ECLI:NL:GHARL:2026:2637

ECLI:NL:GHARL:2026:2637

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 200.346.221
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2025:6558

Samenvatting

Tussenarrest. Effectenlease. Dexia. Art. 1:88 BW en art. 1:89 BW. Tussenarrest 21 oktober 2025: ECLI:NL:GHARL:2025:6558

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.346.221

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort, 9552849

arrest van 28 april 2026

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.

die is gevestigd in Amsterdam

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie

hierna: Dexia

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

tegen

[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats]

en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie

hierna: de afnemer

advocaat: mr. J.B. Maliepaard

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 21 oktober 2025 heeft op 20 januari 2026 een getuigenverhoor bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na het getuigenverhoor hebben partijen gelijktijdig een memorie na enquête genomen en vervolgens hebben zij gelijktijdig een antwoordmemorie na enquête genomen. Daarna is een datum voor arrest bepaald.

2. De kern van de zaak

Het gaat in dit hoger beroep om zes effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [overeenkomstnummer1] (overeenkomst I), [overeenkomstnummer2] (overeenkomst II), [overeenkomstnummer5] (overeenkomst V), [overeenkomstnummer6] (overeenkomst VI), [overeenkomstnummer7] (overeenkomst VII) en [overeenkomstnummer8] (overeenkomst VIII) die tussen Dexia en de afnemer zijn gesloten. De overeenkomsten I en II zijn in 1997 afgesloten en de overeenkomsten V tot en met VIII in 1998. Er zijn daarnaast nog drie effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [overeenkomstnummer3] (overeenkomst III), [overeenkomstnummer4] (overeenkomst IV) en [overeenkomstnummer9] (overeenkomst IX) tussen partijen gesloten. Deze drie overeenkomsten zijn geen onderdeel van het hoger beroep.

De toenmalige echtgenoot van de afnemer, wijlen [naam1] (hierna: [naam1] ), heeft geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII. Bij brief van 4 april 2007 heeft [naam1] aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van die toestemming, de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII vernietigt (op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.

3. De verdere beoordeling door het hof

De grieven van Dexia

Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [naam1] geen contractspartij geworden is bij de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII. Grieven II en III richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia onvoldoende heeft onderbouwd dat [naam1] op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII, dat het bewijsaanbod van Dexia om die reden gepasseerd dient te worden, en dat zodoende als uitgangspunt heeft te gelden dat [naam1] niet voor 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII. Dexia betoogt dat de kantonrechter met dat oordeel een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd (grief II) en dat er te zware eisen zijn gesteld aan het bewijsaanbod van Dexia (grief III).

Het hof heeft in zijn tussenarrest wat betreft de eerste grief van Dexia geconcludeerd dat alleen de afnemer contractspartij is bij de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII. [naam1] is geen contractspartij geworden.

Vernietiging overeenkomsten ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW/1:89 lid 1 BW

Verder heeft het hof in zijn tussenarrest geoordeeld dat het vernietigingsrecht van [naam1] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [naam1] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomsten I, II en V tot en met VIII. Het hof verwijst naar het toetsingskader zoals het dat uiteen heeft gezet in het tussenarrest.

Het hof heeft in het tussenarrest verder het volgende overwogen. Wat betreft de overeenkomsten V tot en met VIII zijn de betalingen aan Dexia gedaan vanaf een gezamenlijke rekening (een “en/of-rekening”) die op naam was gesteld van de afnemer en [naam1] . Het hof heeft geoordeeld dat gelet op dat gegeven, in dit geval ten aanzien van die overeenkomsten het vermoeden geldt dat, behoudens door de afnemer te leveren tegenbewijs, [naam1] door ontvangst van de rekeningafschriften van die rekening, korte tijd na het aangaan van die overeenkomsten – en dus op of voor 13 maart 2000 – daadwerkelijk met die overeenkomsten bekend is geworden. Dat geldt niet voor de overeenkomsten I en II. De betalingen ten aanzien van deze overeenkomsten zijn niet van een gezamenlijke rekening gedaan.

Het hof heeft de afnemer toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [naam1] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten V tot en met VIII. Daarnaast is Dexia toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [naam1] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomsten I en II. Vervolgens heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Daarbij zijn door de advocaten van beide partijen twee getuigen opgeroepen, te weten de afnemer ( [geïntimeerde] ) en [naam2] .

Het hof is ten aanzien van de overeenkomsten I en II van oordeel dat Dexia in haar bewijsopdracht is geslaagd. Wat betreft de overeenkomsten V tot en met VIII zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van Dexia, waarna de afnemer de gelegenheid krijgt om een antwoordakte te nemen.

De afnemer heeft in aanvulling op zijn schriftelijke verklaring onder meer het volgende onder ede verklaard. De afnemer is destijds via een consulent van Bank Labouchere, de heer [naam3] , bekend geraakt met de financiële producten van Dexia. [naam3] is bij hem en [naam1] thuis geweest. [naam1] was op dat moment bezig aan het keukenblad en stond erbij. Zij heeft het gesprek tussen de afnemer en [naam3] gehoord. [naam1] wist dat de afnemer de contracten (het hof begrijpt: de overeenkomsten I en II) had afgesloten. De afnemer had na het gesprek met [naam3] samen met [naam1] besloten dat ze daarmee aan de gang gingen. Hij heeft de contracten afgesloten om een “appeltje voor de dorst” te hebben. Voor de contracten (het hof begrijpt: de overeenkomsten V tot en met VIII) die later zijn afgesloten is [naam3] niet bij de afnemer en [naam1] thuis geweest. Het contact daarover ging per post of telefonisch. [naam1] kreeg daar niets van mee. De afnemer en [naam1] waren in gemeenschap van goederen getrouwd. De afnemer werkte als docent bij een muziekschool en was daarnaast dirigent van verschillende koren. [naam1] is in 1999 of 2000 parttime gaan werken. Zij deed het huishouden en zorgde voor de kinderen. In 1997 of 1998 hebben de afnemer en [naam1] een schenking van ongeveer NLG 100.000,- vanuit de familie van [naam1] gekregen. De afnemer heeft daarmee de inleg van een deel van de overeenkomsten betaald. Hij heeft dat niet met [naam1] besproken. Alles op het gebied van financiën was iets waar alleen de afnemer zich mee bezig hield. Hij deed de financiële administratie en bracht de stukken voor de belastingaangifte voor hemzelf en [naam1] naar een boekhouder. [naam1] bekeek de belastingaangiftes niet. Verder opende de afnemer de post in het huishouden. Alleen de post op naam van [naam1] opende zij zelf. In het gezin waren er destijds twee bankrekeningen, een rekening op naam van de afnemer en een gezamenlijke rekening bij de ING. Ook had de afnemer korte tijd een rekening op zijn naam bij de Rabobank. Voor zover de afnemer weet bekeek [naam1] nooit de bankafschriften van de rekeningen. Zij had wel een bankpas van de gezamenlijke rekening. Volgens de afnemer moet [naam1] , omdat zij wist dat de contracten waren afgesloten, ook weten dat er maandelijks gelden werden afgeschreven van de bankrekening voor de effectenleaseproducten. De afnemer kan zich niet herinneren dat hij en [naam1] hun gezamenlijke financiële positie bespraken. Zij beslisten wel gezamenlijk over de aanschaf van meubels en de inrichting van het huis. [naam1] weet sinds medio 2002 van het bestaan van de overeenkomsten. Zij hoorde via de televisie over de polissen van Legio Lease. [naam1] heeft de afnemer gevraagd of zij iets hadden wat daarop leek. [naam1] was er altijd vanuit gegaan dat zij en de afnemer aan het sparen waren.

[naam2] , de dochter van [geïntimeerde] , heeft onder meer het volgende onder ede verklaard. [naam1] is in 2013 overleden. [naam2] denkt dat zij tien jaar ziek is geweest. [naam2] weet sinds [naam1] ziek was van het bestaan van de overeenkomsten. [naam1] heeft haar niet verteld wanneer zij bekend is geraakt met de overeenkomsten. Volgens [naam2] is dat later gebeurd. [naam1] heeft verteld dat zij zich bedrogen voelde door de afnemer omdat hij het geld uit de schenking had gebruikt. Over de taakverdeling tussen de afnemer en [naam1] heeft [naam2] verklaard dat de afnemer verantwoordelijk was voor de financiën. Hij opende de post.

Ten aanzien van de overeenkomsten I en II betoogt de afnemer, kort gezegd, dat de enkele wetenschap van [naam1] dat de afnemer die overeenkomsten met Dexia had afgesloten, in een geval als dit niet voldoende is voor het aanvangen van de verjaringstermijn. Volgens de afnemer dacht [naam1] dat er met de overeenkomsten werd gespaard. Zij wist niet dat het om huurkoop ging en om aangekochte effecten. [naam1] beschikte voor 13 maart 2000 niet over de benodigde kennis om te kunnen concluderen dat het sluiten van de overeenkomsten haar toestemming behoefde.

Het betoog van de afnemer faalt. Een rechtsvordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst die aan de echtgenoot van degene die deze overeenkomst heeft gesloten toekomt op grond van het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub d BW, verjaart drie jaren na het tijdstip waarop die echtgenoot daadwerkelijk met de overeenkomst bekend is geworden (artikel 1:89 lid 1 BW in verbinding met artikel 3:52 lid 1 sub d BW). Niet kan worden aangenomen dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de zojuist bedoelde echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de overeenkomst te vernietigen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 sub d BW is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. [naam1] wist al vanaf het aangaan van de overeenkomsten I en II in 1997 van het bestaan daarvan. Gelet daarop is [naam1] voor 13 maart 2000 bekend geworden met de overeenkomsten I en II, dit in de hiervoor bedoelde zin dat daarmee de verjaringstermijn voor het inroepen van de vernietiging is gaan lopen. Dat [naam1] niet zou hebben geweten wat de nadere inhoud en het karakter van het financiële product was, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de verjaringstermijn niet voor 13 maart 2003 is gestuit. Daarmee staat vast dat de termijn als bedoeld in artikel 3:52 lid 1 sub d BW vóór 13 maart 2000 is gaan lopen en dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring van 4 april 2007 al was verjaard.

Ten aanzien van de overeenkomsten V tot en met VIII heeft Dexia in haar memorie na enquête genoemd dat zij als productie een brief overlegt van de afnemer aan Legio Lease (Dexia) van 28 maart 2001. Deze productie heeft het hof niet aangetroffen bij de memorie na enquête van Dexia. Uit de antwoordmemorie na enquête van de afnemer blijkt dat de afnemer deze productie ook niet heeft ontvangen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van Dexia, waarbij Dexia de betreffende productie alsnog in het geding kan brengen. Vervolgens zal de afnemer de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte op de bedoelde productie en de stellingen van Dexia daarover te reageren. Bij die antwoordakte krijgt de afnemer ook de gelegenheid om aan te geven of hij in het kader van tegenbewijslevering getuigen wil horen ten aanzien van de bedoelde productie.

4. De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026 voor akte aan de zijde van Dexia als bedoeld in rov. 3.11 en bepaalt dat de afnemer vervolgens binnen een termijn van twee weken de gelegenheid krijgt om een antwoordakte te nemen als bedoeld in rov. 3.11;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, S.C.P. Giesen en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand