hof verstrekte overzichtsbestand onjuistheden bevat. Gemachtigde heeft in zijn reacties, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij de informatie op de griffierechtnota's onjuist vindt. Dit betoog is reeds eerder door het Hof beoordeeld en kan niet leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een (onverschoonbaar) verzuim. Voor zover de gemachtigde betwist dat hij in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen dan wel de ontvangst van de aangetekend verzonden herinnering van de griffierechtnota betwist, missen die betwistingen feitelijke grondslag (zie 1.4).

De conclusie is dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Dit betekent dat het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het Hof laat daarbij de vertegenwoordigingsbevoegdheid in hoger beroep van de gemachtigde uitdrukkelijk in het midden.

Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt twee jaar. Dat betekent dat in deze procedure de redelijke termijn is overschreden met minder dan twaalf maanden. Als compensatie voor deze overschrijding volstaat het Hof met de constatering ervan, nu het Hof niet aannemelijk gemaakt acht dat het financiële belang bij de procedure in hoger beroep € 1.000 of meer bedraagt.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

3. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

De griffier, De voorzitter,

(A. Tax) (J.M.W. van de Sande)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand