ECLI:NL:GHARL:2026:2636

ECLI:NL:GHARL:2026:2636

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 200.345.587
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Erfrecht en erfprocesrecht. Schuldeiser van de nalatenschap dagvaardt erfgenamen en roept de benoemde vereffenaar als derde op in dit geding. Is de wijze van procederen van de schuldeiser in strijd met eisen van een goede procesorde? Hof bepaalt mondelinge behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.345.587

zaaknummer rechtbank Overijssel 309621

arrest van 28 april 2026

in de zaak van

[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woontplaats1]

advocaat: aanvankelijk mr. V.P. Melens, nu mr. S. Meeuwsen

en

1. [geintimeerde1]

die woont in [woonplaats2]

2. [geintimeerde2]

die woont in [woonplaats2]

3. [geintimeerde3]

die woont in [woonplaats2]

4. [geintimeerde4]

die woont in [woonplaats2]

5. [geintimeerde5]

die woont in [woonplaats5]

6. [geintimeerde6]

die woont in [woonplaats2]

7. [geintimeerde7]

die woont in [woonplaats2]

8. [geintimeerde8]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten

9. [geintimeerde9]

die woont in [woonplaats2]

10. [geintimeerde10]

die woont in [woonplaats3]

en

[de vereffenaar] als vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ( [de vereffenaar] )

die kantoor houdt in [woonplaats4]

opgeroepen op voet van artikel 118 Rv

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), op 6 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

een herstelexploot

de akte schorsing (artikel 225 Rv)

de memorie van grieven met een wijziging van eis

oproepingsexploot voor [de vereffenaar] als vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster]

incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid tevens memorie van antwoord van [de vereffenaar]

akte inzake incident en ingediende producties van [appellant]

antwoordakte van [de vereffenaar]

2. De kern van de zaak

Op 11 januari 2022 is [erflaatster] (erflaatster) overleden. Zij heeft tien kinderen, de partijen onder 1-10, achtergelaten als haar erfgenamen.

In haar testament heeft zij [geintimeerde7] en [geintimeerde1] (genoemd onder 1 en 7) benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Beiden zijn ontslagen als executeur en als afwikkelingsbewindvoerder (beschikking van de kantonrechter in Enschede van 26 oktober 2023, bekrachtigd in een beschikking van dit hof van 24 oktober 2024).

Op verzoek van CMIS Nederland BV die geld heeft geleend aan erflaatster en een recht van hypotheek heeft op haar woning is [de vereffenaar] benoemd tot vereffenaar in haar nalatenschap (beschikking rechtbank Overijssel van 3 december 2024).

[appellant] heeft de kinderen van erflaatster gedagvaard en gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen aan hem een bedrag van € 151.472,01 te betalen. Het gaat om vorderingen van [appellant] op de nalatenschap van erflaatster die aan hem zijn gecedeerd. [appellant] heeft op 17 oktober 2023 conservatoir beslag gelegd op de woning die tot de nalatenschap van erflaatster behoort (artikel 725 Rv).

De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt of de kinderen van erflaatster de rechtsopvolgers van erflaatster zijn en of zij aansprakelijk zijn voor de schulden die corresponderen met deze vorderingen (vonnis van 6 maart 2024). De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. Hij heeft in zijn memorie van grieven zijn eis gewijzigd en vordert dat het hof de zaak terugwijst naar de rechtbank dan wel zijn vordering op de nalatenschap vaststelt op € 151.472,01 (artikel 4:223 lid 2 BW).

Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen en iedere verdere beslissing aanhouden.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

In dit geding is chronologisch het volgende gedaan:

a. [appellant] heeft op 6 juli 2024 alle kinderen van erflaatster in hoger beroep gedagvaard.

[appellant] heeft die dagvaarding bij het hof aangebracht op 10 september 2024. Tegen de kinderen van erflaatster is verstek verleend.

Op 11 februari 2025 heeft [appellant] een akte genomen. Hij meldt daarin dat zich een aantal wijzigingen heeft voorgedaan: een van de erfgenamen heeft de nalatenschap verworpen ( [geintimeerde9] ), een van de erfgenamen heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard [geintimeerde1] ) en op 3 december 2024 is [de vereffenaar] tot vereffenaar benoemd. Hij meldt verder dat hij de vereffenaar in de procedure gaat betrekken en dat hij zijn eis zal wijzigen. Hij verzoekt om schorsing van het geding op grond van artikel 225 lid 1 sub c Rv.

Het hof schorst het geding niet, omdat [appellant] die schorsing niet kan inroepen. Dat kan alleen de partij bij wie de grond voor schorsing is ontstaan, en dat zijn de gedaagden in hoger beroep.

[appellant] neemt op 25 maart 2025 een memorie van grieven en vermeldt op het voorblad daarvan alle kinderen van erflaatster. Hij wijzigt zijn eis in hoger beroep jegens de tien kinderen van erflaatster. Hij vordert dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de zaak terugwijst naar de rechtbank dan wel zijn vordering op de nalatenschap van erflaatster vaststelt op € 151.742,01 (artikel 4:223 lid 2 BW).

Op 27 mei 2025 laat [appellant] de vereffenaar als derde in het geding oproepen tegen 10 juni 2025 bij het hof om “Alsdan en aldaar in zijn genoemde hoedanigheid met partijen voort te procederen in de onderhavige procedure”.

De vereffenaar voert verweer. Hij merkt op dat hij wordt geconfronteerd met een hoger beroep, waarvoor ten laste van de rekening courant van zijn onderneming griffierecht in rekening is gebracht van € 2.053, terwijl sprake is van een negatieve nalatenschap. [appellant] is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard en had de vereffenaar voor de rechtbank moeten dagvaarden en niet in dit hoger beroep. [appellant] verzoekt nota bene zelf om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De rechtsgang die [appellant] kiest is in strijd met eisen van een goede procesorde. [appellant] heeft geen (rechts)belang bij zijn vorderingen.

Het hof ziet aanleiding een mondelinge behandeling te bepalen.

De wijze waarop [appellant] procedeert roept vragen op. Voordat het hof kan beslissen of [appellant] ontvankelijk is, is het nodig een antwoord op die vragen te krijgen.

De vereffenaar zegt dat de nalatenschap negatief is. Als dat klopt is het de vraag welk belang [appellant] heeft bij de vaststelling van zijn vordering op de nalatenschap. Ook dat zal onderwerp van gesprek zijn op de mondelinge behandeling.

Het hof verlangt van [appellant] dat hij een afschrift uit het boedelregister overlegt, zodat het hof kan controleren welke kinderen de nalatenschap van erflaatster hebben verworpen of beneficiair hebben aanvaard.

[appellant] beroept zich voor het bewijs van het bestaan van een vordering uit geldlening van [geintimeerde7] (nu [geintimeerde7] geheten, het kind genoemd onder 7; [appellant] gebruikt in de dagvaarding de voornaam [geintimeerde7] ) aan erflaatster op een onderhandse akte die is ondertekend op 1 juni 2007. [appellant] heeft een kopie van die akte overgelegd. Het hof verlangt dat [appellant] de oorspronkelijke akte overlegt; de kracht van schriftelijk bewijs ligt immers in de oorspronkelijke akte (artikel 160 lid 1 Rv). Het hof verlangt verder dat [appellant] de originele stuitingsbrieven van [geintimeerde7] aan erflaatster van 30 mei 2012, 30 april 2017 en 10 juni 2021 overlegt.

4. De beslissing

Het hof:

Het hof beveelt partijen naar het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem te komen voor een mondelinge behandeling van deze zaak. Tijdens deze mondelinge behandeling zal het hof partijen om inlichtingen vragen (rov. 3.4. en 3.5.) en met hen spreken over een onderlinge regeling van het geschil en het vervolg van de procedure.

Deze mondelinge behandeling zal worden gehouden voor de drie raadsheren van dit hof die dit arrest wijzen op een nog vast te stellen dag en tijdstip. Daarvoor moeten de advocaten van partijen op dinsdag 12 mei 2026 (roldatum) de verhinderdata opgeven van zichzelf en van partijen voor de maanden mei tot en met augustus 2026.

De partij die zich tijdens de mondelinge behandeling op nieuwe stukken wil beroepen, moet kopieën daarvan uiterlijk 14 dagen voor de datum van de mondelinge behandeling aan de griffie van het hof en aan de wederpartij sturen. [appellant] moet de stukken die het hof van hem verlangt (rov. 3.6. en 3.7.) uiterlijk 14 dagen voor de datum van de mondelinge behandeling bij de griffie van het hof deponeren.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, E. de Boer en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ERF-Updates.nl 2026-0286 VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0286
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand