GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.333
zaaknummer rechtbank Gelderland 417667
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
1. [appellant1]
2. [appellant2]
die wonen in [woonplaats] , Duitsland
advocaat: mr. L.M. Bischof
en
Bungalowpark “Horsterland” B.V.
die is gevestigd in Lathum, gemeente Zevenaar
advocaat: mr. J.P. Hoegee
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant1] en [appellant2] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 27 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het rolbericht van 11 februari 2025
het rolbericht van 30 januari 2026
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 februari 2026 is gehouden.
2. De kern van de zaak
[appellant2] kocht van Horsterland een kavel op een vakantiepark met daarop een chalet (hierna: het oude chalet). Horsterland heeft het oude chalet aan een derde verkocht. Volgens [appellant2] was dat zonder zijn toestemming. Hij vindt dat Horsterland onder andere onrechtmatig heeft gehandeld en vordert in deze procedure schadevergoeding. Daarnaast wil [appellant2] een deel van de parkbijdrage over 2022 niet betalen.
[appellant2] heeft bij de rechtbank in conventie onder andere een schadevergoeding gevorderd van € 49.995 voor de waarde van het oude chalet, € 7.652 voor de voor de aankoop gemaakte kosten en een gebruiksvergoeding van € 25,- per dag dat het oude chalet in de macht is van Horsterland of derden. Daarnaast heeft [appellant2] een verklaring voor recht gevorderd dat Horsterland onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor alle daardoor geleden en nog te lijden schade. Ook heeft hij vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [appellant2] heeft verder gevorderd te verklaren voor recht dat Horsterland niets meer van hem te vorderen heeft en het in gang gezette incassotraject binnen drie dagen moet staken op straffe van een dwangsom. In reconventie heeft Horsterland bij de rechtbank gevorderd dat [appellant2] wordt veroordeeld tot betaling aan Horsterland van € 1.279,90 voor de parkbijdrage 2022.
De rechtbank heeft geoordeeld dat Horsterland het oude chalet onbevoegd en daarmee onrechtmatig heeft verkocht en geleverd aan een derde en dat Horsterland daarom een schadevergoeding van € 4.000 aan [appellant2] moet betalen plus € 397,08 aan buitengerechtelijke incassokosten. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant2] het gevorderde bedrag van € 1.279,20 aan Horsterland verschuldigd is, maar heeft dit bedrag verrekend met het door Horsterland aan [appellant2] te betalen bedrag. De rechtbank heeft Horsterland daarom veroordeeld tot betaling aan [appellant2] van € 3.117,88. De proceskosten zijn in conventie en in reconventie gecompenseerd. De overige vorderingen zijn afgewezen.
De bedoeling van het door [appellant2] ingestelde hoger beroep is dat alsnog een verklaring voor recht wordt gegeven dat Horsterland onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant2] , dat de door Horsterland te betalen schadevergoeding wordt vastgesteld op € 49.995 voor het oude chalet plus een gebruiksvergoeding van € 25,- per dag en wettelijke rente vanaf oktober 2021, dat Horsterland € 1.274,95 plus wettelijke rente aan buitengerechtelijke kosten moet betalen en dat de vordering in reconventie alsnog wordt afgewezen. De bedoeling van het door Horsterland ingestelde hoger beroep is dat het oordeel van de rechtbank dat Horsterland onrechtmatig heeft gehandeld niet in stand blijft. Volgens Horsterland was zij het bedrag van € 4.000 voor het oude chalet aan [appellant2] verschuldigd, omdat afgesproken was dat zij het oude chalet voor dat bedrag voor [appellant2] aan een derde zou verkopen. Daarom vordert Horsterland geen terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis van de rechtbank aan [appellant2] heeft betaald.
Het hof zal beslissen dat Horsterland aan [appellant2] een schadevergoeding van € 23.720,80 voor het oude chalet plus € 1.012,21 aan buitengerechtelijke kosten moet betalen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in conventie dus deels in stand en beslist voor een deel anders. Het vonnis van de rechtbank in reconventie laat het hof in stand.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
[appellant2] en [appellant1] wonen in Duitsland, waardoor de zaak een internationaal karakter heeft. Het hof moet daarom ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is. Omdat [appellant2] en [appellant1] in een EU-land wonen, moet deze vraag worden beantwoord aan de hand van de Brussel I bis-verordening. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan in dit geval in conventie worden gebaseerd op artikel 4 lid 1 van die verordening, aangezien Horsterland in Nederland is gevestigd. In reconventie kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval worden gebaseerd op artikel 7 lid 1 onder a van de verordening, omdat de verbintenis tot betaling van de parkbijdrage in Nederland moet worden uitgevoerd.
Het hof hoeft niet ambtshalve te oordelen over het toepasselijk recht. Tegen de toepassing van het Nederlands recht door de rechtbank zijn geen bezwaren naar voren gebracht, zodat het hof ook Nederlands recht zal toepassen.
Door [appellant1] ingestelde hoger beroep
Het hof zal [appellant1] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, aangezien de rechtbank in het vonnis geen eindbeslissing ten aanzien van haar heeft genomen waartegen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank heeft de door [appellant1] ingestelde vorderingen verwezen naar de kantonrechter. Tegen het vervolgens door de kantonrechter van de rechtbank Gelderland op 25 september 2024 gewezen vonnis heeft [appellant1] hoger beroep ingesteld, waarop vandaag bij afzonderlijk arrest wordt beslist (zaaknummer 200.348.955).
De feiten
Horsterland exploiteert meerdere recreatieparken, waaronder het park ‘Rhederlaagse Meren’ in Lathum, gemeente Zevenaar (hierna: het recreatiepark). [appellant2] is de zoon van [appellant1] .
[appellant2] kocht op 1 juni 2021 van Horsterland een op het recreatiepark gelegen kavel met daarop het oude chalet voor een bedrag van € 79.995. De levering vond plaats op 12 juli 2021. In de leveringsakte zijn delen van de toepasselijke algemene voorwaarden geciteerd, waaronder de bepaling dat de koper per kalenderjaar een parkbijdrage verschuldigd is aan Horsterland.
[appellant1] kocht eveneens op 1 juni 2021 van Horsterland een nieuw chalet en wilde dit chalet plaatsen op de kavel van [appellant2] . Partijen waren van plan het oude chalet te plaatsen op een door [appellant2] en/of [appellant1] te pachten kavel op het recreatiepark. Daags na de aankopen door [appellant2] en [appellant1] liet Horsterland hen weten dat er geen te pachten kavel meer beschikbaar is.
In oktober 2021 werd het nieuwe chalet aan [appellant1] geleverd en geplaatst op de kavel van [appellant2] . Om ruimte te maken op de kavel plaatste Horsterland in overleg met [appellant2] het oude chalet op de parkeerplaats van het recreatiepark.
In juni 2022 plaatste Horsterland het oude chalet op een kavel van het recreatiepark, waarna het oude chalet door of in opdracht van haar werd gerenoveerd. Op enig moment na de renovatie verkocht Horsterland het oude chalet aan een derde.
[appellant2] was eigenaar van het oude chalet
[appellant2] vordert schadevergoeding van Horsterland op grond van onrechtmatige daad. Hij stelt dat Horsterland onrechtmatig heeft gehandeld door zijn oude chalet zonder zijn toestemming te verplaatsen van de parkeerplaats van het recreatiepark naar een kavel, te renoveren en te verkopen en leveren aan een derde. Eén van de voorwaarden voor toewijzing van de vordering is dat [appellant2] eigenaar was van het oude chalet ten tijde van de renovatie en de verkoop en levering aan een derde. Volgens het hof was dit het geval. Dit zal hierna worden toegelicht.
Vast staat dat [appellant2] op 12 juli 2021 eigenaar is geworden van het oude chalet en dat hij dit ook nog was op het moment dat het oude chalet in oktober 2021 werd geplaatst op de parkeerplaats van het recreatiepark.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Horsterland betoogd dat zij op enig moment tussen oktober 2021 en juni 2022 eigenaar is geworden van het oude chalet in ruil voor (een deel van) de kosten van de aanleg van de tuin bij het nieuwe chalet. Het hof vat dit op als een nieuwe grief. Horsterland heeft deze stelling bij de rechtbank namelijk ook ingenomen en de rechtbank heeft in overweging 4.19.6 van het vonnis geoordeeld dat Horsterland onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij met [appellant2] is overeengekomen dat de eigendom van het oude chalet aan Horsterland zou worden overgedragen. In de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep heeft Horsterland erkend dat in rechte niet is komen vast te staan dat de afspraak is gemaakt dat de kosten van de aanleg van de tuin zouden worden verrekend met de opbrengst van het oude chalet. Daarbij heeft Horsterland opgemerkt dat de gestelde afspraak niet meer zo relevant is in deze procedure. Horsterland heeft in het incidenteel hoger beroep dan ook geen grief ingesteld tegen overweging 4.19.6 van het vonnis van de rechtbank en heeft zich in plaats daarvan op het standpunt gesteld dat is afgesproken dat zij het chalet voor [appellant2] aan een derde zou verkopen voor een bedrag van € 4.000. Door zich ter zitting dan alsnog te beroepen op de door haar gestelde afspraak over de tuin waardoor Horsterland eigenaar zou zijn geworden van het chalet, handelt Horsterland in strijd met de zogeheten tweeconclusieregel. Die regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan – in dit geval – de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep zijn aangevoerd. Op deze regel zijn uitzonderingen aanvaard, maar niet gesteld of gebleken is dat een van die uitzonderingen van toepassing is. [appellant2] heeft geen ondubbelzinnige toestemming gegeven om de grief alsnog in de rechtsstrijd te betrekken, er is geen sprake van strijd met de goede procesorde en de aard van de procedure rechtvaardigt ook geen uitzondering. Dit betekent dat het hof aan deze nieuwe grief van Horsterland voorbij zal gaan.
Andere omstandigheden waarom [appellant2] ten tijde van de verkoop en levering van het oude chalet aan een derde geen eigenaar meer zou zijn van het chalet, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat [appellant2] tot de verkoop en levering van het oude chalet door Horsterland aan een derde – en dus ook ten tijde van de verplaatsing en renovatie van het oude chalet – eigenaar was van dat chalet.
Horsterland mocht het oude chalet niet voor [appellant2] verkopen en leveren aan een derde
De volgende vraag is of Horsterland – zoals zij stelt en [appellant2] betwist – het oude chalet voor [appellant2] mocht verkopen aan een derde. De stelplicht en bewijslast van dit bevrijdende verweer rust op Horsterland.
Aangezien [appellant2] eigenaar was van het oude chalet kon alleen hij afspraken maken over een eventuele verkoop hiervan door Horsterland. Horsterland stelt weliswaar dat ‘partijen’ hebben afgesproken dat Horsterland het chalet voor [appellant2] zou verkopen, maar hij licht niet toe hoe en wanneer het contact met [appellant2] hierover heeft plaatsgevonden. Dit terwijl [appellant1] zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaart dat het gesprek over de Poolse opkoper waarin het bedrag van € 4.000 is genoemd alleen met haar is gevoerd, buiten aanwezigheid van [appellant2] . En dit wordt ook bevestigd door de door Horsterland bij de rechtbank overgelegde schriftelijke verklaringen van 23 mei 2023 van de heer [naam 1] (parkbeheerder bij het recreatiepark) en de heer [naam 2] (onafhankelijk verkoopadviseur bij het recreatiepark). Hierin is namelijk te lezen dat in het bijzijn van [appellant1] , de heer [naam 3] (directeur van Horsterland) en de heren [naam 1] en [naam 2] is afgesproken:
‘(…)
1. De oude (dubbele) sta-caravan van [appellant1] zou verkocht worden voor een minimum bedrag van EUR 4.000,-- (exclusief 21% BTW)
(…)’
Hiermee heeft Horsterland onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij met [appellant2] afspraken heeft gemaakt over de verkoop van het chalet door Horsterland voor [appellant2] voor een bedrag van € 4.000. De enkele verwijzing naar een later opgestelde brief van de advocaat van [appellant2] en [appellant1] , waarin wordt bevestigd dat is tussen Horsterland en [appellant1] en [appellant2] is afgesproken dat Horsterland het chalet voor € 4.000 zou verkopen aan een Pools bedrijf, is een onvoldoende onderbouwing van deze stelling. [appellant2] heeft immers uitgelegd dat deze passage berust op een onzorgvuldigheid van zijn advocaat en dat bedoeld was te schrijven dat er beginselovereenstemming was bereikt tussen [appellant1] en Horsterland, maar dat de nog benodigde toestemming van [appellant2] hiervoor nooit is gegeven. Van Horsterland mag, nu door [appellant2] gemotiveerd is betwist dat met hem een afspraak over de verkoop door Horsterland is gemaakt, worden verwacht dat zij concreet maakt wanneer hierover met [appellant2] contact is geweest en waaruit volgt dat er met hem overeenstemming hierover is bereikt. Dit heeft Horsterland niet gedaan en daarom is haar stelling, tegenover de betwisting van [appellant2] onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Het hof komt dan niet aan bewijslevering toe.
Voor zover Horsterland heeft bedoeld te stellen dat [appellant1] namens [appellant2] deze afspraak heeft gemaakt en ook mocht maken, volgt het hof haar hierin niet. Horsterland heeft gewezen op de volgende passage in de brief van de advocaat van [appellant1] en [appellant2] van 7 juli 2022:
‘(…)
Cliënten gebruiken beide zaken [het oude en het nieuwe chalet, toevoeging hof] echter gezamenlijk en verlenen elkaar voor zover nodig over een weer een uitdrukkelijke volmacht namens elkander te mogen optreden; reden waarom zij in het kader van dit geschil ook gezamenlijk optreden.
(…)’
Maar deze brief is van na het moment waarop de gestelde afspraak is gemaakt, zodat alleen al om die reden hieruit niet kan worden afgeleid dat [appellant1] genoemde afspraak namens [appellant2] mocht maken dan wel dat Horsterland hierop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Andere omstandigheden waarom hiervan sprake zou zijn, zijn niet gesteld of gebleken.
Horsterland heeft onrechtmatig gehandeld
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dus dat [appellant2] ten tijde van de verkoop van het oude chalet aan een derde nog eigenaar van dat chalet was en dat onvoldoende is gesteld dat er een afspraak was op grond waarvan Horsterland het oude chalet voor [appellant2] mocht verkopen aan een derde. Door dit dan toch te doen, handelde Horsterland in strijd met het eigendomsrecht van [appellant2] en dit is onrechtmatig. Hetzelfde geldt voor het zonder toestemming van [appellant2] renoveren van het oude chalet. Aangezien dit alles te wijten is aan de schuld van Horsterland is zij verplicht de schade die [appellant2] hierdoor lijdt te vergoeden.
Schadevergoeding: wel waarde chalet, geen gebruiksvergoeding
[appellant2] lijdt schade door de onrechtmatige daad van Horsterland, want hij beschikt door toedoen van Horsterland niet meer over het oude chalet. De schade moet worden begroot op de waarde van het oude chalet in de staat waarin het door Horsterland in juni 2022 van de parkeerplaats van het recreatiepark is gehaald, aangezien het niet meer mogelijk is om het oude chalet in de staat waarin het in juni 2022 verkeerde aan [appellant2] terug te geven.
Partijen zijn het niet eens over welke waarde het oude chalet toen had. [appellant2] stelt dat de waarde € 49.995 is, omdat hij voor de aankoop van de kavel met het oude chalet € 79.995 heeft betaald en Horsterland bij een poging tot verkoop van de kavel met het nieuwe chalet in de verkooptekst de kavel voor € 30.000 heeft aangeboden. De waarde van het oude chalet is volgens [appellant2] het verschil tussen de twee laatstgenoemde bedragen. Volgens Horsterland is dit niet juist, omdat bij de poging tot verkoop van de kavel met het nieuwe chalet de prijs voor de kavel bewust laag is gehouden. Als eventuele kopers dan alleen het nieuwe chalet wilden kopen en niet de grond, zouden [appellant1] en [appellant2] toch een zo hoog mogelijk bedrag ontvangen. Horsterland stelt dat de waarde van het oude chalet € 4.000 bedraagt. Maar tijdens de mondelinge behandeling heeft hij erkend dat die waarde uit zijn eigen koker komt en niet door bijvoorbeeld een Poolse opkoper is geboden. Dit biedt daarom geen aanknopingspunt voor het schatten van de waarde. Ter zitting verklaarde Horsterland dat kavels op het recreatiepark die een vergelijkbare omvang en ligging hebben als de kavel van [appellant2] voor ongeveer € 50.000 à € 60.000 worden verkocht, dat de prijzen van kavels in 2021 vergelijkbaar waren en dat het restant van de door [appellant2] betaalde aankoopprijs minus de verplaatsingskosten van € 3.000 dus is betaald voor het oude chalet.
Het hof kan de waarde van het oude chalet niet nauwkeurig vaststellen, omdat het oude chalet door Horsterland is gerenoveerd. Partijen zijn het erover eens dat het chalet daardoor zodanig is veranderd dat de waarde nu niet kan worden bepaald door een taxatie van het oude chalet. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep merkte Horsterland op nog te beschikken over foto’s van het oude chalet van voor de renovatie, maar het hof ziet daarin geen aanleiding om een deskundige te benoemen omdat te onduidelijk is of op basis daarvan de waarde kan worden bepaald. Ook stelt Horsterland niet meer te weten voor welk bedrag zij het oude chalet in of na juni 2022 heeft verkocht en voor welk bedrag het is gerenoveerd, zodat het ook niet mogelijk is om aan de hand van die bedragen een inschatting te (laten) maken van de waarde van het oude chalet ten tijde van de verplaatsing van de parkeerplaats.
Omdat de waarde van het oude chalet niet meer nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof – zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken – de waarde op grond van artikel 6:97 BW schatten. Het hof schat de waarde van het oude chalet op € 25.000. Daarbij gaat het hof uit van de door [appellant2] betaalde aankoopprijs voor de kavel met het oude chalet van € 79.995, de door Horsterland genoemde waarde van vergelijkbare kavels op het recreatiepark van € 50.000 à € 60.000 en de kosten voor verplaatsing van het oude chalet van ongeveer € 3.000. [appellant2] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de waarde van zijn kavel in de verkooptekst om de door Horsterland genoemde reden kunstmatig laag is gehouden, zodat het hof het niet juist acht om bij de schatting uit te gaan van de door [appellant2] genoemde waarde van de kavel van € 30.000. Ook heeft [appellant2] de door Horsterland genoemde waarde van vergelijkbare kavels op het recreatiepark en de kosten voor verplaatsing van het oude chalet niet betwist. Omdat het door toedoen van Horsterland niet meer mogelijk is om de waarde van het oude chalet nauwkeurig vast te stellen, acht het hof het redelijk om bij de schatting dichter aan te sluiten bij de onderkant van de door Horsterland genoemde range van waarden van vergelijkbare kavels dan bij de door haar genoemde hogere waarde en stelt die waarde daarom vast op het genoemde bedrag.
[appellant2] kan daarnaast geen aanspraak maken op een gebruiksvergoeding van € 25,- per dag dat het oude chalet in de macht is van Horsterland of derden. Vast staat dat het oude chalet in de periode van oktober 2021 tot Horsterland het chalet in juni 2022 verplaatste op de parkeerplaats van het recreatiepark stond en dat [appellant2] het niet gebruikte. [appellant2] heeft niet gesteld dat hij van plan was het oude chalet op korte termijn wel te gaan gebruiken. Hij heeft dus niet voldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden doordat hij het oude chalet niet meer kon gebruiken.
Horsterland moet dus een schadevergoeding van € 25.000 aan [appellant2] betalen. In reconventie doet [appellant2] een beroep op verrekening. Omdat de vordering in reconventie van Horsterland en het beroep van [appellant2] op verrekening slaagt, moet Horsterland per saldo € 23.720,80 aan [appellant2] betalen (€ 25.000 min het in reconventie gevorderde bedrag van € 1.279,20).
De door [appellant2] gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 23.720,80 zal worden toegewezen met ingang van 13 juni 2022. Uit de overgelegde e-mail van [appellant1] aan Horsterland van die datum blijkt namelijk dat het oude chalet op of kort voor die datum was verplaatst van de parkeerplaats naar het recreatiepark en dat begonnen was met de renovatie. Op dat moment schond Horsterland dus het eigendomsrecht van [appellant2] en was hij van rechtswege in verzuim. De gevorderde wettelijke rente over de daarvoor liggende periode zal als niet op de wet gegrond worden afgewezen.
Geen belang bij verklaring voor recht dat Horsterland onrechtmatig heeft gehandeld
Omdat de door [appellant2] geleden schade als gevolg van de onrechtmatige daad van Horsterland in dit arrest wordt toegewezen, zal de gevorderde verklaring voor recht dat Horsterland onrechtmatig heeft gehandeld worden afgewezen. Niet is gebleken dat [appellant2] nog een ander belang heeft bij deze verklaring voor recht dan het verkrijgen van een schadevergoeding, terwijl ook niet aannemelijk is geworden dat er nog andere schadeposten zijn dan de hiervoor besproken schadeposten.
Buitengerechtelijke incassokosten
Er zijn geen grieven ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant2] recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, zodat het hof hiervan uitgaat. Wel heeft [appellant2] in hoger beroep gevorderd een bedrag van € 1.274,95 aan buitengerechtelijke kosten toe te wijzen in plaats van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 397,08. Het hof sluit voor de hoogte van de buitengerechtelijk kosten aan bij de staffel in het Besluit vergoeding voor buitenrechtelijke kosten, waarbij wordt gerekend met het uiteindelijk toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding van € 23.720,80. Dit leidt tot een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van €1.012,21. Horsterland zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [appellant2] te betalen.
[appellant2] heeft in hoger beroep in de memorie van grieven gevorderd om de buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente ‘vanaf de dag van betekening van deze dagvaarding’. Mogelijk heeft hij hiermee de datum van dagvaarding in de procedure bij de rechtbank bedoeld, maar dit is onvoldoende duidelijk. Anderzijds acht het hof het niet aannemelijk dat [appellant2] de datum van dagvaarding in hoger beroep dan wel de datum van de memorie van grieven heeft bedoeld en dat hij zijn vordering op dit punt in hoger beroep dus heeft verminderd. Het hof zal daarom uitgaan van de bij de rechtbank door [appellant2] gevorderde ingangsdatum voor de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, te weten de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis van de rechtbank. Dit zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Het vonnis van de rechtbank is van 27 maart 2024, zodat Horsterland vanaf 11 april 2024 de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen.
Reconventie: parkbijdrage 2022 en verrekening
Horsterland vordert betaling van het openstaande deel van de parkbijdrage 2022 van € 1.279,20, omdat [appellant2] als eigenaar van een kavel jaarlijks de parkbijdrage verschuldigd is. [appellant2] betwist dit. Hij stelt dat de bijdrage een vergoeding is voor het gebruik van het park en dat de in 2022 in rekening gebrachte parkbijdrage moet worden verrekend met de door hem in 2021 betaalde parkbijdrage. In 2021 kon [appellant2] naar eigen zeggen namelijk geen gebruik maken van het recreatiepark, omdat Horsterland het nieuwe chalet van [appellant1] een paar maanden later heeft geleverd dan was overeengekomen.
Het hof is van oordeel dat [appellant2] de door Horsterland in rekening gebrachte parkbijdrage over 2022 volledig moet betalen en dat hij dit niet kan verrekenen met de door hem betaalde parkbijdrage over een deel van 2021. Uit de in de leveringsakte geciteerde algemene voorwaarden volgt dat de koper van een kavel per kalenderjaar een parkbijdrage verschuldigd is aan Horsterland. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de mate van gebruik van het park door een koper. Anders dan [appellant2] veronderstelt, betreft de parkbijdrage niet alleen een vergoeding voor werkzaamheden en diensten die gekoppeld zijn aan het gebruik van het park door hem. De in de algemene voorwaarden genoemde werkzaamheden en diensten (zoals het ophalen van vuilnis bij de chalets, het schoon- en vrijhouden van de wegen en paden, het algemeen toezicht op het park en de verlichting van de wegen en paden van het park) zijn (ook) voor hem als eigenaar van belang, ook als hij een bepaalde periode geen gebruik maakt van het park.
[appellant2] moet dus het gevorderde bedrag van € 1.279,20 aan Horsterland betalen. Maar [appellant2] heeft een beroep gedaan op verrekening van dit bedrag met de door Horsterland aan hem te betalen schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van € 25.000, waartegen Horsterland zich niet heeft verweerd. Hierdoor is de vordering van [appellant2] op Horsterland verminderd met € 1.279,20 en is de vordering van Horsterland op [appellant2] tot dit bedrag teniet gegaan. De vordering van Horsterland moet daarom worden afgewezen.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [appellant1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep, zal het hof [appellant1] tot betaling van de hiermee gemoeide proceskosten van Horsterland in hoger beroep veroordelen. Deze proceskosten worden begroot op nihil, omdat Horsterland geen inspanningen heeft verricht en dus geen proceskosten heeft gemaakt die zien op een betwisting van de vorderingen van [appellant1] . Omdat Horsterland in het ongelijk zal worden gesteld in het door [appellant2] ingestelde principaal hoger beroep en het door Horsterland ingestelde incidenteel hoger beroep, zal het hof Horsterland tot betaling van de proceskosten van [appellant2] in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof ziet geen aanleiding voor een andere beslissing over de proceskosten in eerste aanleg.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
verklaart [appellant1] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 maart 2024, behalve de beslissing onder 5.4. waarin Horsterland wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant2] van € 3.117,88 (€ 2.720,80 + € 397,08), vernietigt het vonnis in zoverre en:
veroordeelt Horsterland tot betaling aan [appellant2] van € 24.733,01 (€ 23.720,80 + € 1.012,21), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 23.720,80 vanaf 13 juni 2022 en over € 1.012,21 vanaf 11 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [appellant1] tot betaling van de proceskosten van Horsterland in het door haar ingestelde principaal hoger beroep en begroot die proceskosten op nihil;
veroordeelt Horsterland tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in het principale en incidentele hoger beroep:
€ 798,00 aan griffierecht
€ 139,41 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Horsterland
€ 4.175,00 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief III);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.I. Geerling, F.J. de Vries en S.C.P. Giesen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.