ECLI:NL:GHARL:2026:2627

ECLI:NL:GHARL:2026:2627

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 21-001501-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2024:993

Samenvatting

Hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Inzet is de toepassing van het volwassenenstrafrecht op verdachte die ten tijde van het plegen van de feiten 16 jaar oud was. Het hof komt tot bevestiging van het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten, te weten: medeplegen gekwalificeerde doodslag op medewerkster jeugdzorginstelling, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, een beroving, een gewapende overval op een fastfoodrestaurant, het treffen van voorbereidingshandelingen voor een overval op een tankstation, mishandelingen en een bedreiging. Het hof past het jeugdstrafrecht toe, omdat dit het uitgangspunt is bij feiten die door minderjarigen zijn gepleegd en de gedragsdeskundigen – na onderzoek in hoger beroep – dat in deze zaak ook adviseren. Veroordeling tot een jeugddetentie van 24 maanden met aftrek van voorarrest en oplegging van de PIJ-maatregel. Vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

Het oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] .

De aard en de ernst van de feiten

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank die hieronder cursief zijn weergegeven en maakt deze tot de zijne. Verbeteringen en aanvulling door het hof in deze overwegingen zijn niet in cursief weergegeven.

Verdachte heeft op 14 januari 2023 [slachtoffer] met meerdere messteken om het leven gebracht. [slachtoffer] was de begeleidster van verdachte in het gezinshuis waar hij bijna drie maanden woonde. Verdachte is die dag samen met [medeverdachte 1] op pad gegaan om [tankstation] te overvallen. Toen dit tankstation dicht bleek te zijn, heeft hij bedacht om geld te stelen bij zijn gezinshuis. Hij wist dat op dat moment [slachtoffer] en bewoonster [benadeelde 2] in het gezinshuis aanwezig waren.

Dat [slachtoffer] tijdens haar werk, door een jongen die ze begeleidde, op gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat [benadeelde 2] , toen 15 jaar, dit in haar eigen woonomgeving heeft moeten meemaken, terwijl ze vreesde voor haar eigen leven, maakt de feiten die de rechtbank bewezen acht -gekwalificeerde doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving in vereniging- tot de zwaarste in hun soort.

Verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] , zoals door de moeder en broer van [slachtoffer] duidelijk is verwoord in hun slachtofferverklaringen bij de rechtbank en door de moeder op de zitting in hoger beroep. Uit de ter zitting beluisterde geluidsopname van [benadeelde 2] blijkt wel dat wat zij heeft moeten meemaken zeer traumatiserend is geweest. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [benadeelde 2] in hoger beroep.

De gewelddadige dood van [slachtoffer] heeft echter niet alleen onuitwisbare sporen nagelaten in het leven van haar nabestaanden en in het leven van [benadeelde 2] . Het is ook een schok geweest voor de directe collega's van [slachtoffer] , en heeft ook breder in het werkveld van de jeugdhulpverlening een grote impact gehad. Het gedrag van verdachten heeft daarnaast geleid tot maatschappelijke onrust en verontwaardiging en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt. Voor dit alles is verdachte verantwoordelijk en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Zoals overwogen waren verdachten eerst van plan om [tankstation] te overvallen. Zij hebben niet alleen op 14 januari 2023 voorbereidingen getroffen om dit tankstation te beroven. Ook op 10 januari 2023 is verdachte met anderen op pad gegaan om dit tankstation te overvallen. Dat het bij voorbereidingshandelingen is gebleven, is te danken aan de oplettendheid van de eigenaar van het tankstation.

Op maandagavond 9 januari 2023 heeft verdachte met [medeverdachte 2] een overval gepleegd op de McDonald's in [plaats 1] . Hij heeft daarbij geschoten en vervolgens het wapen gericht op [benadeelde 4] , die de kassa voor verdachten moest openmaken. Verdachte werkte bij de McDonald's en hij is degene geweest die met het idee kwam om daar een overval te plegen. Niet alleen nietsvermoedende bezoekers van de McDonald’s, maar ook nota bene zijn eigen collega’s hebben een schokkende en uiterst beangstigende gebeurtenis moeten meemaken. Uit de namens [benadeelde 4] voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat hij nog dagelijks met de gevolgen van deze roofoverval moet leven.

Op 20 november 2022 heeft verdachte zich, ook toen met [medeverdachte 2] , naar [plaats 2] begeven om ‘een ruzie op te lossen’ met aangever [naam 1] , 15 jaar oud. Een ruzie waar verdachte niets mee te maken had. Verdachten zijn met gezichtsbedekking op ter plaatse gegaan en hebben daar een gewelddadige beroving gepleegd. [naam 1] is onder meer met pepperspray in zijn ogen gespoten en bedreigd; wanneer hij zou praten, zou hij de ‘kogel krijgen’.

Op 11 november 2022 is verdachte met een groep in [plaats 3] . Weer komt het ogenschijnlijk volkomen uit het niets tot een agressieve uitbarsting. Deze keer heeft zijn agressie zich gericht op [benadeelde 5] , een jongen van toen 14 jaar, voor wie verdachte een volkomen onbekende was. Deze jongen wordt voor het oog van zijn zus door verdachte bedreigd met een nepvuurwapen en mishandeld. Deze gebeurtenis heeft op [benadeelde 5] en zijn zus een grote impact gehad; dit blijkt ook uit hetgeen namens hen door hun raadsman ter zitting is verwoord.

Op 8 november 2022 is het misgegaan in [plaats 4] . Aangever [naam 2] wordt gevraagd om naar een afgesproken plek te komen om zijn mes terug te krijgen. Ook nu lijkt verdachte uit het niets te komen tot fors geweld, met verschillende letsels tot gevolg.

In iets meer dan twee maanden tijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een groot aantal gewelddadige feiten. Deze feiten namen in ernst toe, uiteindelijk resulterend in de brute doodslag -om geld- van [slachtoffer] . Het zijn feiten waarvan de gevolgen zo groot zijn dat een strafrechtelijke reactie hier voor de nabestaanden en voor de andere slachtoffers moeilijk iets aan af kan doen. Toch zal een strafrechtelijke reactie moeten volgen en de rechtbank zal daarin alle relevante aspecten moeten meewegen. De ernst van de feiten is hierbij zonder meer van groot belang. Relevant is ook 'het waarom". Hoe kan een jongen van 16 jaar met een schoon strafblad in zo’n korte tijd komen tot deze vormen van geweld? Deze vraag kan alleen worden beantwoord door te kijken naar de persoon van verdachte.

De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden en het toe te passen sanctiestelsel

Het hof overweegt het volgende. Ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten was [verdachte] zestien jaar oud. Hoofdregel is dan dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. Bij wijze van uitzondering kan echter, indien de ernst van het begane feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan of de persoonlijkheid van de dader daartoe aanleiding geven, ten aanzien van een minderjarige volgens artikel 77b Sr, het jeugdstrafrecht buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het sanctiestelsel voor volwassenen. Niet is vereist dat aan alle drie voornoemde criteria wordt voldaan; volwassenenstrafrecht kan worden toegepast als aan één van de drie criteria is voldaan. Wel geldt dat artikel 77b Sr, mede bezien in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, terughoudend moet worden toegepast.

Zoals hiervoor overwogen, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan (uitzonderlijk) ernstige feiten. Gelet op de ernst van deze feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zou toepassing van het volwassenenstrafrecht gerechtvaardigd kunnen zijn. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat het meerderjarigenstrafrecht bij dergelijke feiten kan worden toegepast, niet maakt dat [verdachte] dan ook per definitie volgens het meerderjarigenstrafrecht moet worden bestraft.

Net als de rechtbank ziet het hof in de persoonlijkheid van [verdachte] zwaarwegende redenen geen uitzondering te maken op de hoofdregel dat minderjarige daders volgens het jeugdstrafrecht worden berecht. Daarbij speelt een doorslaggevende rol het advies dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) [naam 3] en [naam 4] in hun rapport van 8 april 2026 en laatstgenoemde ook op de zitting in hoger beroep hebben gegeven. De deskundigen hebben eensluidend en op overtuigende wijze onderbouwd waarom, gelet op de persoon van [verdachte] , geen uitzondering moet worden gemaakt op die hoofdregel. Hoewel zij aangeven dat het vijf voor twaalf is en alle zeilen dienen te worden bijgezet om de ontwikkeling van [verdachte] positief bij te sturen, zien de deskundigen mogelijkheden om hem binnen een PIJ-maatregel adequaat te behandelen en begeleiden.

Voor wat betreft de persoon van [verdachte] heeft het hof verder in het bijzonder gelet op de navolgende stukken:

Uit het rapport van 7 juli 2023 volgt dat de deskundigen [naam 5] en [naam 6] na klinisch onderzoek tot de conclusie zijn gekomen dat bij [verdachte] onder andere sprake is van een dissociatieve identiteitsstoornis (hierna: DIS). Deze psychopathologie maakt dat [verdachte] instabiel functioneert, met wisselende stemmingen en gedrag, geheugenproblemen en soms verwardheid of complete wegrakingen in de vorm van dissociaties of herbelevingen. De deskundigen zien daarnaast sterke aanwijzingen dat bij [verdachte] sprake is van een posttraumatische stress stoornis (hierna: PTSS), maar kunnen deze diagnose niet met zekerheid stellen omdat [verdachte] de traumaklachten grotendeels heeft ontkend. Naast de hiervoor gestelde diagnose is bij [verdachte] sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis. De persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] wordt ernstig bedreigd, waarbij met name antisociale en narcistische kenmerken op de voorgrond staan.

In december 2023 vertelde [verdachte] dat hij de symptomen van DIS en van PTSS had geveinsd en verzonnen. Op de zitting van de rechtbank van 23 januari 2024 hebben de deskundigen [naam 5] en [naam 6] hun bevindingen en conclusies nader toegelicht en zijn daarbij ook uitgebreid ingegaan op de mogelijkheid dat [verdachte] de stoornissen heeft gesimuleerd.

In hoger beroep heeft het hof een nieuw onderzoek gelast naar de geestvermogens van [verdachte] , uit te voeren door een nieuwe psychiater en psycholoog, wederom bij de ForCa.

Uit het rapport van 20 januari 2025 van de deskundigen [naam 7] en [naam 8] blijkt dat [verdachte] na twee weken niet meer aan het onderzoek wilde meewerken. Tijdens het observatieonderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat [verdachte] lijdt aan een DIS. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden voor PTSS. Omdat [verdachte] zijn medewerking slechts zeer beperkt heeft verleend aan het tot stand brengen van het rapport en onafhankelijk onderzoek bij de ForCa naar de persoon van [verdachte] niet meer mogelijk was, heeft het hof op 10 juni 2025 bevolen dat [verdachte] ter observatie zal worden overgebracht naar het PBC en dat daar een onderzoek naar de geestvermogen van [verdachte] zal worden verricht door deskundigen met een jeugdaantekening.

Dit onderzoek heeft geresulteerd in het eerdergenoemde PBC-rapport van 8 april 2026 van deskundigen [naam 3] en [naam 4] . Zij hebben het volgende gerapporteerd.

[verdachte] heeft zijn medewerking verleend aan het onderzoek in het PBC. Ondanks dat hij steevast het gesprek aanging met de onderzoekers, ontstond er volgens de deskundigen nauwelijks diepgang in de gesprekken. Vanaf augustus 2023 tot en met het onderhavige onderzoek zijn geen aanwijzingen gezien voor een DIS. Met de kennis van nu zijn er dan ook geen aanwijzingen dat er nu of ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een DIS. Ook voor PTSS zijn in het onderhavige onderzoek onvoldoende aanwijzingen. Dat er geen traumagerelateerde symptomen worden gezien, neemt niet weg dat ingrijpende levensgebeurtenissen en het klimaat waarin [verdachte] opgroeide zijn weerslag hebben gehad op de persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] .

Wel zijn uit het onderzoek de volgende persoonlijkheidskenmerken bij [verdachte] waargenomen. Ten eerste laat hij antisociale cognities en gedragingen zien. Hij schroomt niet te liegen of zaken te verdraaien, is geneigd tot wegmaken, ontkennen, bagatelliseren en externaliseren en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen en emoties. Verder zijn er beperkingen in zijn morele ontwikkeling en vermogen tot (affectieve) empathie te zien. Ook zijn er narcistische persoonlijkheidskenmerken zichtbaar, gelegen in zijn zelfverzekerde, bijna ongenaakbare wijze van contact maken. Met name door aspecten als een arrogante en bedrieglijke interpersoonlijke stijl en een defectueuze affectieve beleving kan ook worden gesproken van psychopathische trekken in de persoonlijkheid bij [verdachte] . Tot slot zijn er borderline kenmerken zichtbaar.

Hoewel er enige rijping heeft plaatsgevonden en hij heeft geleerd in de luwte te blijven waardoor zich geen recente problemen in de (impuls)controle voordeden, is de kern van zijn problematiek niet veranderd. Sterker, de persoonlijkheidskenmerken die de bouwstenen zijn waardoor [verdachte] zich zonder veel berouw agressief en boos uit(te), waaronder zijn emotionele kilte, het niet in contact staan met zijn gevoel en zijn beperkt ontwikkelde geweten en empathische vermogens, hebben zich eerder verder geconsolideerd in zijn persoonlijkheid dan dat [verdachte] zich op deze punten positief heeft ontwikkeld. Met andere woorden, dat de agressie de afgelopen periode niet langer zichtbaar was, doet geen afbreuk aan de persoonlijkheidsaspecten die nu nog, of zelfs sterker, aanwezig zijn en het staat het stellen van een persoonlijkheidsstoornis niet in de weg.

De deskundigen zien dan ook een verband tussen de omschreven beperkingen in zijn persoonlijkheidsontwikkeling en alle ten laste gelegde feiten. Het advies luidt al met al om de ten laste gelegde feiten bij een bewezenverklaring in een verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. De onduidelijkheden in de delictscenario’s, bijvoorbeeld aangaande het motief (voor criminele activiteiten), maken het niet mogelijk om dit nader te preciseren. Benadrukt wordt dat ook met meer duidelijkheid een advies om niet toe te rekenen of volledig toerekenen gedragskundig niet aan de orde is. Van een alles overheersende, onontkoombare doorwerking van zijn stoornis in de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, is geen sprake. [verdachte] is qua cognitief vermogen in staat te weten dat de tenlasteleggingen strafbaar zijn. De deskundigen schatten in dat er sprake is van een matig tot hoog risico op geweldsrecidive.

Zoals hierboven al is overwogen hebben de deskundigen [naam 3] en [naam 4] geen aanleiding gezien voor een advies om het sanctiestelsel voor meerderjarigen toe te passen. Daarover schrijven de deskundigen dat [verdachte] inmiddels de 19-jarige leeftijd heeft bereikt maar dat zij nog steeds mogelijkheden zien om hem binnen het jeugdstrafrecht adequaat te behandelen en begeleiden. Er wordt een noodzaak gezien om zijn (morele) ontwikkeling te versterken, waarbij het jeugdstrafrecht het best aansluit. Interventies om het recidivegevaar te beperken binnen het jeugdstrafrecht zullen vanwege de ernstige persoonlijkheidspathologie zijn uitdagingen kennen. Dat werd al zo ingeschat toen [verdachte] 16 jaar was en dat is nu [verdachte] 19 jaar is ook de inschatting. Ter vermindering van het matig tot hoog ingeschatte recidiverisico wordt door de deskundigen intensieve behandeling en begeleiding noodzakelijk geacht. Allereerst is het daarbij wenselijk om de delictanalyse meer te kunnen verhelderen. Een vaste behandelaar en een vast behandelteam, met een pedagogische, coachende stijl, is essentieel om te pogen door het pantser van emotionele kilte van [verdachte] heen te breken. [verdachte] is nu 19 jaar oud, de structuur en begeleiding/bejegening in de JJI heeft al gemaakt dat hij gedragsmatig verbetering kan laten zien binnen een gestructureerde setting (afname agressie-incidenten), maar tegelijkertijd is zichtbaar dat zijn persoonlijkheidspathologie zich de afgelopen jaren heeft geëvolueerd tot stoornisniveau. Dat neemt niet weg dat behandeling om die pathologie prosociaal te sturen, van grote meerwaarde is en blijft. Het geeft volgens de deskundigen wel aan dat het vijf voor twaalf is en alle zeilen dienen te worden bijgezet om zijn ontwikkeling, ook richting verdere volwassenheid, wat betreft onder meer zijn empathische vermogens, zijn emotieregulatievaardigheden en zijn morele vermogens, positief te sturen. Om de intensieve en langdurige interventies en het extern risicomanagement vorm te kunnen geven, adviseren de deskundigen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Voor andere opties binnen het jeugdstrafrecht zien zij geen mogelijkheden. Zij zien bovendien geen onmogelijkheden en/of grote contra-indicaties om binnen het PIJ-kader aan de slag te gaan met de kernproblematiek van [verdachte] . Een multidisciplinair onderzoek Pro Justitia over de verlenging van de PIJ-maatregel zal tegen die tijd, zoals bij elke PIJ-maatregel, de voortgang en effectiviteit van het behandeltraject binnen de PIJ-maatregel moeten evalueren.

Op de terechtzitting van het hof heeft deskundige [naam 4] nader uitleg gegeven bij haar advies en verklaard dat zij bij haar advies blijft. Wel heeft zij wederom benadrukt dat zij grote uitdagingen ziet. Toch acht zij een intensieve behandeling van [verdachte] in het kader van een PIJ-maatregel en de voor [verdachte] geschikte behandeling gezien zijn persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met zijn leeftijd kansrijk.

De Raad heeft aangegeven dat zij geen aanleiding of omstandigheden zien om te komen tot een ander advies dan de deskundigen van het PBC en zij ondersteunen hun advies.

Het hof kan zich verenigen met deze bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen van het PBC over de geestesvermogens van [verdachte] en neemt deze over.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat bij [verdachte] sprake is van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat deze ook aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en dat deze de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] ten tijde van de bewezen verklaarde feiten hebben beïnvloed. Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.

Gelet op alles wat het hof hiervoor heeft overwogen, zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 77b Sr. [verdachte] wordt berecht onder het jeugdrecht. Dit brengt mee dat de op te leggen vrijheidsstraf, jeugddetentie, beperkt is tot de maximale duur van vierentwintig maanden.

De redelijke termijn in jeugdzaken

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De officier van justitie heeft op 3 april 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en het hof wijst op 30 april 2026, ruim twee jaar later, arrest.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep het volgende.

De officier van justitie heeft op 3 april 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Naar aanleiding van de verklaring van [verdachte] over het veinzen van DIS en PTSS heeft het hof op de zitting van 17 juli 2024 een nieuw onderzoek gelast naar de geestvermogens van [verdachte] en daartoe de overbrenging van [verdachte] naar de ForCa bevolen. Anders dan dat hij op de zitting van 17 juli 2024 heeft toegezegd heeft hij slechts beperkt zijn medewerking verleend aan het onderzoek in de ForCa, zo blijkt uit het rapport van 20 januari 2025. De raadsvrouw van [verdachte] heeft vervolgens verzocht om de psycholoog en psychiater opdracht te geven het onvoltooide onderzoek voort te zetten en af te ronden. Het hof heeft dit verzoek op de zitting van 17 februari 2025 toegewezen. Vervolgens heeft de ForCa het hof op 22 mei 2025 bericht dat zij niet de mogelijkheid zien om alsnog in een derde observatie van [verdachte] onafhankelijk onderzoek naar de persoon van [verdachte] te verrichten. Dit heeft met name te maken met de voorgeschiedenis van [verdachte] binnen de ForCa en zijn opstelling tijdens de eerdere onderzoeken. Het hof heeft naar aanleiding hiervan op de zitting van 10 juni 2025 een nieuw onderzoek gelast naar de geestvermogens van [verdachte] en daartoe de overbrenging van [verdachte] naar het PBC bevolen. [verdachte] heeft aan dit onderzoek meegewerkt. Uiteindelijk heeft dit onderzoek geresulteerd in het rapport van 8 april 2026.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat het forse tijdsverloop tijdens de procedure in hoger beroep in overwegende mate aan het gedrag en de opstelling van [verdachte] zelf te wijten is geweest. Als [verdachte] aan het onderzoek in de ForCa in 2024 had meegewerkt zoals hij had toegezegd was het tijdsverloop naar alle waarschijnlijkheid beperkt gebleven en had het hof binnen de termijn van zestien maanden arrest kunnen wijzen. Het hof verbindt daarom geen consequenties aan het tijdsverloop in hoger beroep.

De op te leggen straf

Vanwege de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd is naar het oordeel van het hof enkel de maximaal op te leggen jeugddetentie passend en geboden, te weten een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht.

Bij toepassing van het jeugdstrafrecht is er behalve de aandacht voor de ernst van een feit en hoe hierop moet worden gereageerd, ook aandacht voor de persoonlijkheid van de jeugdige en de mogelijkheden tot ontwikkeling daarvan. Voor de maatschappij en voor alle betrokkenen – in het bijzonder de nog jeugdige verdachte – is het van belang dat naast vergelding in belangrijke mate wordt ingezet op behandeling, waarmee verbetering van de (ontwikkeling van de) persoon en daarmee het voorkomen van herhaling wordt nagestreefd. Dat geldt ook in het geval van [verdachte] . [verdachte] heeft zeer ernstige feiten gepleegd en, met name aan de nabestaanden van [slachtoffer] , onnoemelijk leed berokkend. Om recidive in de toekomst te voorkomen moet hij langdurig en intensief behandeld worden en is daarmee een belangrijk aandachtspunt.

Het hof begrijpt dat een vrijheidsstraf van 24 maanden vanuit het oogpunt van vergelding als onbevredigend zal worden ervaren, in het bijzonder voor de nabestaanden van [slachtoffer] . Alle betrokken belangen afwegende en gelet op de gegeven behandeladviezen is het hof van oordeel dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Daarmee wil het hof niets afdoen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en het daaruit voortvloeiende grote verdriet van de slachtoffers en nabestaanden.

De op te leggen maatregel

Het hof stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten – met uitzondering van de bewezen verklaarde mishandelingen – misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De bewezen verklaarde bedreiging valt onder artikel 77s, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. Het hof acht met name gelet op de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van [verdachte] , het recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling, een behandeling binnen het kader van de PIJ-maatregel noodzakelijk. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen het opleggen van deze maatregel. Ook is deze maatregel naar het oordeel van het hof in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] , nu deze maatregel het mogelijk maakt om hem voor een lange tijd intensief te behandelen en te begeleiden in een klinische setting en daarmee bijdraagt aan een aanpak van zijn problematiek en de vermindering van het recidiverisico. Dit geldt temeer nu de PIJ-maatregel zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en daardoor verlengd kan worden tot een maximale duur van zeven jaren. Het hof merkt op dat de mogelijkheid bestaat om de PIJ-maatregel om te zetten naar de TBS-maatregel als te zijner tijd zou blijken dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting in die maatregel dat eist.

Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

1. [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 50.078,50 (€ 5.078,50 materiële schade, € 25.000,- schokschade en € 20.000,- affectieschade) ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 25.078,50

(€ 5.078,50 materiële schade en € 20.000,- affectieschade). Ten aanzien van de gevorderde schokschade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat na de uitspraken van de rechtbank de schokschade door de aansprakelijkheidsverzekeraar van [jeugdzorginstelling] is vergoed. Dit deel van de vordering wordt daarom in hoger beroep niet gehandhaafd. De vergoeding voor ‘kosten lijkbezorging’ en ‘affectieschade’ is ook toegewezen in de zaken van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Omdat die vonnissen al geruime tijd onherroepelijk zijn, heeft de benadeelde partij op grond van de voorschotmaatregel een vergoeding van het CJIB ontvangen. De advocaat van de benadeelde partij heeft daarom aangegeven dat er onvoldoende belang is om dat deel van de vordering tot schadevergoeding te handhaven. Toch heeft de benadeelde partij verzocht dat [verdachte] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, omdat hij moet worden beschouwd als de ‘hoofddader’. De benadeelde partij heeft daarom verzocht om wel de schadevergoedingsmaatregel op te leggen aan [verdachte] voor een bedrag van € 5.078,50 aan materiële schade en € 20.000 aan affectieschade.

2. [benadeelde 6]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,- aan affectieschade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Na de uitspraken van de rechtbank is door de aansprakelijkheidsverzekeraar van [jeugdzorginstelling] de affectieschade vergoed. De vordering van de benadeelde partij wordt daarom niet langer gehandhaafd. Hierdoor is de vordering niet meer aan de orde in hoger beroep.

3. [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 40.000,- aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade als gevolg van de bewezenverklaarde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

4. [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.519,24 (€ 19,24 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade) ingediend. Daarnaast heeft de benadeelde partij proceskosten gevorderd, te weten een bedrag van € 13.678,20 dan wel € 6.604,-. De rechtbank heeft de gevorderde materiële en immateriële schade hoofdelijk toegewezen. Aan proceskosten heeft de rechtbank € 796,- toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding en proceskosten.

5. [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,84 (€ 0,84 materiële schade en € 2.000,- immateriële schade) ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

6. [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.755,81 (€ 5,81 materiële schade en € 1.750,- schokschade) ingediend. De vordering is door de rechtbank afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het vonnis van de rechtbank en verzocht om dit te bekrachtigen. Ter aanvulling hierop heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdediging zich kan vinden in het verzoek om ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] blijft de verdediging bij het standpunt dat deze dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het oordeel van het hof

1. [benadeelde 1]

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] .

Op basis van de onweersproken toelichting van de advocaat van de benadeelde partij in hoger beroep, staat vast dat de benadeelde partij het gevorderde bedrag van € 25.078,50 inmiddels via de voorschotregeling uitbetaald heeft gekregen door de Staat (CJIB) en daarom formeel geen belang meer heeft bij de vordering. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook om die reden als ingetrokken worden beschouwd.

Wel kan de strafrechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen als de verdachte naar het slachtoffer toe naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd.

Daarom zal het hof, om te bevorderen dat de Staat het aan de benadeelde partij voorgeschoten bedrag ook op [verdachte] kan verhalen, wél aan [verdachte] hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen, voor het bedrag van € 25.078,50 (€ 5.078,50 materiële schade en € 20.000 affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2023 tot aan de dag der voldoening. Het aantal mogelijk op te leggen dagen gijzeling stelt het hof vast op nul dagen, gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] .

[verdachte] heeft het bewezen verklaarde feit samen met anderen gepleegd en zij samen zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat wanneer de schadevergoeding door een mededader is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

3. [benadeelde 2]

Door de benadeelde partij is een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 40,000,-. Het hof begrijpt dat dit bedrag is gebaseerd op schokschade en/of schade voorvloeiend uit onrechtmatige daad gebaseerd op de bewezenverklaarde

wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Het hof stelt vast dat [benadeelde 2] getuige is geweest van een zeer heftige gebeurtenis, waarbij zij, terwijl zij nota bene in haar eigen woonomgeving van haar vrijheid beroofd werd gehouden, heeft moeten zien hoe haar begeleidster op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Zij heeft, zo blijkt ook uit haar verklaringen en haar toelichting op de vordering, doodsangsten uitgestaan en is bij haar vlucht nog achterna gezeten, met de angst dat zij mogelijk het volgende dodelijke slachtoffer zou kunnen zijn. Zij leeft tot op de dag van vandaag in angst en is daarvoor langere tijd onder behandeling geweest. Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat voldoende aannemelijk is dat [benadeelde 2] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 18-015688-23. Het hof is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten dusdanig met elkaar verweven zijn dat deze vanuit het perspectief van [benadeelde 2] niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Het hof ziet aanleiding om gebruik te maken van zijn schattingsbevoegdheid. Daarbij heeft het hof bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade gekeken naar uitspraken van rechters in vergelijkbare zaken. Het hof schat de hoogte van de schade op € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2023 tot aan de dag der voldoening.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. [verdachte] is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden. De vordering zal voor het overige daarom worden afgewezen

[verdachte] heeft de bewezen verklaarde feiten samen met een ander gepleegd en zij samen zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat wanneer de schadevergoeding door de mededader is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het aantal mogelijk op te leggen dagen gijzeling stelt het hof vast op nul dagen, gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] .

4. [benadeelde 4]

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 4 bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] . [verdachte] moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van € 1.519,24 (€ 19,24 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2023 tot aan de dag der voldoening.

[verdachte] heeft het bewezen verklaarde feit samen met een ander gepleegd en zij samen zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat wanneer de schadevergoeding door een mededader is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het aantal mogelijk op te leggen dagen gijzeling stelt het hof vast op nul dagen, gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] .

Het hof overweegt over de gevorderde proceskosten het volgende.

Het hof overweegt hierover dat bij het vaststellen van de hoogte van de proceskosten zal worden aangesloten bij het liquidatietarief kanton, te weten per punt € 199,-. Het hof ziet namelijk – bij gebrek van enige onderbouwing in de vordering – geen redenen om af te wijken van het standaard liquidatietarief.

Verder acht het hof het redelijk en billijk om vier punten toe te kennen voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van de inhoudelijke behandelingen in eerste aanleg, te weten:

Het hof zal daarom [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 796,- (4 x € 199,-). en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

5. [benadeelde 5]

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 08-338491-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van [verdachte] . [verdachte] moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, te weten een bedrag van € 2.000,84 (€ 0,84 materiële schade en € 2.000,- immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2022 tot aan de dag der voldoening.

Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het aantal mogelijk op te leggen dagen gijzeling stelt het hof vast op nul dagen, gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] .

6. [benadeelde 3]

Het hof begrijpt dat het getuige moeten zijn van de mishandeling en bedreiging van haar broer een impact op de benadeelde partij heeft gehad. Toch kan het hof uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en de toelichting daarop, niet vaststellen of en in hoeverre bij de benadeelde partij geestelijk letsel is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de in de zaak met parketnummer 08-338491-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Uit de medische informatie die als bijlage is gevoegd bij het voegingsformulier volgt namelijk dat de benadeelde partij in het verleden is begeleid door een kinderpsycholoog en dat zij een belaste voorgeschiedenis heeft. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou nader onderzoek daarom noodzakelijk zijn. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 46, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 282, 285, 288, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafbaarheid van de verdachte, de oplegging van de straf en maatregel en de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.078,50 (vijfentwintigduizend achtenzeventig euro en vijftig cent) bestaande uit € 5.078,50 (vijfduizend achtenzeventig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan de betalingsverplichting hebben voldaan, deze in zoverre vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.519,24 (duizend vijfhonderdnegentien euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 19,24 (negentien euro en vierentwintig cent) materiële schade en

€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

796,00 (zevenhonderdzesennegentig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-015688-23 onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.519,24 (duizend vijfhonderdnegentien euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 19,24 (negentien euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 januari 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-338491-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,84 (tweeduizend euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 0,84 (nul euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-338491-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,84 (tweeduizend euro en vierentachtig cent) bestaande uit € 0,84 (nul euro en vierentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 november 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. F. van der Maden, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand