GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.615
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 587706)
beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. C.D.R. Schoonderbeek
en
Stichting Bewindvoering.nl (de bewindvoerder)
die is gevestigd in Amersfoort
advocaat: mr. N.J. Hos
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[vrouw] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2] .
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 587706 (verder ook: de bestreden beschikking).
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 augustus 2025;
het verweerschrift;
een journaalbericht van mr. Hos van 17 februari 2026 met producties;
een journaalbericht van mr. Schoonderbeek van 20 februari 2026 met producties;
een journaalbericht van mr. Schoonderbeek van 2 maart 2026 met een productie.
De zitting was op 3 maart 2026. Aanwezig waren de man, bijgestaan door zijn advocaat, de advocaat van de vrouw en, namens de bewindvoerder, [naam1] .
3. De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige1] (hierna: [minderjarige1] ), geboren [in] 2016. [minderjarige1] woont bij de vrouw.
De man is ook de vader van [minderjarige2] , geboren [in] 2020. De moeder van [minderjarige2] is [naam2] . [minderjarige2] woont bij haar moeder.
Bij het beëindigen van hun relatie hebben de man en de vrouw afspraken gemaakt en deze vastgelegd in een ouderschapsplan, door beiden ondertekend op 29 januari 2019. Daarin zijn zij onder andere overeengekomen dat [minderjarige1] één weekend per veertien dagen bij de man zal zijn en dat de man € 150 per maand aan de vrouw dient te betalen aan kinderalimentatie voor [minderjarige1] . In een beschikking van 13 februari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat die afspraken, zoals in die beschikking herhaald en ingelast worden beschouwd, deel uitmaken van die beschikking.
Deze overeengekomen onderhoudsbijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2025 ingevolge de wettelijke indexering € 189 per maand.
4. Het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan gewijzigd en bepaald dat deze bijdrage vanaf 19 juni 2025 € 462 per maand bedraagt.
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de man met ingang van 19 juni 2025 aan kinderalimentatie voor [minderjarige1] € 105 per maand dient te betalen. Ter zitting heeft de man aangeboden € 175 per maand te betalen en in zoverre zijn verzoek gewijzigd.
De vrouw voert verweer en verzoekt het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De overwegingen voor de beslissing
wijziging van omstandigheden
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt.
ingangsdatum
Niet in geschil is dat 19 juni 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
de behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige1] in 2017 € 478 per maand bedroeg. Door de wettelijke indexering bedraagt haar behoefte in 2025 € 623 per maand.
Ook de behoefte van [minderjarige2] is niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat deze in 2025 € 839 per maand bedraagt.
de draagkracht van de man
De man heeft een onderneming. Hij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat moet worden uitgegaan van een geschatte winst uit onderneming van € 65.000 per jaar. Hij stelt dat de winst uit onderneming in 2024 € 35.589 bedroeg en dat de rechtbank daarnaast had moeten uitgaan van de gemiddelde winst over de afgelopen drie jaren, waaronder het lage(re) resultaat van 2023. De vrouw betwist dat gemotiveerd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat kan worden uitgegaan van de gemiddelde winst over de jaren 2024 en 2025, te weten € 37.319. Volgens de door hem overgelegde draagkrachtberekening leidt dat tot een beschikbaar bedrag voor kinderalimentatie van € 350 per maand (voor [minderjarige1] en [minderjarige2] ).
Het hof zal – zoals de man heeft voorgesteld – uitgaan van een gemiddelde winst van € 37.319. Deze winst komt ook overeen met de winst die volgt uit de overgelegde aangifte IB over 2025 en de aangiften en aanslagen IB over 2022 tot en met 2024, waarbij het (lage) resultaat over 2023 buiten beschouwing is gelaten. Uit deze stukken blijkt ook dat de belastingdienst niet van de aangiftes van de man is afgeweken. De man heeft dan ook voldoende inzicht verschaft in het (te verwachten) resultaat van zijn onderneming en het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de door de man verstrekte gegevens te twijfelen.
De vrouw heeft aangevoerd dat de verdiencapaciteit van de man groter is dan hij stelt en dat hij in staat moet worden geacht meer inkomen te verwerven. Dat heeft de man gemotiveerd betwist. Het hof acht het niet aannemelijk dat de man in loondienst (als productiemedewerker zoals voorheen) meer zal verdienen dan nu als stukadoor in zijn eigen onderneming. Dat geldt ook als daarbij in aanmerking moet worden genomen dat hij fulltime werkzaam is maar door fysieke klachten (een scheur in zijn rechterborstspier) is beperkt, waardoor hij plafonds vaak in twee keer moet stuken en daardoor minder ‘meters maakt’.
Uit het voorgaande volgt dat de eerste twee grieven van de man slagen, met dien verstande dat voor de berekening van zijn draagkracht wordt uitgegaan van een winst uit onderneming van € 37.317 per jaar. De grieven 3 en 4 bouwen daarop voort en hoeven geen afzonderlijke bespreking. Het hof gaat verder uit van de door de man overgelegde draagkrachtberekening, die door de vrouw (behalve ten aanzien van de daarin opgenomen winst) niet is weersproken. Omdat de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie wordt begrensd door zijn draagkracht (€ 351 per maand voor twee kinderen) zal het hof de door hem te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige1] – overeenkomstig zijn gewijzigde verzoek – vaststellen op € 175 per maand.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 juni 2025 en opnieuw beschikkende:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige1] zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 29 januari 2019 en bepaalt dat de man met ingang van 19 juni 2025 € 175 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.