GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.143
zaaknummer rechtbank Overijssel 305584
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] , handelend onder de naam [naam1]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.H.J. Booijink
en
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [naam2]
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R. Blom
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 22 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBOVE:2025:339). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 maart 2026 is gehouden.
2. De kern van de zaak
[geïntimeerde] kreeg van [naam3] (hierna: de opdrachtgever) een opdracht voor tuinaanleg en de bouw van een kapschuur. Voor de bouw van de kapschuur heeft [geïntimeerde] [appellant] ingeschakeld. [appellant] en [geïntimeerde] hebben daarvoor per whatsapp een prijs van € 43.150 inclusief btw afgesproken. Zij hadden geen afspraak gemaakt over tussentijdse betalingen. Desondanks stuurde [appellant] nog voordat de kapschuur gereed was een 1e termijn factuur van € 36.300 inclusief btw. Volgens [appellant] had hij tijdens de bouw met [geïntimeerde] afgesproken dat hij een termijnfactuur mocht sturen. [geïntimeerde] betwist dat.
Vervolgens is tussen partijen een patstelling ontstaan. [appellant] heeft zijn werkzaamheden opgeschort omdat [geïntimeerde] de termijnfactuur niet betaalde en [geïntimeerde] betaalde die factuur niet onder andere omdat de opdrachtgever pas wilde betalen na voltooiing van de kapschuur en na herstel van de volgens de opdrachtgever aanwezige constructiefouten. Uiteindelijk is de kapschuur niet meer afgebouwd en heeft [appellant] geen betaling ontvangen voor het door hem verrichte werk.
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om alsnog de overeengekomen aanneemsom te betalen, dan wel het bedrag van de eerste termijnfactuur (vermeerderd met rente en kosten). [geïntimeerde] heeft op zijn beurt een tegenvordering ingediend (reconventie) om [appellant] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 87.180 voor gederfde winst (vermeerderd met rente en kosten).
De rechtbank heeft beide vorderingen afgewezen. Zij heeft alleen de reconventionele nevenvordering van [geïntimeerde] tot opheffing van het door [appellant] gelegde conservatoire beslag toegewezen. Beide partijen vragen het hof om hun vordering alsnog toe te wijzen.
Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en licht hierna toe waarom het tot die beslissing komt. Eerst zal het hof de vorderingen van [appellant] bespreken en vervolgens de reconventionele vordering van [geïntimeerde] .
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De termijnfactuur was niet opeisbaar
Tussen partijen staat vast dat [appellant] op 17 december 2021 aan [geïntimeerde] een termijnfactuur heeft gestuurd voordat de kapschuur was afgebouwd. Vast staat ook dat partijen in de aanneemovereenkomst geen termijnbetaling(en) hebben afgesproken. Uit artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat, in het geval geen termijnbetalingen zijn overeengekomen, de betalingsverplichting pas ontstaat op het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand is gebracht en opgeleverd. [appellant] heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de kapschuur, ondanks dat die nog niet was afgebouwd, wel is opgeleverd en door [geïntimeerde] is aanvaard in de staat waarin deze zich op 17 december 2021 bevond, maar voor deze – door [geïntimeerde] betwiste – stelling heeft [appellant] te weinig aangevoerd. Voor een oplevering is immers nodig dat het werk overeenkomstig de inhoud en strekking van de overeenkomst na voltooiing ter beschikking wordt gesteld. Daarvan is hier geen sprake, want de kapschuur was niet voltooid (volgens [appellant] was hij voor ongeveer 80% af). In een brief van 6 april 2023 spreekt [appellant] daarbij zelf ook nog over het gaan verrichten van de laatste werkzaamheden, waarna de oplevering kan plaatsvinden. Bovendien heeft [geïntimeerde] , zoals uit het hiernavolgende zal blijken, de kapschuur in december 2021 niet aanvaard in de staat waarin hij zich bevond. Het voorgaande betekent dat [appellant] alleen betaling van de termijnfactuur kon opeisen als partijen in een nadere afspraak zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] een door [appellant] toe te zenden termijnfactuur zou betalen.
[appellant] stelt dat die afspraak op 8 dan wel op 10 december 2021 is gemaakt, terwijl beide partijen de bouw bezochten en tot de conclusie kwamen dat de kapschuur ruimschoots voldeed aan de verwachtingen van partijen. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zijn op grond van de toelichting van partijen de volgende feiten komen vast te staan:
- de kap van de kapschuur bevond zich op 10 december 2021 nog op de zaak bij [appellant] (dat blijkt ook uit de foto in de whatsapp van 14 december 2021 waar de kap zichtbaar is in het bedrijf van [appellant] );
- de kap is op 16 december 2021 verplaatst naar het terrein van de opdrachtgever;
- [appellant] heeft op 17 december 2021 een bedrag van € 36.300 inclusief btw gefactureerd, zijnde 80% van de aanneemprijs, nadat hij zelf (en dus niet in overleg met [geïntimeerde] ) had beoordeeld hoeveel de waarde was van wat er op dat moment stond (volgens [appellant] was toen ongeveer 80% van het aangenomen werk gereed);
- partijen zijn begin januari 2022 op de bouw geweest, samen met iemand van Terhalle Holzbau GmbH, het bedrijf dat de kapschuur voor de opdrachtgever had ontworpen en wiens bouwtekeningen [appellant] heeft gevolgd;
- bij die bezichtiging van de bouw zijn door Terhalle geuite klachten over de constructie aangewezen en besproken en heeft [appellant] gezegd dat de klachten zouden worden opgelost;
- omdat [appellant] de kapschuur niet verder heeft afgebouwd, noch aangewezen gebreken heeft hersteld en [geïntimeerde] niet betaalde, ontstond een patstelling, die partijen hebben geprobeerd te doorbreken met een gesprek in maart 2022 op het kantoor van de opdrachtgever; dat is niet gelukt met name omdat de (zoon van de) opdrachtgever zei niet te willen betalen zolang de kapschuur niet goed was.
Verder heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij tijdens de bespreking op de bouw begin januari 2022 niet heeft gesproken over de facturering en ook niet heeft gezegd dat er eerst betaald moest worden voordat hij verder zou gaan met de bouw. Hij wilde namelijk niet meteen dreigen. Dat er desondanks op 18 januari 2022 een betalingsherinnering voor de termijnfactuur is verzonden, komt doordat zijn secretaresse die herinnering heeft gestuurd, aldus [appellant] .
Het voorgaande toont de onjuistheid aan van de stelling van [appellant] dat partijen op 8 of 10 december 2021 tijdens een bezichtiging op de bouw bij de opdrachtgever hebben afgesproken dat [appellant] een termijnfactuur mocht sturen. Op die datum zijn partijen niet op de bouw geweest en stond de kap nog bij [appellant] . [appellant] heeft niet gesteld dat partijen die afspraak op een ander moment voorafgaand aan het versturen van de factuur op 17 december 2021 hebben gemaakt. Partijen zijn pas in januari 2022, toen de kap was geplaatst, bij elkaar gekomen, in aanwezigheid van een medewerker van Terhalle. Dat op dat moment zou zijn afgesproken dat de al verstuurde termijnfactuur zou worden betaald, heeft [appellant] evenmin gesteld. Integendeel, partijen zijn het erover eens dat toen vooral over de door Terhalle geuite problemen is gesproken en dat [appellant] die zou oplossen. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het enkele feit dat [geïntimeerde] zijn factuuradres aan [appellant] heeft verstrekt, niet kan worden geduid als instemming met de betaling van een termijnfactuur. Daarbij tekent het hof aan dat de stelling van [appellant] dat het factuuradres is verstrekt bij de bezichtiging van het werk, maar voorafgaand aan de verzending van de termijnfactuur, niet kan kloppen. Uit de toelichting van partijen tijdens de mondelinge behandeling blijkt immers dat partijen pas na verzending van die factuur op de bouw naar de kapschuur zijn gaan kijken.
[appellant] stelling dat partijen tijdens de bouw nader hebben afgesproken dat in termijnen betaald zou worden, kan dus niet worden gevolgd. Dat betekent dat de factuur van 17 december 2021 niet opeisbaar was.
[geïntimeerde] is niet verplicht de aanneemsom te betalen
Gezien het voorgaande is ook de totale aanneemsom (€ 43.150 inclusief btw) niet opeisbaar. [appellant] kan geen betaling van de aanneemsom verlangen voordat hij de werkzaamheden heeft afgerond en de kapschuur heeft opgeleverd. Onder 3.1 heeft het hof al overwogen waarom geen sprake is geweest van oplevering van de kapschuur. [appellant] heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat [geïntimeerde] de kapschuur stilzwijgend heeft aanvaard in de staat waarin hij zich bevond. Dat valt echter niet te rijmen met het feit dat tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerde] bij de bezichtiging van het werk in januari 2022 gebreken heeft aangewezen, die [appellant] zou oplossen. Anders dan [appellant] heeft gesteld, is het dus niet zo dat [geïntimeerde] niet heeft geklaagd over het werk. Dat de opdrachtgever dan wel de koper van de woning de kapschuur (na aanpassingen aan de poeren) in gebruik heeft genomen, impliceert ook geen aanvaarding door [geïntimeerde] .
Omdat [appellant] geen opeisbare vordering had, kwam hem ook geen beroep toe op opschorting van zijn werkzaamheden (zie artikel 6:52 lid 1 BW). Wat betreft [appellant] stelling dat hij zijn werkzaamheden niet heeft opgeschort in verband met het niet betalen van de termijnfactuur, maar in verband met de mogelijke verplichting om de kapschuur te verplaatsen, overweegt het hof dat [appellant] die stelling tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft laten vallen. Daar hebben beide partijen immers verklaard dat de verplaatsingskwestie pas opkwam nadat de bouw begin januari 2022 was stilgelegd.
Bij gebreke van opeisbare vordering kan [appellant] geen nakoming van de verplichting van [geïntimeerde] tot betaling van de aanneemsom vorderen. De rechtbank heeft die (primaire) vordering dus terecht afgewezen.
[geïntimeerde] heeft de aannemingsovereenkomst niet (stilzwijgend) opgezegd
Zoals de rechtbank heeft overwogen ligt het op de weg van [appellant] om onderbouwd te stellen dat [geïntimeerde] de overeenkomst van aanneming (stilzwijgend) heeft opgezegd. [appellant] heeft daar, gezien de betwisting van [geïntimeerde] , te weinig voor aangedragen. In hoger beroep heeft [appellant] in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] na het versturen van de factuur op 17 december 2021 een jaar niets van zich heeft laten horen. Deze stelling klopt echter niet. Tijdens de mondelinge behandeling is immers duidelijk geworden dat partijen zowel in januari als in maart 2022 bij elkaar zijn gekomen en daar over de door de opdrachtgever genoemde gebreken hebben gesproken. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat de stilzwijgende opzegging op 15 september 2022 schriftelijk is bevestigd door [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof kan uit de brief van die datum van [geïntimeerde] geen opzegging (of bevestiging daarvan) worden afgeleid. [geïntimeerde] wijst er in die brief immers op dat constructiefouten zijn geconstateerd en medegedeeld aan [appellant] en dat de opdrachtgever in verband daarmee niet bereid is voor de kapschuur te betalen. Dat [geïntimeerde] tevens schrijft dat hij zijn opdracht voor tuinaanleg hierdoor is kwijtgeraakt, betekent nog niet dat [appellant] niet meer op het perceel kon komen en de werkzaamheden niet meer mocht afronden. Bovendien heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd dat zijn verstandhouding met de opdrachtgever goed is gebleven en dat hij niet wist van een verbod om nog op het terrein te komen. Dat [appellant] de werkzaamheden niet heeft afgemaakt, was omdat [geïntimeerde] de termijnfactuur niet betaalde en [appellant] (ten onrechte) meende dat hij daarop aanspraak kon maken.
Ook de weigering van [geïntimeerde] , bij brief van 21 april 2023, om [appellant] nog zorg te laten dragen voor herstel van de gebreken aan de kapschuur, kan niet worden uitgelegd als een opzegging van de aannemingsovereenkomst. In die brief heeft [geïntimeerde] immers toegelicht dat hij daartoe kwam omdat [appellant] geen gehoor had gegeven aan de ingebrekestelling van 27 februari 2023, waarbij [geïntimeerde] [appellant] een termijn van veertien dagen had gegeven om de kapschuur af te bouwen en de gebreken te herstellen. [appellant] had daarop, bij brief van 6 april 2023, aan [geïntimeerde] geantwoord dat hij pas werkzaamheden zou uitvoeren na betaling van het gefactureerde bedrag van € 36.300. Hiervoor is al overwogen dat [appellant] niet gerechtigd was om die voorwaarde te stellen. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] nadien zonder voorbehoud heeft aangeboden de (herstel)werkzaamheden uit te voeren, noch is gebleken dat hij daartoe niet is toegelaten. [appellant] is dus op 14 maart 2023 (veertien dagen na de ingebrekestelling) in verzuim geraakt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat [geïntimeerde] op 21 april 2023 mocht weigeren om [appellant] nog werkzaamheden te laten verrichten aan de kapschuur, zodat uit die brief geen stilzwijgende opzegging kan worden afgeleid.
De conclusie van het voorgaande is dat ook de subsidiaire vordering van [appellant] , gegrond op de gestelde (stilzwijgende) opzegging van de aannemingsovereenkomst, terecht is afgewezen.
[appellant] heeft geen recht op een redelijk loon
De rechtbank heeft (onder 5.22 en 5.23 van het vonnis) overwogen dat de artikelen 7:405 BW en 7:752 BW geen grond kunnen vormen voor de toewijzing van [appellant] vordering tot betaling van een redelijk loon.
In 2.2.3 van de memorie van grieven heeft [appellant] toegelicht dat hij zich voor deze meer subsidiaire vordering alleen heeft gebaseerd op artikel 7:752 BW. Uit grief XII, in samenhang bezien met 2.1.34 en 2.1.35 leidt het hof af dat [appellant] aan zijn vordering tot betaling van een redelijk loon in hoger beroep daarnaast artikel 7:757 lid 1 BW ten grondslag legt. Volgens [appellant] leidt dat tot toewijzing van € 36.300.
Wat betreft het beroep op artikel 7:752 BW merkt het hof op dat dat artikel ziet op de situatie dat bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs of slechts een richtprijs is bepaald. Die situatie doet zich hier niet voor, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant] op grond van dit artikel geen redelijk loon kan vorderen. [appellant] heeft zijn tegen deze overweging gerichte grief ook niet gemotiveerd.
Ook het beroep op artikel 7:757 lid 1 BW gaat niet op. Daarin is immers een regeling gegeven voor het geval de uitvoering van het werk onmogelijk wordt doordat de zaak waarop of waaraan het werk moet worden uitgevoerd, tenietgaat of verloren raakt. Dat is hier niet aan de orde. Het enkele feit dat de woning van de opdrachtgever medio 2024 is verkocht, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Bovendien was [appellant] al sinds 14 maart 2023 in verzuim en had [geïntimeerde] hem al op 21 april 2023, op goede gronden, laten weten [appellant] niet meer in de gelegenheid te stellen de (herstel)werkzaamheden te verrichten (zie 3.9).
De meer subsidiaire vordering tot betaling van een redelijk loon kan daarom ook niet worden toegewezen.
[appellant] kan de overeenkomst niet ontbinden
In hoger beroep heeft [appellant] daarnaast een beroep gedaan op ontbinding van de overeenkomst van aanneming (om welke reden [appellant] recht zou hebben op schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:277 BW). Volgens hem heeft [geïntimeerde] hem niet in staat gesteld om zijn werkzaamheden af te ronden. Dat heeft te maken met het ontzeggen van de toegang en de verkoop van de woning.
Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen. Dat [appellant] de werkzaamheden niet heeft afgemaakt, ligt niet aan het (gestelde) ontzeggen van de toegang tot de bouwplaats, maar heeft slechts te maken met het feit dat [appellant] ten onrechte betaling van de termijnfactuur verlangde voordat hij de (herstel)werkzaamheden zou afmaken. [appellant] is door deze houding op 14 maart 2023 in verzuim geraakt, ruim voordat de woning verkocht is. [geïntimeerde] , op wie [appellant] nog geen opeisbare vordering heeft, is niet tekortgeschoten in zijn verbintenis tot betaling van de aanneemsom. Daarmee is dus niet voldaan aan de vereisten voor ontbinding van de overeenkomst (zie artikel 6:265 BW). De meer subsidiair gevorderde ontbinding (met schadevergoeding) kan dus evenmin worden toegewezen.
[appellant] heeft geen recht op betaling
[appellant] heeft geen overige rechtsgronden aangevoerd die tot een betalingsverplichting van de kant van [geïntimeerde] kunnen leiden. Dat betekent dat zijn vorderingen tot betaling van een bedrag in verband met de door [appellant] verrichte werkzaamheden niet kunnen worden toegewezen. Ook [appellant] nevenvorderingen tot betaling van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten kunnen dus niet worden toegewezen.
Tegenvordering: [geïntimeerde] heeft geen recht op schadevergoeding
[geïntimeerde] heeft schadevergoeding gevorderd van € 87.180 (€ 75.180 aan gederfde omzet tuin en € 12.000 aan gederfde kosten extra werkzaamheden grondverbetering). Het hof begrijpt uit [geïntimeerde] memorie van grieven in incidenteel hoger beroep dat [geïntimeerde] beide posten in hoger beroep nog steeds vordert. Daaraan heeft hij, net als bij de rechtbank, ten grondslag gelegd dat zijn opdrachtgever, vanwege het feit dat [appellant] de kapschuur niet deugdelijk heeft gebouwd, hem de rest van de tuinaanleg niet meer heeft toevertrouwd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat onduidelijk is – en dat [geïntimeerde] dus onvoldoende onderbouwd heeft gesteld – op welke wijze de gestelde tekortkomingen in de relatie tussen [geïntimeerde] en [appellant] van invloed zijn geweest op de bedragen die [geïntimeerde] bij de klant zou zijn misgelopen en kosten die [geïntimeerde] zou hebben gemaakt. Bij gebreke van onderbouwde feiten kon geen vergelijking worden gemaakt met de hypothetische situatie bij het wegdenken van de gestelde tekortkomingen. Daarom heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding afgewezen.
Ook in hoger beroep heeft [geïntimeerde] het causale verband tussen de tekortkomingen van [appellant] en zijn gestelde schade niet (voldoende) onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen, zeker nu [appellant] onderbouwd heeft gesteld dat [geïntimeerde] en zijn opdrachtgever gebrouilleerd zijn geraakt vanwege het feit dat [geïntimeerde] in of rond april 2022 een deurwaarder had ingeschakeld omdat de opdrachtgever nalatig bleef te betalen voor andere projecten die [geïntimeerde] voor hem had uitgevoerd. Dat laatste heeft [geïntimeerde] , daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, ook niet ontkend.
De schadevordering van [geïntimeerde] kan dus niet worden toegewezen. Datzelfde geldt voor zijn nevenvordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten.
Het conservatoire beslag op de woning van [geïntimeerde] is terecht opgeheven
Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat de rechtbank het door [appellant] gelegde beslag op goede gronden heeft opgeheven. Dat de rechtbank in 4.1 van het vonnis abusievelijk heeft vermeld dat [appellant] opheffing van het beslag vorderde, maakt dat niet anders. [geïntimeerde] had immers in reconventie opheffing van het beslag gevorderd.
Geen bewijslevering
Omdat partijen geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. De door hen gedane bewijsaanbiedingen zullen daarom worden gepasseerd.
De conclusie
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in dat beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
Ook het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Omdat [geïntimeerde] in dat beroep in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in incidenteel hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 januari 2025;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 827 aan griffierecht
€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 2.352 aan salaris van de advocaat van [appellant] (1/2 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, G.A. Diebels en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.