GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.415
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 16/26/110 F
arrest van 28 april 2026
in de zaak van:
Human Diagnostics Group B.V.
die is gevestigd in Baarn
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: HDG
advocaat: mr. M.H. Janssen (sinds 20 april 2026, tot 16 april 2026: mr. S.C. Dunweg) en mr. J.M. de Vries
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. R.H.G. Evers
1. De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van 10 maart 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) HDG in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. [de curator] tot curator (hierna: de curator).
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Bij op 17 maart 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft HDG hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 10 maart 2026. HDG verzoekt dat vonnis te vernietigen.
Het hof heeft kennisgenomen van:
het beroepschrift met bijlagen;
de brief namens HDG van mr. Dunweg van 13 april 2026 met bijlagen;
de brief van de curator van 14 april 2026 met bijlagen;
het e-mailbericht van mr. Evers van 15 april 2026 met producties;
de brief van mr. Janssen van 20 april 2026 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Hierbij zijn verschenen:
namens HDG de heer [persoon1] en mevrouw [persoon2] , bijgestaan door mr. Janssen en mr. De Vries;
[geïntimeerde] , bijgestaan door mr. Evers; en
de curator.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten en het oordeel van de rechtbank
HDG is een houdstermaatschappij en houdt zich (via haar dochtervennootschappen U-Diagnostics B.V., HealthCheckCenters B.V. en Hessels & Grob B.V.) voornamelijk bezig met het (doen) uitvoeren van laboratoriumonderzoek ten behoeve van de gezondheidszorg, met inbegrip van de reguliere patiëntenzorg. HDG wordt bestuurd door Moor Beheer B.V., die op haar beurt, via haar enig aandeelhouder en bestuurder Hocrea Beheer B.V., gezamenlijk wordt bestuurd door de heer [persoon1] en mevrouw [persoon2] . De heer [persoon1] en [geïntimeerde] hebben beiden in het bestuur gezeten van Stichting Huisartsenlaboratorium UD. U-Diagnostics B.V. en Stichting Huisartsenlaboratorium UD zijn op respectievelijk 3 maart 2025 en 3 februari 2026 failliet verklaard.
Tussen HealthCheckCenters B.V. en [geïntimeerde] bestaat sinds 20 februari 2023 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 27 juni 2025 heeft [geïntimeerde] zich ziekgemeld en sindsdien is zij volledig arbeidsongeschikt. Bij kort gedingvonnis van 19 december 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er tussen HDG en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst bestaat en dat HDG de vorderingen van [geïntimeerde] uit hoofde van deze arbeidsovereenkomst moet voldoen. De voorzieningenrechter overwoog onder meer het volgende:
‘ 3.3. Volgens Human Diagnostics bestaat er geen arbeidsovereenkomst tussen haar en [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft een arbeidsovereenkomst overgelegd waarin staat dat Human Diagnostics per 31 januari 2025 moet worden beschouwd als opvolgend werkgever van [geïntimeerde] . Uit de door [geïntimeerde] overgelegde loonstroken volgt dat Human Diagnostics ook het salaris aan [geïntimeerde] betaalt. Human Diagnostics heeft inhoudelijk niet op die stukken gereageerd. Ook heeft zij niet duidelijk gemaakt waarom zij niet kan worden beschouwd als werkgever. De kantonrechter passeert het verweer van Human Diagnostics en stelt vast dat er een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat.’
Op 9 maart 2026 heeft HDG [geïntimeerde] gedagvaard tegen 8 april 2026 in een bodemprocedure strekkende tot verklaring voor recht dat tussen HDG en [geïntimeerde] geen arbeidsovereenkomst bestaat en tot terugbetaling door [geïntimeerde] aan HDG van hetgeen zij op basis van het kort gedingvonnis heeft ontvangen. Die dagvaarding is niet aangebracht, [geïntimeerde] heeft op basis van het kort gedingvonnis niets van HDG ontvangen.
Op verzoek van [geïntimeerde] heeft de rechtbank bij vonnis van 10 maart 2026 HDG in staat van faillissement verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de ter beschikking gestelde stukken, waaronder het kort gedingvonnis, en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen af te leiden dat de vordering van [geïntimeerde] voldoende vaststaat. Bovendien heeft HDG op de faillissementszitting erkend dat meerdere schuldeisers onbetaald zijn gelaten en dat zij geen middelen heeft om [geïntimeerde] te betalen, waardoor voor de rechtbank voldoende vaststaat dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Het juridisch kader
Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
Het vorderingsrecht
Naar het oordeel van het hof is summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerde] en de opeisbaarheid van die vordering. Bij kort gedingvonnis van 19 december 2025 is geoordeeld dat tussen HDG en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst bestaat en dat de daaruit vloeiende vorderingen van [geïntimeerde] vaststaan. Van het bestaan van het vorderingsrecht kan zeer wel summierlijk blijken uit een in kort geding gegeven beslissing. Dat HDG kort voor haar faillissement [geïntimeerde] heeft gedagvaard in een bodemprocedure, staat daaraan niet in de weg.
Pluraliteit van schuldeisers
Het hof dient vervolgens te beoordelen of HDG (thans) naast de (opeisbare) vordering van [geïntimeerde] schulden heeft bij andere schuldeisers. Uit het door de curator in hoger beroep overgelegde crediteurenoverzicht en kolommenbalans blijkt dat HDG een totale schuldenlast heeft van meer dan € 4,7 miljoen, bij diverse schuldeisers. Zo heeft HDG bij de Belastingdienst een belastingschuld van € 3.982.547,- en bij met HDG verbonden vennootschappen twee rekening-courantschulden van achtereenvolgens € 263.654,97 en € 239.728,33.
Ter zitting heeft HDG verklaard dat voor de door [geïntimeerde] gestelde steunvorderingen en de door de curator overige gestelde schulden betalingsregelingen zijn getroffen, voor zover deze vorderingen niet door HDG zijn betwist. Hierbij voert HDG aan dat zij met de Belastingdienst in discussie is over de belastingschuld en dat over het bestaan van de rekening-courantschulden een bodemprocedure aanhangig is.
Het hof is van oordeel dat HDG naast [geïntimeerde] ook andere schuldeisers heeft en dat de vorderingen van die schuldeisers als steunvordering kunnen dienen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat een vordering door HDG wordt betwist er niet aan in de weg hoeft te staan dat zij als steunvordering in aanmerking kan worden genomen. Dat HDG over haar belastingschuld met de Belastingdienst in gesprek is, doet aan het bestaan van de belastingschuld niet af. Evenmin staat een aanhangige bodemprocedure over de twee rekening-courantvorderingen in de weg om deze vorderingen als steunvorderingen aan te merken. Aangezien HDG in ieder geval schulden heeft aan de Belastingdienst en uit hoofde van rekening-courant, is naar het oordeel van het hof sprake van pluraliteit van schuldeisers.
De toestand van te hebben opgehouden te betalen
Ook de vraag of HDG verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen beantwoordt het hof bevestigend. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat HDG op dit moment, of op (heel) korte termijn, over de middelen beschikt om haar schulden aan [geïntimeerde] en de overige schuldeisers te voldoen.
Op de zitting van 10 maart 2026 bij de rechtbank heeft HDG erkend slechts beperkte inkomsten te hebben en te beschikken over onvoldoende eigen middelen. Uit de brief van de curator en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof volgt bovendien dat er thans geen liquide middelen beschikbaar zijn en ook van andere activa is niet gebleken. De curator merkte voorts op dat bij de dochterondernemingen van HDG geen activiteiten meer lijken te zijn, waardoor die inkomstenbron is opgedroogd. Het is de curator en met hem het hof niet duidelijk hoe HDG haar financiële verplichtingen gaat nakomen. Een duidelijk plan van aanpak met een steekhoudende prognose ontbreekt.
Dat HDG een aantal schulden beweerdelijk heeft voldaan dan wel gecedeerd aan haar bestuurder Moor Beheer B.V., doet niet af aan het feit dat de meest omvangrijke schulden, de schuld aan [geïntimeerde] , de belastingschuld en de rekening-courantschulden, onbetaald zijn gebleven. De (niet onderbouwde) mondelinge verklaring dat Moor Beheer B.V. bereid is om een financiering aan HDG te verstrekken onder de voorwaarde dat het faillissement wordt vernietigd is naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet om tot een andersluidend oordeel te komen dan dat op dit moment bij HDG sprake is van de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de informatievoorziening door HDG aan de curator moeizaam en in een zeer laat stadium (pas een maand na faillietverklaring) op gang is gekomen en dat de curator nog steeds niet kan verklaren dat hij inmiddels alle relevante stukken van de (feitelijke) bestuurders van HDG heeft ontvangen. Daaruit spreekt vooralsnog bepaald geen actieve houding van de bestuurders om dit faillissement van de baan te krijgen.
De conclusie
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerde] , van pluraliteit van schuldeisers en dat HDG verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Het hoger beroep slaagt niet en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, D. Visser en N.M. Brouwer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2026.