GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.330
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/54316/HA ZA 22-423
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en gedaagde in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. T.B. van Dreumel
tegen
[geïntimeerde]
(in haar hoedanigheid van erfgename van [erflater], die bij leven woonde in [woonplaats] en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie)
die woont in [woonplaats]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [geïntimeerde] en [erflater]
advocaat: mr. M.S. Benistant
1. Het (verdere) verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 18 februari 2025 (het tussenarrest) hebben op 10 september 2025 en op 24 september 2025 getuigenverhoren (enquête) bij het hof plaatsgevonden. Daarvan zijn verslagen gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd (processen-verbaal). Hierna heeft [geïntimeerde] een memorie na enquête genomen (met producties). Vervolgens heeft [appellant] een antwoord-memorie na enquête genomen (met producties). Tenslotte heeft [geïntimeerde] zich bij akte van 3 februari 2026 nog over deze laatste producties uitgelaten. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De (verdere) beoordeling van de zaak
In het tussenarrest heeft het hof, voordat het in hoger beroep verder beslist, [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie ten aanzien van het pand met winkel met woonhuis aan [adres] in [woonplaats] (de woning) zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar zou gelden.
[geïntimeerde] heeft daartoe zeven getuigen laten horen bij het hof. [appellant] heeft vervolgens van contra-enquête (het horen van getuigen tot tegenbewijs) afgezien en heeft vervolgens bij antwoord-memorie na enquête een viertal op schrift gestelde verklaringen overgelegd.
Getuigenverklaringen
[geïntimeerde] heeft als partij-getuige onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik ben analfabeet, ik kan niet lezen of schrijven. Als u mij vraagt hoe oud ik precies ben, dan moet ik op mijn paspoort kijken. Ik kan u ook niet precies zeggen in welk jaar ik ben getrouwd. Het was in Marokko en ik ben ongeveer een maand later naar Nederland gekomen. Dat was in de woning aan [adres] in [woonplaats] . (…) Het huis was in hele slechte staat en we hebben er heel veel werk aan verricht. Toen ik er kwam wonen, woonde [appellant] er ook. (…) [appellant] woonde er met zijn gezin. Voor zover ik begreep was de woning alleen van mijn echtgenoot. Hij heeft me verteld dat hij het destijds goedkoop had kunnen kopen en het beetje bij beetje aan het herstellen was. We waren altijd aan het werk in het huis. Mijn man had altijd zijn overall aan, hij deed de boodschappen en ik deed het huishouden. [appellant] hielp niet. Mijn echtgenoot deed alle geldzaken en administratie. Ik keek dus zelf niet naar de brieven of naar papieren, maar ik zag wel dat mijn man brieven ontving en dan betalingen deed. Hij betaalde alles voor het huis en hij gaf mij ook geld voor boodschappen. Ik weet niet precies wanneer [appellant] met zijn gezin is vertrokken uit het huis. De reden van zijn vertrek was dat hij een gehandicapt kind had en dat het moeilijk was om dat kind naar boven te brengen. Er was geen lift in het huis en het werd steeds zwaarder voor ze. Daarom zijn ze vertrokken. Wij vonden het moeilijk dat ze weg waren, de verhouding was toen nog goed. (…) In de periode daarna heeft mijn man wel vaker tijdelijk onderdak geboden aan mensen die dakloos waren, of illegaal of vluchteling. Hij hielp ze dan voor een paar dagen, misschien een week, aan een slaapplek. Deze mensen betaalden daar niet voor, ze hadden ook helemaal geen geld. Voor zover ik weet heeft [appellant] nooit meebetaald aan verbouwingen of kosten van het huis. Volgens mij interesseerde het hem niet. Ik heb gezien dat mijn man alles zelf betaalde. Mijn man vroeg [appellant] ook niet om mee te betalen. Het was mijn man die aan het herstel werkte. Hij huurde daarvoor mensen in om hem te helpen en die betaalde hij ook, dat heb ik zelf gezien. Familie hielp soms als ze vrij hadden (…) Mijn man deed de boodschappen, kocht de bouwmaterialen en het was ook mijn man die bepaalde hoe het huishouden ging. Ik heb gezien dat [appellant] geld betaalde, volgens mij elke maand, en bij mijn weten ging het om 40 gulden of euro. Hij stuurde zijn kinderen met het geld naar mijn man en mijn man gaf het eigenlijk meteen terug aan de kinderen voor hun spaarpot. De kinderen heten [naam1] en [naam2] . Ik heb weleens aan mijn man gevraagd waar dat geld voor was, dat [appellant] liet brengen, en mijn man zei dat het voor huur was. (…) Binnen de familie was duidelijk dat het mijn man was die de eigenaar van de woning was en het daar voor het zeggen had. Het was ook mijn man die besloot om de benedenkamer beschikbaar te stellen voor behoeftigen. Hij heeft daarvoor geen overleg met anderen gevoerd. [appellant] heeft tijdens een vakantie in Marokko tegen zijn oudere broer geklaagd over het feit dat de woning nog op zijn naam stond. Daaronder vond hij nadeel van bij de autoriteiten, bijvoorbeeld bij het aanvragen van huurtoeslag. Hij wilde zijn naam van de woning afhebben. Mijn man hoorde daarover van [appellant] broer, [naam3] , daar was ik bij, en hij besloot om dat in Nederland in orde te maken. (…) Eenmaal in Nederland ging mijn man proberen om het op te lossen, maar toen bleek dat [appellant] geen afstand wilde doen van de woning zonder in de waarde te delen. Mijn man kwam thuis en kon er bijna niet over praten. (…)”
[naam4] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“(…) Ik ben een zoon van [erflater] en [geïntimeerde] . [appellant] is mijn halfbroer, maar ik noem hem gewoon mijn broer. (…) Het gaat om de woning waar ik ben geboren en opgegroeid. Die zouden ze samen hebben aangekocht. Ten minste, [appellant] staat als eigenaar aangemerkt in de papieren, maar volgens mijn vader was het niet de bedoeling dat [appellant] eigenaar van de woning was. Het is een vervelende kwestie die heeft geleid tot een breuk in de familie. (…) Wat ik ervan weet, weet ik vooral van mijn vader en andere familieleden. Met [appellant] heb ik er nooit over gesproken. Ik heb voor wat betreft de administratie of geldzaken van mijn vader ongeveer vanaf 2015 wat meer inzicht gekregen. Dat was de periode waarin mijn beide zussen gingen trouwen. Ik ben de jongste thuis en tot die tijd hadden mijn zussen mijn vader waar nodig geholpen met zijn geldzaken en administratie. (…) In die fase liet hij al veel over, eerst aan mijn zussen en toen aan mij. Ik zag dus de brieven die binnenkwamen en de betalingen die moesten worden gedaan. Ik kan me herinneren dat ik een koekblik zag. Toen ik dat opende zaten er allerlei bonnen in en betalingsstrookjes van hypotheekaflossingen. Ik wilde dat eigenlijk weggooien omdat ik aan het opruimen was, maar mijn vader wilde het graag houden. Hij vertelde mij dat het bonnen waren van de renovatie van de woning.
Rond 2009 of 2010, ik was toen 14/15 jaar, zag ik dat het met mijn vader niet zo goed ging. (…) Ik wist niet zo goed wat er aan de hand was en toen begreep ik dat er een clinch was geweest tussen [appellant] en mijn vader. Er was een afspraak gemaakt waar [appellant] zich niet meer aan wilde houden. Die afspraak was dat de woning toen die werd gekocht in 1980 mede op naam van [appellant] werd gezet om de hypotheekverstrekking aan mijn vader mogelijk te maken. De hypotheek was aanvankelijk geweigerd, omdat mijn vader op papier onvoldoende inkomen had. Toen hij loonstroken van [appellant] kon laten zien ging de bank akkoord, maar onderling hadden zij afgesproken dat mijn vader eigenaar was en dat [appellant] nooit aanspraak zou maken op de woning. [appellant] wilde alsnog zijn deel van de woning of de waarde ervan en dat speelde dus in die tijd. Dit had mijn vader zeer geraakt en het ging hem slecht. Nadat dit conflict was ontstaan kwam [appellant] niet meer bij ons thuis, er was geen contact meer. (…) Over de administratie kan ik vertellen dat alle papieren die langskwamen met betrekking tot de woning, zoals vergunningaanvragen, kwesties van bijvoorbeeld riolering, andere betalingen die moesten worden verricht, dat die allemaal op naam van mijn vader stonden. Op sommige bonnen stond ook de naam van mijn vader en op sommige stond geen naam. Ik heb de naam van [appellant] nooit op vergunningen, aanvragen of bonnen zien staan. Toen ik nog wat jonger was en [appellant] nog in huis woonde, heb ik nooit meegemaakt dat er overleg was tussen mijn vader en [appellant] over bijvoorbeeld verbouwingen en renovaties in huis. Dat was heel anders bij zaken die mijn vader bijvoorbeeld met een oom van mij had. Dan werd er wel overleg gevoerd. Ik heb nooit meegekregen dat [appellant] betalingen aan mijn vader deed, om wat voor redenen dan ook. Van mijn vader heb ik begrepen dat [appellant] nooit heeft meebetaald aan de aanschaf of verbouwingen van de woning en dat hij toen hij er nog woonde een gedeeltelijke of symbolische huur betaalde. Mijn vader was meer van geven dan van nemen. In de benedenkamer van de woning verbleven mensen. Wij noemden dat voor de grap ‘de opvang’. Het was geen echte verhuur, het was mijn vaders manier om mensen te helpen. Soms hadden wij het idee dat daar wat misbruik van werd gemaakt en dan drongen we er weleens op aan om mensen die ook met ons meeaten geld te laten betalen, maar echte huur was dat niet. Als u mij vraagt wie er allemaal herstelwerk hebben gedaan aan de woning, dan kan ik u vertellen dat dat mijn vader was, met [naam5] . Ze maakten ook weleens gebruik van ingehuurde krachten, dat regelde [naam5] . Waar mogelijk kwamen ook weleens familieleden of buren helpen. Ook [naam6] heeft meegeholpen. [appellant] heeft nooit meegeholpen. Ik heb hem nooit zien werken of meedoen aan herstelwerk. Ik heb ook nooit meegekregen dat hij iets heeft betaald. Volgens mijn vader heeft hij nooit iets betaald. Mijn vader betaalde alles zelf. (…) In 2003 was er een grootschalige verbouwing van de woning. De woonkamer werd helemaal opnieuw ingericht. De wanden, het plafond en het dak zijn aangepakt en er is laminaat gelegd. De hele bovenwoning is aangepakt. Ook is toen de schoorsteen afgebroken. Zo jong als ik was hielp ik al mee met alles wat ik kon doen. [appellant] was daar nooit bij betrokken en ik stelde daar geen vragen over, ook uit respect (…). Ik ben er altijd vanuit gegaan dat de woning van vader was. Mijn vader was degene die zich als eigenaar gedroeg, altijd op zoek naar manieren om de woning te verbeteren. Dat was bij [appellant] zeker niet het geval. Toen hij nog over de vloer kwam, kwam hij als gast en toonde hij weinig interesse. (…)
De tenaamstelling en de hypotheek zijn een groot onderwerp geworden na de clinch van 2009/2010. De breuk was een groot ding in de familie en iedereen wilde weten hoe het zat. Binnen het gezin stelde mijn vader ons gerust door te zeggen dat hij met [appellant] een afspraak had, dat de woning van hem was en zou blijven, en dat het gezin zich geen zorgen hoefde te maken over de woning. Het heeft mijn vader enorm geraakt dat [appellant] daar voor volgens hem op terug was gekomen. Hij zei dan heel verdrietig zijn [appellant] zijn vertrouwen had beschaamd. Daar zat hij echt mee en had hij het vaak over. (…)”
[naam7] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben de dochter van [erflater] en [geïntimeerde] . [appellant] is mijn halfbroer. Ik noem hem broer. (…) Het gaat over het eigendom van [adres] , de woning waar ik ben opgegroeid. Mijn vader had een constructie bedacht waar mijn broer akkoord mee was gegaan, maar waar hij jaren later op is teruggekomen. Hij wilde toch aanspraak maken op de woning. Met die constructie bedoel ik dat mijn vader [appellant] heeft gevraagd om een gunst om de hypotheek rond te krijgen. Mijn vader werkte in een fabriek en draaide dubbele diensten, maar daarvan was maar één dienst wit. De bank vond dat niet voldoende voor het verstrekken van een hypothecaire lening, terwijl mijn vader het eigenlijk wel kon veroorloven. Mijn vader heeft daarom aan [appellant] gevraagd om mee te tekenen en zo kon de hypotheek toch rondkomen. Volgens mij had [appellant] een inkomen. Ik had een hechte band met mijn vader en vroeger ook met [appellant] . Het meeste dat ik weet heb ik van mijn vader gehoord, hij vertelde mij alles. De hele kwestie met betrekking tot eigendom van de woning kwam pas aan de orde toen de band tussen [appellant] en mijn vader bekoelde. Er was plotseling geen contact meer. Voor mij werd dat duidelijk tijdens een gesprek in Marokko. Als ik dat in de tijd moet plaatsen, was het in elk geval na de bedevaart in 2008 en het liefdadigheidsdiner dat daarop volgde. Ik plaats het dus in 2009 of 2010 als ik het moet zeggen. Het was een gesprek waarbij mijn broer [naam3] aan mijn vader vertelde over dingen die hij van [appellant] had gehoord. [appellant] had zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over het feit dat hij nog als eigenaar van de woning te boek stond. Daarom liep hij sociale voorzieningen mis. Waarover dat precies ging weet ik niet, ik denk bijvoorbeeld aan toeslagen. Dat kwam dan allemaal door de gunst die [appellant] destijds aan mijn vader had verleend. De reactie van mijn vader was dat hij zijn zoon niet wilde belemmeren en dat hij bereid was om de woning op zijn eigen naam te zetten. Dat dat nog niet was gebeurd in de loop der jaren kwam door tijdgebrek en dat soort dingen. Bij terugkomst in Nederland ging mijn vader met [appellant] hierover het gesprek aan en hij stelde voor om naar de notaris te gaan om het te regelen. Toen kreeg mijn vader van [appellant] te horen dat hij aanspraak maakte op de helft van de waarde van de woning, die inmiddels flink in waarde was gestegen. Hij wilde daar niet van afzien. Dit sloeg bij mijn vader in als een bom. Ik heb hem nog nooit zo verslagen gezien. (…) Ik ben naar [appellant] geweest om verhaal te halen. Hij liet zich er niet over uit of die constructie waarover mijn vader had verteld volgens hem klopte of niet. Hij zei wel dat hij zijn vader nooit uit het huis zou gooien zolang hij leefde, maar zodra onze vader er niet meer zou zijn zouden wij eruit moeten. Hij zei, ik sta ook in de papieren. Dit was voor mij volkomen nieuw. Ik had daar nog nooit over gehoord. Ik vroeg mijn vader, mag ik de papieren zien? Toen zag ik de koopakte van 1 mei 1980. Voor mij was dat volkomen nieuw. In de periode voor het conflict tussen mijn vader en [appellant] was ik al heel lang betrokken bij alles wat met de geldzaken en administratie van mijn vader te maken had. Ik was een vroege leerling en heel nieuwsgierig en leergierig. Vanaf dat ik zeven of acht jaar oud was ben ik al gaan helpen met de geldzaken en administratie, bijvoorbeeld door naar de belastingdienst te bellen. Gaandeweg werd mijn rol groter. Ik vulde formulieren in en belastingaangiften en hielp met het aanvragen van vergunningen. Mijn vader had een belastingconsulent, de heer [naam8] , en ik ging altijd mee. Dan keek ik heel goed hoe het moest. Vanaf 14/15 jaar kon ik de belastingaangifte zelf doen.
[appellant] heeft nooit meebetaald aan de kosten die met de woning te maken hadden. Of het nou ging om verzekeringen, kosten van verbouwingen, of andere kosten, mijn vader betaalde alles. Alles stond ook op naam van mijn vader wat met de woning te maken had. Betalingen, vergunningen, belastingen, kwesties met de gemeente. [appellant] kwam wel bij ons op bezoek, maar had verder niets te maken met de woning en alles wat erbij kwam kijken. Dat vonden we ook niet raar, want we gingen er allemaal vanuit dat de woning alleen van mijn vader was. Bij de verbouwingen was mijn vader de stuurman. Mijn moeder verzorgde het eten heel uitgebreid en mijn vader werkte samen met zijn vriend [naam5] . Die had contacten in de bouw en kon dus ook werklieden regelen. Verder hielp bijna iedereen in het gezin wel mee, vooral [naam4] en wat ik begreep ook [naam6] . Dat was anders voor [appellant] , die hielp niet mee. Dat vonden we eigenlijk normaal, zo was het nou eenmaal. (…) Over de periode dat [appellant] bij ons in huis woonde kan ik niet veel zeggen, daar weet ik weinig van. Ik weet wel dat mijn vader heeft gezegd dat [appellant] nooit iets betaald heeft. Mijn vader vertelde mij alles. (…) Ik studeerde met vriendinnen weleens in de woonkamer beneden.
Over de ruimte in de benedenwoning die bij anderen in gebruik was kan ik u het volgende zeggen. Mijn vader was een gelovig man en wilde goed doen voor anderen. (…) Hij kwam weleens terug uit de moskee en dan had hij iemand meegenomen die hulp nodig had. Ze kregen dan eten, een kamer, dekens, wat spulletjes. Ze hoefden daar niet voor te betalen, we kregen weleens een brood of een aardigheidje. Een heel enkele keer was dit anders. Ik herinner mij een man die een aantal maanden in die kamer woonde en toen op enig moment ook is gaan meebetalen voor elektra, maar wat hij daarvoor gaf was niet eens genoeg om zijn elektriciteitsgebruik te betalen.
Vanaf mijn vijftiende ongeveer verzorgde ik de belastingaangiften voor mijn vader. Als ik iets moest invullen over eigendom van de woning, vulde ik altijd in dat mijn vader 100 procent eigenaar was. U vraagt mij wat er in 2017 met mij gebeurde naar aanleiding van de belastingaangifte. Toen ik in 2017 bezig was met de aangifte over het jaar 2016 vroeg ik mijn vader, wat moeten we nu doen bij de vermelding van de woning? Want ik wist inmiddels hoe het zat met de koopakte. Mijn vader zei dat hij het niet wist. Toen heb ik de belastingdienst gebeld en uitgelegd hoe het zat. Hun advies was, volg de koopakte, dus dat heb ik gedaan en voor het eerst ingevuld dat mijn vader voor de helft eigenaar was. In datzelfde jaar, 2017, kreeg ik van de belastingdienst een telefoontje om te vragen waarom het zo was ingevuld en waarom het nu anders was dan eerder. Ik legde zo goed mogelijk uit wat de situatie was en daar keken ze van op. De medewerker die ik aan de lijn had zei dat [appellant] bij zijn aangiftes nog nooit had vermeld dat er sprake was van mede-eigendom in geen enkele box en dat hij toeslagen ontving. Ook gemeentelijke belastingen met betrekking tot de woning werden door mijn vader betaald.
Mijn vader gedroeg zich al die jaren als eigenaar van de woning. Hij besloot wie in- en uitging, beheerde de woning, besliste over verbouwingen, vergunningen, bezwaarschriften, ook tegen dwangsommen. [appellant] gedroeg zich niet als eigenaar maar als gast. (…)”
[naam9] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“ [appellant] is mijn broer, eigenlijk halfbroer. [erflater] is mijn vader en [geïntimeerde] is mijn moeder. (…) Het gaat over de woning aan [adres] in [woonplaats] . Mijn broer beweert mede-eigenaar te zijn. Wat ik erover weet, weet ik eigenlijk vooral van horen zeggen. Ik ben natuurlijk later geboren en was er niet bij toen de woning werd gekocht. Ik heb vooral gehoord wat er is gebeurd van mijn vader, andere familieleden en kennissen. Ik heb me er zelf nooit mee bezig gehouden wie er eigenaar was van de woning. De eerste keer dat ik er echt wat over te horen kreeg is in mijn studietijd geweest. Ik studeerde (…) en in de weekenden had ik nog geloofslessen (…) die volgde ik samen met de dochter van mijn neef. Haar naam is [naam10] . We kwamen die middag bij mijn ouders thuis en zij vroeg aan mij, hebben jullie al een andere woning paraat, want ik begreep dat [appellant] jullie het huis uit zou zetten als mijn vader was overleden. Mijn vader was toen al ziek. Voor mij kwam het als een volkomen verrassing (…). Ik ging naar mijn vader om uitleg te vragen en hij vertelde mij dat hij destijds de woning wilde aankopen, maar geen hypotheek kon krijgen. [appellant] was de oudste gezonde zoon en met zijn salaris erbij werd de hypotheek wel afgegeven. Mijn vader zei dat hij in de maling genomen was door [appellant] . Hij had het zich heel erg aangetrokken. Hij heeft het er vaak over gehad. Hij heeft ook weleens gezegd dat mijn broer als een wolf was die had afgewacht om toe te slaan. Voor mij was niet helemaal duidelijk wat destijds de afspraak precies geweest is tussen mijn vader en mijn broer, daar heb ik mij niet mee bemoeid. Ik weet wel dat mijn vader al een tijdje ziek was en dat er al een tijdje verwijdering was tussen mijn vader en mijn broer [appellant] . Ik wist daar het fijne niet van. (…)
Zoals gezegd hield ik me niet bezig met wie de eigenaar van het huis was, ik dacht altijd gewoon dat dat mijn vader was. Ik had ook geen reden om iets anders te denken. Mijn broer betaalde ook nooit iets voor het huis. Mijn zusje [naam7] en ik, en mijn broer [naam4] , wij hadden een soort taakverdeling. [naam7] deed de administratie en de geldzaken voor mijn vader, ik was ondersteunend als het ging om alles wat met de zorg en medische dingen te maken had en mijn broer hielp vooral met klussen. Toen mijn zusje nog te jong was om de administratie te doen, heb ik zelf weleens geholpen met overschrijvingen per acceptgiro, zoals gemeentebelastingen, kosten rondom de woning. Ik was toen zelf ook nog heel jong. Nooit heb ik de naam van mijn broer [appellant] daarbij zien langskomen. Ik kan me ook niet herinneren dat [appellant] ooit iets aan mijn vader heeft betaald, of dat ik daar iets over hoorde. Pas toen het conflict over de woning al was ontstaan, heeft mijn moeder mij verteld dat [appellant] toen hij nog bij ons woonde een soort van huur betaalde. Zijn kinderen kwamen dat brengen en kregen van mijn vader een deel voor hun spaarpot.
Als je mij vraagt naar verbouwingen, denk ik vooral aan een verbouwing toen ik nog op de basisschool zat, toen de schoorsteen van de tweede verdieping werd verwijderd. Ik heb nog geholpen met het tillen van stenen. Als er iets moest gebeuren aan het huis, verbouwingen, klussen, renovatie, dan werd mijn vader geholpen door zijn vriend [naam5] . Die kwam dan met een van zijn zonen. Mijn vader betaalde daarvoor, dat heb ik zelf gezien. Hij betaalde contant. [appellant] was er nooit bij, ik heb hem nooit zien meehelpen. Ik heb ook nooit gehoord of gezien dat [appellant] meebetaalde, of dat hem dat werd gevraagd. (…)
In de benedenwoning was een woonkamer, slaapkamer en een gang met een keuken. In die slaapkamer verbleven weleens personen die mijn vader was tegengekomen, bijvoorbeeld in de moskee. Het ging dan om mensen zonder woning. Hij liet ze dan bij ons slapen. Ze konden dan ook gebruik maken van het keukentje. De uitgang van de benedenwoning zat aan de andere kant. Ik heb een keer met mijn vader hierover gepraat toen hij iemand uit het park had meegenomen. Ik begreep dat hij mensen wilde helpen, maar ik zei dat hij niet iedereen kon vertrouwen. De mensen die mijn vader op deze manier in huis haalde betaalden geen vaste huur, het was vrijblijvend. Soms gaven ze iets, afhankelijk van wat ze konden geven.
Ik heb [appellant] nooit op deze kwestie aangesproken en ik heb ook geen contact meer met hem. In mijn beleving heeft mijn vader zich altijd als eigenaar van de woning gedragen. Dat maak ik op uit de betalingen die hij deed voor alles wat met de woning te maken had, de verbouwingen die hij regelde en deed en omdat nooit is benoemd of gezegd dat mijn broer daar enig aandeel in had. Mijn vader besliste wie er in de woning kwam en ik heb mijn vader ook nooit horen overleggen met mijn broer over beslissingen over de woning. (…)”
[naam6] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben een kind van [erflater] uit zijn eerste huwelijk en een volle broer van [appellant] . Ik weet dat dit geschil gaat over de woning aan [adres] in [woonplaats] . Ik moet u zeggen dat wat ik weet, is van na de brand. Ik weet niets van daarvoor. Ik zal u dat uitleggen. In 1982 in de winter is brand uitgebroken in het huis. Ik woonde daar met mijn vader en moeder, [appellant] en zijn vrouw, [naam11] , [geïntimeerde] en [erflater] . (…) Ik woonde daar sinds 16 juli 1980, toen was ik nog maar zestien jaar en ik sprak nog geen Nederlands. Ik wist in hoofdzaak dat mijn vader die woning had gekocht en mijn broer viel net als ik en de andere kinderen onder het gezag van mijn vader. Gelet op mijn positie in het gezin heb ik nooit bemoeienis gehad met geldzaken of de administratie van mijn vader. Ik heb dus ook nooit papieren gezien die met de aankoop van de woning te maken hadden, zoals een koopakte of hypotheek. Ik stond daarbuiten en bemoeide me daar ook niet mee. Na de brand kwam ik te weten dat ze waarschijnlijk het huis samen hadden gekocht. Ik ving iets op toen ik een gesprek hoorde tussen mijn vader en [appellant] over het herstel van de woning. We zaten in de woonkamer en het gesprek was tussen mijn vader en mijn broer. Ik nam daar niet aan deel, maar hoorde het wel. Uit dat gesprek begreep ik dat de verzekering twee bedragen had uitgekeerd voor de schade aan de inboedel. Een bedrag van 25.000 gulden dat naar mijn broer was gegaan en een bedrag van 11.000 gulden dat naar mijn vader was gegaan. Mijn vader stelde voor aan mijn broer om die twee bedragen samen in een potje te leggen en er wat bij te lenen, om zo met dat geld de woning te gaan opknappen. Wat mij nog helder bijstaat is het antwoord van mijn broer. Hij zei: ‘ik wil niets met het huis te maken hebben, beschouw mij als buiten spel. Ik heb geen huis, het is uw huis vader.’ Op een later moment hoorde ik mijn vader aan [appellant] vragen om dat bedrag van 25.000 gulden wat aan hem was uitbetaald. [appellant] antwoordde dat hij die 25.000 gulden had overgemaakt naar Marokko naar zijn eigen rekening. Hij heeft geen rode cent aan mijn vader betaald van dat bedrag. Dat leidde tot een ruzie tussen mijn vader en mijn broer. Mijn moeder was een heel goed bemiddellaar, zij was toen nog in leven. Zij heeft er toen uiteindelijk voor gezorgd dat die ruzie werd bijgelegd. Dat was pas na een tijdje. In de tussentijd hebben wij de woning opgeknapt. Wij is mijn vader, mijn broer [naam11] en ik. Wij hebben ervoor gezorgd dat de woning weer bewoond kon worden. Daar konden we aan beginnen zo’n anderhalf jaar na de brand. [appellant] heeft niet geholpen bij het opknappen van de woning na de brand. Ik zag hem dan langsrijden als hij naar zijn werk reed, in zijn gele Datsun. Dat vond ik niet zo mooi. Ik heb dat nooit uitgesproken naar [appellant] , uit bangheid en respect. Toen na bemiddeling van mijn moeder het was bijgelegd, kwam [appellant] met zijn vrouw en twee kinderen in de benedenwoning wonen. Die was dus weer bewoonbaar, omdat wij die hadden opgeknapt. Mijn vader heeft zich altijd als de eigenaar van de woning gedragen. Hij kocht alles aan materialen voor de woning bij [naam12] en betaalde daar ook voor. Zoals gezegd kan ik u niets vertellen over rekeningen en belastingen of andere geldzaken in de administratie. Ik kan u wel vertellen dat ik [appellant] nooit geld heb zien geven aan mijn vader. Toen wij nog in de woning woonde betaalden wij als inwonende kinderen mee aan de nutskosten, maar geen huur. Mijn vader had wel gevraagd om bij te dragen in de kosten van gas, water en licht. Ik betaalde hem daarvoor contant 200 gulden per maand en ik nam aan dat [appellant] hetzelfde deed. In 1987 overleed mijn moeder. Ik ben binnen een jaar vertrokken uit de woning. Daarna is mijn vader hertrouwd en in 1988 kwam zijn nieuwe echtgenote bij hem wonen. Daarna, ik weet niet precies wanneer, is ook [appellant] vertrokken uit de woning. Ik kwam in die periode nog regelmatig op bezoek toen [appellant] er nog woonde, en ook daarna. Ik zag mijn vader twee à drie keer per maand en ik had ook nog contact met [appellant] . We vermeden moeilijke onderwerpen zoals een discussie over het huis. De eerste keer dat ik er weer iets over hoorde, over de hele kwestie van de woning en wie de eigenaar was, was toen de rechtszaak al speelde. [naam7] belde mij en vertelde mij over die rechtszaak. Het werd me even zwart voor de ogen dat het zo ver was gekomen. Ik had er nooit meer over gesproken. Ik heb er daarna wel nog met [erflater] in Marokko over gesproken. Inmiddels is mijn vader overleden en loopt de zaak nog steeds. Dat vind ik heel erg. Zelf heb ik al een jaar of vijftien geen contact meer met [appellant] . Dat heeft niets te maken met deze kwestie (…). Met alle anderen heb ik nog wel contact.
Ik weet dat na het vertrek van [appellant] uit de woning mijn vader beneden een soort pensionnetje voor mensen zonder woning had. Omdat ik me helemaal niet met geldzaken van andere mensen bezighoudt, weet ik niet of hij daar geld voor kreeg. (…)”
[naam5] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik ken de familie [familienaam] uit de buurt in [woonplaats] . Ik weet dat zij wonen in het huis aan [adres] . Ik hoorde in de moskee dat er brand was geweest in de woning. Ik werkte vroeger in de bouw, maar ik was een tijdje arbeidsongeschikt. [erflater] vroeg mij wel eens om te helpen als er wat was met de woning. Ik kwam dan met de auto en ging samen met hem materialen kopen. [erflater] verrichtte het werk en ik hielp mee voor zover ik kon. Er waren ook wel andere werklieden die werden ingeschakeld om te helpen, bijvoorbeeld voor voegwerk of het zetten van ramen. Ik weet dat er ook wel eens wat familieleden kwamen helpen, bijvoorbeeld bij het afbreken van de schoorsteen. Als ik moet plaatsen in de tijd wanneer ik daar ben komen helpen met werkzaamheden aan het huis, dan moet dat in de jaren ’80 zijn geweest. Ik heb in 1984 de hadj gemaakt en ik weet dat het in die periode is geweest. Het was altijd [erflater] die mij vroeg om te helpen. Hij werkte zelf ook mee, hij kocht de materialen en hij betaalde voor mijn onkosten. [appellant] woonde wel in de woning in die beginperiode, maar hij was niet degene met wie ik de werkzaamheden besprak. Ik heb hem ook niet zien meewerken of betalen. Ook toen [appellant] niet meer in de woning woonde deed ik nog wel eens klusjes voor [erflater] . Wanneer [appellant] precies uit de woning is vertrokken weet ik niet. Als u mij vraagt wie de eigenaar was van de woning kan ik u dat niet precies zeggen. Ik bemoei me niet met de interne zaken van de familie. Mijn indruk was dat [erflater] degene was die de beslissingen nam over het huis en die alles regelde en betaalde. Als ik in de woning werd uitgenodigd, werd ik door [erflater] uitgenodigd. Dat was dan in de woonkamer beneden. U vraagt mij of ik ben bezocht door [appellant] , voorafgaand aan dit verhoor. Ik heb wel met hem gesproken, maar niet over deze situatie. Ik weet niet precies meer wanneer het was, maar ik denk ongeveer twee of drie weken geleden. Het was buiten op straat, niet bij mij thuis. Wij spraken over een privéaangelegenheid waarover ik liever niet wil praten. In het verleden als ik werkzaamheden deed voor [erflater] werden de bouwmaterialen gekocht bij Waltmann en Hornbach. Ik kan u niet zeggen hoelang de werkzaamheden geduurd hebben, eigenlijk is er altijd wel wat met een woning. Ik kan u niet precies zeggen wie zich als eigenaar gedroeg anders dan wat ik al heb verklaard. (…)”
[naam13] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:
“Ik weet dat deze zaak gaat over de woning aan [adres] in [woonplaats] . Ik kwam daar van kleins af aan. Ik was bevriend met het gezin [familienaam] . Ik ken alle kinderen. Ik woonde in de buurt, één straat ervoor. [appellant] woonde ook daar. Ik kwam daar vanaf dat ik een jaar of zes was, dus begin jaren ’90. (…) Als u mij vraagt of ik iets weet van werkzaamheden die aan de woning zijn verricht kan ik u vertellen dat ik mij de klusjesman goed herinner. Het was een Marokkaanse man, zijn naam weet ik niet meer. Het was een vriend van [erflater] . Die klusjesman heeft van alles en nog wat aan de woning gedaan. Hij was degene die het werk vooral deed. [geïntimeerde] zorgde voor het eten. De klusjesman kwam met het busje en materialen, wie dat kocht of hoe daar allemaal voor betaald werd weet ik niet. Ik zat bij de zoon van [appellant] in de klas. Zij zijn op een bepaald moment verhuisd. Wanneer dat was weet ik niet meer, we waren jong. Ik kan u niet zeggen of er in de woning mensen woonden die niet bij de familie hoorden. Als u mij vraagt of ik [appellant] wel eens heb zien meewerken met de klusjesman, dan moet ik zeggen nee. [erflater] heb ik wel eens zien meewerken. Destijds heb ik nooit iets gehoord over van wie de woning was of dat daar iets over te doen was. Pas veel later heb ik dat gehoord van de familie, ik weet niet precies van wie. Niet van [appellant] , die ken ik persoonlijk niet. (…) [appellant] vertrok uit de woning omdat die te klein was en omdat de trap lastig was voor zijn gehandicapte zoon. Als u mij vraagt of er wel eens mensen uit de moskee meekwamen die dan in de woning verbleven, kan ik u vertellen dat [erflater] een groot hart had en dat mensen die nergens plek hadden bij hem terecht konden. Ik heb daar nooit betalingen voor gezien. Na het vertrek van [appellant] uit de woning zag ik nog wel eens dat [appellant] en zijn gezin op bezoek kwamen. Ik was zelf bijna dagelijks in de woning van de familie [familienaam] en volgens mij kwam [appellant] met zijn gezin één of twee keer per maand, meestal in de weekenden. Dan kon ik weer met mijn oude klasgenoot [naam2] spelen. (…) Ongeveer in 2020 hoorde ik over de ruzie die was ontstaan over de vraag van wie de woning was. In mijn beleving gedroeg [erflater] zich als eigenaar van de woning. Hij was ook degene die gasten ontving. Ik weet niet anders dan dat hij de hoofdbewoner was. Ik heb nooit geweten dat [appellant] een aandeel in de woning had. Ik dacht dat hij er tijdelijk woonde.”
Op de voet van artikel 179 Rv zijn aan [appellant] vragen gesteld naar aanleiding van het getuigenverhoor, naar aanleiding waarvan hij als volgt heeft verklaard.
“Ik heb gehoord en gelezen wat de getuigen hebben verklaard, vandaag en de vorige keer. Wat ze vertellen klopt niet. Meestal was ik niet degene die meehielp met de werkzaamheden, maar ik heb echt wel eens meegeholpen, bijvoorbeeld met opruimen of het trekken van elektriciteitskabels. Ik werkte samen met mijn vader in een bedrijf. Hij was ziek en kon niet in het bedrijf werken, maar hij werkte wel thuis. De werklieden die hij daarvoor inhuurde werden zwart betaald. Ik gaf geld aan mijn vader en mijn vader betaalde de werklieden. Ik heb alles eigenlijk betaald, niet mijn vader. Het was wel mijn vader die de beslissingen nam over de verbouwingen. Mijn broer heeft gezegd dat ik de 25.000 gulden die ik aan verzekeringsgeld heb ontvangen na de brand voor mijzelf heb gehouden, maar dat is niet waar. Ik heb het gegeven aan mijn vader en die heeft het gebruikt voor de verbouwing. Als u mij vraagt wat ik vind van de getuigenverklaringen die zijn afgelegd dan moet ik u zeggen dat het voor het grootste deel leugens zijn. Het valt me ook op dat de verklaringen met elkaar zijn afgestemd, ik denk dat ze overleg hebben gehad. Ik vind het heel raar wat er allemaal is verklaard, ik denk dat maar 5% waar is. Als u mij vraagt of ik de afgelopen twee weken of eerder op bezoek ben geweest bij de getuigen die gehoord zijn, kan ik u zeggen dat ik geen contact heb gehad. (…) Ik heb mijn vader vanaf 2009 of 2010 eigenlijk niet of nauwelijks meer gezien. In de rechtbank kwam ik hem weer tegen. In de periode dat er nog wel contact was ging ik met hem naar het ziekenhuis en al dat soort dingen. Het klopt dat ik mijn vader heb opgehaald van Schiphol na de bedevaart die hij had gemaakt. Of dat ook nog is gevierd met een diner daarna, dat weet ik niet meer zo goed. Ik heb meneer [naam5] laatst nog wel een keer gesproken, ik denk een week of drie of vier geleden. Dat ging over een privékwestie. Ik wil u niet zeggen waarover dat ging, maar het betrof niet de zaak van vandaag. Ik weet niet meer of [naam4] en [naam7] in 2005 bij mij in Marokko hebben gelogeerd.”
Nadere stukken
Door [geïntimeerde] zijn na het horen van de getuigen nog stukken overgelegd. Het betreft de IB-aangiftes, ingediend door [erflater] , over de jaren 2015-2018. Over 2015 en 2018 staat [erflater] voor ‘100’ genoteerd onder ‘Percentage gerechtigdheid EW’, over 2016 en 2017 is dat ‘50’.
Daarnaast is een transcriptie overgelegd van een opgenomen telefoongesprek van 26 oktober 2025 tussen [geïntimeerde] en [naam14] (waarin is gesproken over bezoeken van [appellant] aan de getuige [naam5] ), met foto’s en uitgewisselde berichten per e-mail en whatsapp over dit onderwerp.
Door [appellant] zijn op schrift gestelde verklaringen overgelegd van:
[naam2] (zoon van [appellant] ) van 5 december 2025
[naam1] (dochter van [appellant] ) van 15 december 2025
[naam15] (ongedateerd) en
[erflater] (broer van [appellant] ) van 12 december 2025.
[appellant] noemt de volgende punten uit deze verklaringen. Door [naam2] en [naam1] is uitdrukkelijk verklaard dat [naam13] nooit bij de familie [familienaam] binnen is geweest. Al helemaal was [naam13] geen vriend van de kinderen van [appellant] , zoals zij beweert. Blijkens de verklaring van [naam2] heeft [naam6] al jaren geen noemenswaardig contact meer met wie dan ook binnen de familie. [naam15] verklaart over de interne verhoudingen binnen de familie geen enkele wetenschap te hebben gehad en daarover dus ook nooit met iemand te hebben gesproken; al helemaal niet in bijzijn van [naam9] . [erflater] verklaart uitdrukkelijk nooit met [naam6] over de eigendomskwestie van de woning te hebben gesproken en daarvoor was ook geen aanleiding: [appellant] was simpelweg mede-eigenaar, dus viel er niets te bespreken.
Overigens wijst [geïntimeerde] er in haar antwoordakte er (terecht) op dat bedoelde verklaring van [erflater] slechts het aanbod bevat om onder ede te komen verklaren.
Bewijswaardering
Voor dit onderdeel van de beoordeling is het volgende van belang. Het bewijs waartoe [geïntimeerde] is toegelaten ziet op de afspraak tussen [erflater] en [appellant] dat hun mede-eigendomsconstructie ten aanzien van de woning is aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar zou gelden. Partijen twisten over de vraag of dit een “papieren constructie” betreft, maar dat betekent niet dat zij het oneens zijn over de bewijskracht van de aktes van koop, levering en hypothecaire geldlening (zie artikel 157 Rv). De mede-eigendom staat op zichzelf namelijk niet ter discussie. Het gaat uitsluitend om de vraag of [erflater] en [appellant] , uitgaande van deze mede-eigendom en de eenvoudige gemeenschap die daardoor door hen is aangegaan, afspraken hebben gemaakt over ieders aandeel in die gemeenschap, waarmee is afgeweken van het wettelijk uitgangspunt (artikel 3:116 BW), dat de aandelen van hen als deelgenoten gelijk zijn. Het bewijs ziet dus op de gestelde overeenkomst dat het aandeel van [erflater] 100% is tegenover 0% van [appellant]
Vast staat dat die gestelde afspraak niet schriftelijk is vastgelegd of overigens (direct) uit stukken blijkt. De totstandkoming van een overeenkomst is echter vormvrij. Aanbod en aanvaarding kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden (art. 3:37 lid 1 BW). Of vader en zoon dit zo hebben afgesproken, is afhankelijk van wat zij over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. De wilsovereenstemming (afspraak) hoeft niet uitdrukkelijk te hebben plaatsgevonden maar kan in elke vorm worden gemaakt en kan ook besloten liggen in een of meer gedragingen. Dat kunnen ook latere gedragingen zijn. Wat er is afgesproken moet worden bepaald aan de hand van de zogenoemde wilsvertrouwensleer (art. 3:33-35 BW). Het gaat dan met name om de geopenbaarde wil die is gericht op het rechtsgevolg en om het opgewekte vertrouwen dat er sprake is van een dergelijke wil. De totstandkoming en uitleg van een overeenkomst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Geen van de door het hof gehoorde getuigen kan uit eigen waarneming of wetenschap verklaren over de door [geïntimeerde] gestelde afspraken die door [erflater] en [appellant] in 1980 zijn gemaakt, toen zij samen de woning kochten en een gezamenlijke hypothecaire lening zijn aangegaan: geen van hen was daarbij aanwezig of heeft daarbij enige (rechtstreekse) betrokkenheid gehad. De getuigen kunnen alleen uit eigen waarneming, wetenschap of indruk verklaren over feiten en omstandigheden van daarna, waaronder de gedragingen van [erflater] en [appellant] over en weer door de jaren heen in verband met de woning (en alle daaraan verbonden lusten en lasten). Bekeken moet worden of aan de hand daarvan het bewijs voor de gestelde afspraak is geleverd.
Voor de wijze waarop de verschillende verklaringen in dit geval tegen elkaar en tegen de overige stukken in het dossier moeten worden afgewogen gelden de volgende uitgangspunten. Omdat [geïntimeerde] op grond van artikel 150 Rv de bewijslast draagt heeft [appellant] al voldoende tegenbewijs geleverd als hij het door [geïntimeerde] geleverde bewijs heeft ontzenuwd. De wet bepaalt verder dat de rechter vrij is in de bewijswaardering (art. 152 lid 2 Rv). Dat wil zeggen dat het hof zelf uitmaakt welke waarde wordt gehecht aan een bepaald bewijsmiddel, of dat nu de bij het hof onder ede afgelegde getuigenverklaringen betreft dan wel de op schrift gestelde verklaringen. Toch is het verschil tussen de getuigenverklaringen wel relevant. De verklaringen van de door [geïntimeerde] voortgebrachte getuigen zijn afgelegd onder ede, in het bijzijn van de wederpartij en het van hof. Daarbij heeft de mogelijkheid bestaan over en weer om aan de hand van vragen helderheid over de feiten en over de waarneming en de betrouwbaarheid van de getuige te verkrijgen. Dat is bij de door [appellant] ingebrachte schriftelijke verklaringen allemaal niet het geval geweest, wat van invloed is op de waardering van het bewijs. Verder is van belang dat [geïntimeerde] als partij-getuige is gehoord. Nu het onderhavig hoger beroep vóór 1 januari 2025 aanhangig is gemaakt geldt artikel 164 lid 2 (oud) Rv: haar verklaring kan omtrent de door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Ten slotte wordt ook rekening gehouden met het belang dat sommige getuigen hebben bij de uitkomst van deze zaak.
Waar op zichzelf geen discussie over bestaat, is dat het [erflater] in 1980 niet was gelukt om de financiering van de aankoop van de woning rond te krijgen op basis van zijn eigen inkomen en middelen alleen, en dat dit wel lukte toen de aankoop en hypotheek met [appellant] gezamenlijk werd aangegaan. Deze aanleiding kan een aanwijzing zijn dat de formele mede-eigendom in de rechtsverhouding tussen partijen een andere strekking had dan het verwerven van gelijke aandelen. Volgens [appellant] was het mogelijk maken van de financiering weliswaar de aanleiding voor de mede-eigendom, maar waren hij en zijn vader van plan om er allebei te gaan wonen en dus om werkelijk samen eigenaar van de woning te zijn. Het hof acht die omstandigheid op zichzelf niet op zichzelf niet redengevend in de zin die [appellant] voorstaat, omdat niet alleen hij maar alle kinderen van [erflater] de woning betrokken. In zoverre was zijn positie niet anders, behalve dat hij ouder was dan de andere kinderen en over eigen inkomen beschikte.
Volgens [geïntimeerde] heeft [erflater] vanaf de aanschaf van de woning altijd alle aan de eigendom van de woning verbonden kosten betaald, zoals de aflossing van de hypothecaire geldlening (waarvoor de uitkering van de opstalverzekering is aangewend), vergunningen, verzekeringspremies en belastingheffingen en de kosten voor de wederopbouw van de woning na de brand, onder verwijzing naar overgelegde bewijsstukken daarvan. Volgens [geïntimeerde] was het steeds [erflater] en niet [appellant] die al die jaren moeite, tijd en geld heeft gestoken in het onderhoud en opknappen van de woning. Dit alles is nader onderbouwd met de hierboven aangehaalde verklaringen van de bij het hof gehoorde getuigen. [appellant] betwist dat dit alles zo is, maar hij heeft onvoldoende weerlegd of ontzenuwd wat daartoe aan bewijs is aangedragen.
Ook blijkt overtuigend uit het aangedragen bewijs dat uitsluitend [erflater] bepaalde wat er met de woning gebeurde, wie er verbleef en wat er aan onderhoud en renovatie werd gedaan. [appellant] erkent dat ook met zoveel woorden.
Uit hetgeen over en weer is verklaard en toegelicht, ook in getuigenverklaringen, volgt dat [appellant] in de periode dat hij nog in de woning verbleef maandelijks of in elk geval regelmatig contant geld aan zijn vader gaf. Anders dan [appellant] aanvoert heeft de rechtbank in het bestreden vonnis slechts vermeld dat [appellant] (eerst) tijdens de mondelinge behandeling naar aanleiding van vragen heeft verklaard dat deze bijdrage NLG 600 per maand was, en niet als feit vastgesteld dat dit zo was. Duidelijk is dat partijen het over de hoogte en frequentie van die bijdragen niet eens zijn. [appellant] heeft ook in hoger beroep geen nadere onderbouwing van de hoogte en frequentie van de bijdrage gegeven. Onduidelijk is ook waar het gestelde bedrag van NLG 600 op gebaseerd was.
De vraag is of hij de door hem verrichte betalingen (hoeveel en hoe vaak ook) als mede-eigenaar deed, als bijdrage in de eigenaarslasten, of dat dit een vergoeding betrof voor de inwoning. [appellant] komt in hoger beroep op tegen de vastlegging in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, dat hij zou hebben erkend huurpenningen te hebben betaald, voor zover dit door de rechtbank in de beoordeling is betrokken. Ook als hij op dit punt gelijk zou hebben volgt het hof [appellant] niet in de gevolgtrekking die hij hieraan verbindt. Dat [appellant] gedurende de tijd dat hij nog in de woning verbleef enige (maandelijkse) bijdrage heeft geleverd is op zichzelf onvoldoende indicatie dat hij als mede-eigenaar heeft meebetaald, omdat ook door zijn inwonende broer of langer verblijvende gasten een bijdrage in de kosten werd geleverd. Dat de bijdrage van [appellant] groter was (vanwege zijn verplichtingen als mede-eigenaar) of meer omvatte dan deze betalingen is niet gebleken. Dat de betalingen veeleer een vergoeding voor de kosten van inwoning betroffen dan een bijdrage als mede-eigenaar wordt onderstreept door het onweersproken gegeven dat [appellant] na zijn vertrek uit de woning in 1993 direct is gestopt met het leveren van enige (financiële) bijdrage.
Volgens [geïntimeerde] heeft [erflater] steeds bij de belastingaangifte vermeld dat hij 100% gerechtigd was tot de woning, tot naar aanleiding van de discussie met [appellant] en het bestuderen van de aktes overleg is gevoerd met de belastingdienst. Daarna is in de belastingaangifte over 2016 en 2017 [erflater] voor het eerst als gerechtigde voor 50% vermeld. [appellant] op zijn beurt heeft nooit in zijn belastingaangiftes vermeld dat hij gerechtigd was tot de woning. [geïntimeerde] onderbouwt dit alles met stukken en getuigenverklaringen. Dit is door [appellant] niet (gemotiveerd) weersproken en evenmin van een uitleg voorzien die zich verhoudt met zijn standpunt over de gelijke aandelen in de onderlinge rechtsverhouding als mede-eigenaars van de woning.
Niet is in discussie dat het initiatief tot het beëindigen van de mede-eigendom bij [appellant] lag. Volgens [appellant] was de reden daarvoor dat hij ontdekte, doordat hij daarop door de gemeente [gemeentenaam] was aangeschreven, dat [erflater] de woning gebruikte voor kamergewijze verhuur. Naar aanleiding van die aanschrijving is [appellant] zich gaan beraden over zijn aandeel in de woning en heeft hij juridisch advies ingewonnen. Tegelijk liet kennelijk ook [erflater] zich adviseren, waarop de (toenmalige) advocaat van [erflater] [appellant] heeft aangeschreven met het verzoek om medewerking te verlenen aan de verdeling van de woning, aldus [appellant] Overigens is deze aanschrijving door de gemeente niet in het geding gebracht en weerspreekt [geïntimeerde] (gemotiveerd) de kamersgewijze verhuur. Volgens [geïntimeerde] wilde [appellant] de formele mede-eigendom beëindigen omdat hij er nadelen van ondervond, zoals het mislopen van toeslagen, wat met enkele van de hierboven aangehaalde getuigenverklaringen is onderbouwd. Hoe dan ook lijkt de aanleiding voor deze stap aan de zijde van [appellant] zoals hij die aan [erflater] en/of overige familieleden kenbaar heeft gemaakt te zijn gelegen in praktische/financiële nadelen die hij ondervond omdat hij nog als eigenaar te boek stond. Daaruit is af te leiden dat hij het al die tijd geen probleem had gevonden om slechts formeel mede-eigenaar te zijn, zolang hij er geen last (kosten, verplichtingen of andere nadelen) van had. Pas toen [erflater] aan zijn bezwaren tegemoet wilde komen door te gaan regelen dat de tenaamstelling werd gewijzigd (door middel van een verdeling zonder vergoeding) bleek dat [appellant] zich gerechtigd achtte tot de helft van de waarde van de woning. Dit was, zo blijkt uit alles wat over en weer is aangedragen en onderbouwd, de eerste keer sinds tientallen jaren dat er tussen vader en zoon enig contact was over de woning.
Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van het hof bewezen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie ten aanzien van de woning zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar zou gelden. Deze overeenkomst blijkt uit hun daarmee consistente gedragingen over en weer gedurende de periode van tientallen jaren vanaf de aanschaf van de woning tot de tenaamstelling van de woning en de verdeling voor het eerst ter discussie kwam te staan.
Verdere beoordeling
Zoals onder 3.5 in het tussenarrest is overwogen betekent het voorgaande (dat [geïntimeerde] in het bewijs is geslaagd) dat is komen vast te staan dat uit de rechtsverhouding tussen [erflater] en [appellant] voortvloeit dat het aandeel van [erflater] in de eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de woning 100% was tegenover het aandeel van [appellant] dat 0% was. Dit betekent dat de (vaststelling van de wijze van) verdeling, waarbij de woning is toegedeeld aan [erflater] zonder vergoeding aan [appellant] , in stand blijft, net als de afwijzing van de vorderingen van [appellant] ten aanzien van de (andere wijze van) verdeling, de verklaring voor recht ten aanzien van ongerechtvaardigde verrijking en veroordeling tot betaling van € 519.000 met rente en kosten.
Het bestreden vonnis is ten uitvoer gelegd. Op 1 augustus 2023 heeft de levering van (het aandeel van [appellant] in) de woning aan [erflater] plaatsgevonden, met inschrijving hiervan in de openbare registers op 2 augustus 2023. De kosten van de levering zijn door partijen bij helfte (ieder € 710,05) gedragen. De aanvullende vordering in hoger beroep tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter betekening en uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, met rente, zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
Dat [erflater] in de rechtsverhouding met [appellant] (de eenvoudige gemeenschap van mede-eigendom van de woning) een aandeel van 100% had, zoals bewezen, brengt met zich dat de “lasten en lusten” verbonden aan de eigendom van de woning geheel voor [erflater] waren. Nu de toedeling van de woning aan [erflater] (zonder enige vergoeding aan [appellant] ) in stand blijft komt het hof niet toe aan de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] tot betaling van € 265.195,51 aan “vergoedingsrechten”, met rente en kosten. In de toelichting op haar hoger beroep heeft [geïntimeerde] immers geschreven dat alléén voor zover in hoger beroep wordt geoordeeld tot een andere verdelingswijze dan door de rechtbank vastgesteld of in elk geval gegrondverklaring van het hoger beroep van [appellant] op dit punt, zij alsnog toewijzing van deze geldvorderingen wenst.
Dat laatste betekent ook dat aan de eerste grief van [geïntimeerde] geen afzonderlijk belang meer toekomt en deze dus geen inhoudelijke bespreking (meer) behoeft. Deze grief ziet namelijk op rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis, die gaat over de tenaamstelling van de opstal- en inboedelverzekering die met betrekking tot de woning zijn afgesloten. Deze grief lijkt met niets anders verband te houden dan met de door [appellant] ontvangen uitkering van NLG 25.000 van de inboedelverzekering (in verband met de brand in de woning in 1981), waarvan de helft werd teruggevorderd (omgerekend naar euro’s en met 50% inflatiecorrectie). Dit bedrag is echter begrepen in het gevorderde bedrag van € 265.195,51. Zoals hiervoor is overwogen is de voorwaarde die aan die vordering is verbonden niet vervuld en ligt deze vordering dus niet voor.
De conclusie
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet en op het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep van [geïntimeerde] hoeft niet te worden beslist. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 24 mei 2023;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt en
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, J.U.M van der Werff en S. Kuijpers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.