ECLI:NL:GHARL:2026:2710

ECLI:NL:GHARL:2026:2710

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 21-003315-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

In hoger beroep een gevangenisstraf van 63 maanden voor doodslag. Eén dag oude baby overleden na verdrinking gevolgd door onderkoeling, veroorzaakt door het handelen van haar moeder.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),

op dit moment verblijvende in [locatie 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadslieden, mr. S. de Goede en mr. D.A. Souisa, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als doodslag en verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een beslissing genomen over het beslag.

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Verder zal het hof in zijn bewijsoverweging de verweren bespreken die in hoger beroep zijn gevoerd en ingaan op stukken die pas in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Vanuit het oogpunt van leesbaarheid zal het hof het vonnis daarom integraal vernietigen en opnieuw recht doen. Het hof verenigt zich echter met grote delen van het vonnis en heeft die dan ook – zij het deels in iets andere bewoordingen – overgenomen.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

primair zij op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats] haar dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2023) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] (geheel ontkleed) in een babybad(je), gevuld met water, te leggen en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] (gedurende enkele seconden en/of minuten) geheel onder water heeft laten zakken en/of (daarbij) heeft losgelaten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bloot te stellen aan onderkoeling;

subsidiair zij op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats] haar dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2023) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] (geheel ontkleed) in een babybad(je), gevuld met water, te leggen en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] (gedurende enkele seconden en/of minuten) geheel onder water heeft laten zakken en/of (daarbij) heeft losgelaten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bloot te stellen aan onderkoeling;

meer subsidiair zij op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig haar dochter [slachtoffer] (geheel ontkleed) in een babybad(je), gevuld met water, heeft gelegd en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] (gedurende enkele seconden en/of minuten) geheel onder water heeft laten zakken en/of (daarbij) heeft losgelaten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] heeft bloot gesteld aan onderkoeling, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair zij op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats] opzettelijk haar dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2023) tot wiens/wier onderhoud, verpleging of verzorging zij, verdachte, als moeder van haar pasgeboren baby krachtens wet/overeenkomst in elk geval krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten, door voornoemde [slachtoffer] (geheel ontkleed) in een babybad(je), gevuld met water, te leggen en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] (gedurende enkele seconden en/of minuten) geheel onder water heeft laten zakken en/of (daarbij) heeft losgelaten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bloot te stellen aan onderkoeling, waardoor die [slachtoffer] in een hulpeloze toestand werd gebracht en/of gelaten en/of waardoor die [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde moord vanwege het ontbreken van de ‘voorbedachte raad’ en dat wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde doodslag.

Zij heeft aangevoerd dat [slachtoffer] is overleden door onderdompeling in het badje, zoals ook door de rechtbank is overwogen. Het handelen van verdachte – het loslaten van een één dag oude baby in een met water gevuld badje zonder toezicht – is naar uiterlijke verschijningsvorm bezien zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan dan dat verdachte – minst genomen – de aanmerkelijke kans op die dood bewust heeft aanvaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de doodsoorzaak niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.

Als het hof de doodsoorzaak zoals is opgenomen in de tenlastelegging wel bewezen acht, dan moet verdachte worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde moord, omdat de ‘voorbedachte raad’ ontbreekt. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde doodslag, omdat niet blijkt dat opzet op de dood aanwezig is geweest. De verdediging refereert zich wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde dood door schuld aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

Beknopte tijdlijn

In de ochtend van [geboortedatum 2] 2023 is [slachtoffer] , de dochter van verdachte, in het ziekenhuis geboren. Op [datum 1] 2023 rond 14:00 uur zijn verdachte en [slachtoffer] , die in goede conditie verkeerde, ontslagen uit het ziekenhuis. Uit het proces-verbaal camerabeelden leidt het hof af dat de verdachte en [slachtoffer] op [datum 1] rond 15.17 uur zijn aangekomen in het asielzoekerscentrum (hierna: AZC) locatie [locatie 2] .

Ongeveer een uur later zijn de [Beroep getuige 1] (getuige [getuige 1] ) en een [Beroep getuige 2] (getuige [getuige 2] ) bij het AZC gearriveerd. Omstreeks 16:45 hebben zij het AZC weer verlaten.

Rond 18:52 hebben politieambtenaren melding gekregen van de reanimatie van (naar later bleek) [slachtoffer] . [slachtoffer] is vervolgens terwijl zij gereanimeerd werd met de ambulance naar het [locatie 3] te [plaats] gebracht. Daar aangekomen bleek de baby een temperatuur van 25 graden te hebben en is de reanimatie om 19.48 uur in overleg met de artsen gestopt. [slachtoffer] – zo volgt hieruit – was overleden.

Verklaringen getuigen (en verdachte)

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op [datum 1] 2023 samen met getuige [getuige 2] de kamer van verdachte in het AZC is ingelopen. Zij zag een badje op de grond staan en zag verdachte op een afstand van één meter van het badje. De baby lag op haar rug met haar hoofdje onder water, daarboven was nog 5 cm water. Getuige [getuige 1] schreeuwde “Wat doe je??”. Verdachte keek in de richting van getuige [getuige 1] toen zij schreeuwde. [getuige 1] zag dat verdachte schrok en meteen de baby pakte. De baby maakte geen geluid toen zij uit het water werd gehaald. Haar ogen waren groot, het gezichtje was paars en zij hapte naar adem. De lippen van de baby waren blauw en er liep water uit de mond van de baby. Toen getuige [getuige 1] het kindje wilde pakken, sloeg verdachte haar arm weg en hield de baby op haar arm. Verdachte liet het niet toe dat getuige [getuige 1] de baby overnam, maar verrichtte zelf ook geen handelingen bij haar baby. Getuige [getuige 1] heeft water uit haar neus, mond en oren verwijderd. De baby spuugde water en slijm. Getuige [getuige 1] heeft verder verklaard dat verdachte haar baby heel lang naakt op haar arm had. Zij heeft verdachte een hydrofiele doek gegeven, die zij om de baby deed. Getuige [getuige 1] heeft tegen verdachte gezegd dat ze de baby kleren aan moest doen. Dat deed verdachte niet. Ondanks dat getuige [getuige 1] gebaarde dat verdachte een mutsje op moest doen – het hoofdje van de baby voelde koud aan – deed zij ook dit niet. Het is getuige [getuige 1] niet gelukt om ervoor te zorgen dat de baby aangekleed was voordat zij wegging, de baby bleef naakt liggen in een natte handdoek (het hof begrijpt: de hydrofiele doek).

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij achter getuige [getuige 1] de kamer van verdachte in is gelopen. Zij zag dat verdachte met haar rug naar de baby gekeerd met iets bezig was.

De baby lag alleen in het badje. Zij zag dat toen verdachte hen zag, ze direct naar de baby toedraaide en de baby oppakte. Getuige [getuige 2] zag dat de baby aan het verstikken was in het water en dat de baby moest hoesten. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte hen probeerde weg te duwen en dat zij de baby niet mochten aanraken.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 17 april 2026 verklaard dat zij [slachtoffer] in het badje heeft gelegd.

De politieambtenaren die naar aanleiding van de melding van 18.52 uur ter plaatse waren gekomen troffen een blauwe, koude baby aan, zonder ademhaling. De baby was levenloos. Zij hebben geprobeerd de baby te reanimeren. Eén van hen heeft geprobeerd om lucht in het lichaampje van de baby te blazen. Hij kreeg daarbij een plas bloed in zijn mond. Na het uitspugen van het bloed constateerde de politieambtenaar dat het bloed er erg waterig uitzag. Hij is doorgegaan met de beademing totdat hij werd afgelost door het ambulancepersoneel.

Doodsoorzaak

[slachtoffer] is na het overlijden onderzocht door drs. D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog. Deze arts overweegt dat de forensisch pathologische bevindingen van het onderzoek aan de luchtwegen en de longen aspecifiek was, en dat dit kan passen bij verdrinking. Een verdrinkingsproces in water omvat mechanische verstikking door belemmering (afsluiten) van de luchtwegen en verstoring van de gaswisseling in het longweefsel als gevolg van inademing en/of inloop van water in de luchtwegen en de longen. Dit kan resulteren in direct overlijden (tijdens onderdompeling) of uitgesteld overlijden (zoals binnen enkele uren na onderdompeling).

Tijdens de reanimatiepoging was er een sterk verlaagde lichaamstemperatuur wat duidt op onderkoeling ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand. De verhaalde omstandigheden (natte en onbedekte huid van onbekende duur), al dan niet in combinatie met eventuele hersenbeschadiging vanwege zuurstofgebrek (door verhaalde onderdompeling) kunnen dit hebben veroorzaakt.

Rijken concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] mede gezien de verhaalde omstandigheden, kan worden verklaard op basis van verdrinking met een uitgesteld overlijden (na verhaalde onderdompeling) of een direct overlijden (na eventuele hernieuwde onderdompeling). Hierbij kan (een bijdrage van) onderkoeling en/of een andere vorm van mechanische verstikking (waaronder smoren) niet worden uitgesloten. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.

Naar aanleiding van een verzoek van de verdediging heeft drs. D.J. Rijken in hoger beroep aanvullend bericht. Daarin heeft hij antwoord heeft gegeven op de aanvullende vragen van de verdediging en heeft hij onder andere verklaard dat de mogelijkheid van uitgesteld overlijden na onderdompeling in water, bijvoorbeeld als gevolg van longschade of hersenschade (in het kader van doorgemaakt zuurstofgebrek), in de wetenschappelijke literatuur algemeen is aanvaard. Ook heeft hij (wederom) verklaard dat het mogelijk is dat onderkoeling heeft bijgedragen aan het overlijden van de baby.

Het hof komt tot het oordeel dat de door de forensisch patholoog beschreven verklaring van de doodsoorzaak en zijn conclusies worden gedragen door zijn bevindingen en passen bij de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden (de verklaringen van de getuigen, het relaas van de verbalisanten en de verklaring van verdachte zelf). De onderdompeling en vervolgens hoesten, snakken naar adem en het bloed uit het neusje van de baby, zoals door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verbalisant zijn beschreven, passen bij een verdrinkingsproces. Daarnaast hebben de getuigen verklaard dat [slachtoffer] , nadat zij uit het badje was gehaald, bloot, en later half bloot (alleen bedekt door een natte hydrofiele doek) op de arm van verdachte heeft gelegen, wat kan bijdragen aan de onderkoeling die later is geconstateerd (25° C lichaamstemperatuur) en kan hebben bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] . Op grond van dit samenstel van bevindingen en verklaringen komt het hof tot de conclusie dat [slachtoffer] is overleden door de onderdompeling in het badje gevolgd door onderkoeling ten gevolge van het handelen van verdachte na de onderdompeling in het badje.

Het hof moet vervolgens beoordelen of het handelen van verdachte een strafbaar feit oplevert en zo ja, welk strafbaar feit.

Voorbedachte raad

Voor de primair tenlastegelegde moord is voorbedachte raad vereist. Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat onvoldoende concrete omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en zal verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde moord.

Opzet op de dood

Om tot een bewezenverklaring van doodslag te kunnen komen dient te worden vastgesteld dat het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] was gericht. Het hof overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft haar één dag oude baby in bad gedaan en haar daarbij losgelaten waardoor de baby met haar hoofdje onder water is geraakt. De verdachte heeft zich daarbij afgewend van het badje en was op enige afstand met haar rug richting het badje geplaatst. Het kan niet anders dan dat de verdachte heeft geweten en gezien dat haar één dag oude baby niet bij machte was zelf haar hoofdje boven water te houden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte – naar eigen zeggen – in [land van herkomst] al drie eigen kinderen heeft verzorgd en in bad heeft gedaan. Dat zij daarbij destijds geholpen zou zijn, zoals zij heeft verklaard, doet daaraan niet af.

Verder neemt het hof in aanmerking dat op het moment dat verdachte de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zag binnenkomen en [getuige 1] hoorde roepen, zij [slachtoffer] meteen heeft opgepakt. Dit wijst erop dat zij zich er bewust van was dat [slachtoffer] uit het water moest worden gehaald, maar zij dat pas heeft gedaan zodra de getuigen haar zagen. Hierna heeft zij alle aangeboden hulp van de kraamzorg afgehouden terwijl zij zelf geen handelingen ondernam die erop gericht waren haar baby de benodigde hulp en zorg te bieden. De aansporingen van de kraamzorg om de baby warm te houden en aan te kleden heeft zij niet opgevolgd. Ook de Somalische buurvrouw van verdachte (in het AZC) had tegen verdachte gezegd dat het koud was en dat de baby extra moest worden aangekleed. Verdachte heeft [slachtoffer] geruime tijd zonder kleding, en later met alleen een natte doek om, in haar armen gehouden.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang en naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, komt het hof tot de conclusie dat verdachte (vol) opzet op de dood van haar baby heeft gehad.

In reactie op de verklaring die verdachte in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende – kort gezegd – dat zij een doek zocht om [slachtoffer] in te wikkelen overweegt het hof nog het volgende. Er lag een hydrofiele doek op het bed, vlak bij het badje. Dat verdachte ook nog een andere doek zou hebben klaargelegd, die zou zijn gevallen, vindt geen enkele steun in het dossier. Daarbij is het hoogst onaannemelijk dat verdachte – moeder van drie kinderen – haar één dag oude baby in bad loslaat om een doek te zoeken, terwijl een andere doek voor het grijpen ligt. Het hof schuift de verklaring van verdachte dan ook als onaannemelijk terzijde. Datzelfde geldt voor haar verklaring – voor het eerst afgelegd in hoger beroep – dat zij het hoofdje van de baby op/tegen een verdikking heeft gelegd waardoor het boven water bleef. Niet alleen is het hoofdje niet boven water gebleven, het is ook op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat het mogelijk was om de baby op een dusdanige wijze in het badje te leggen dat zonder verdere hulp het hoofdje niet onder water zou raken. Bovendien komt de verklaring van verdachte waar het hoofdje van de baby lag (dat zou volgens verdachte bij een verdikt stukje hebben gelegen) niet overeen met de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , waaruit volgt dat de baby met het hoofdje aan de andere kant van het badje lag. Gelet op het voorgaande acht het hof de subsidiair tenlastegelegde doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft voor het geval het hof tijdens de beraadslaging tot een bewezenverklaring komt verzocht om professor W.L.J.M. Duijst als getuige-deskundige te horen om meer duidelijkheid te krijgen over de doodsoorzaak van [slachtoffer] .

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.

Het hof acht zich, gelet op de inhoud van het dossier waaronder in het bijzonder de rapportage van 16 april 2024 die is opgemaakt door drs. D.J. Rijken, de beantwoording van de nadere vragen die door de verdediging zijn gesteld aan drs. D.J. Rijken en de verklaring die verdachte zelf heeft afgelegd, voldoende voorgelicht. Daarbij neemt het hof verder in aanmerking dat – zoals hiervoor is overwogen – de baby in goede conditie verkeerde toen zij het ziekenhuis verliet en niet is gebleken dat er aanknopingspunten zijn voor een aannemelijke andere doodsoorzaak dan hiervoor is vastgesteld (kort gezegd: verdrinking gevolgd door onderkoeling ten gevolge van het handelen door verdachte). Het hof ziet daarom geen noodzaak dit verzoek te honoreren en zal het verzoek dan ook afwijzen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

subsidiair zij op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats] haar dochter [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2023) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] (geheel ontkleed) in een babybad(je), gevuld met water, te leggen en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer] (gedurende enkele seconden en/of minuten) geheel onder water heeft laten zakken en/of (daarbij) heeft losgelaten en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] bloot te stellen aan onderkoeling.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte – overeenkomstig het vonnis van de rechtbank – een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest, wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheid dat het verlies van haar kindje en de detentie bijzonder zwaar voor haar zijn. Vanwege de taalbarrière verkeert verdachte in detentie in een sociaal isolement.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft haar één dag oude baby om het leven gebracht. Hiermee heeft zij zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig strafbaar feit. De pasgeboren, nog weerloze baby was voor haar welzijn en verzorging volledig afhankelijk van haar moeder. Het hof rekent het verdachte aan dat zij de baby niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden die zij nodig had en waar zij recht op had.

Daarnaast heeft verdachte de medewerkers van de kraamzorg, de hulpverleners (politie en ambulance) en de betrokkenen in het AZC emotioneel enorm belast door wat zij heeft gedaan. De medewerkers van de kraamzorg hebben [slachtoffer] in het badje aangetroffen en hebben geprobeerd de baby te helpen. De verbalisant heeft bij de reanimatie lucht in het lichaampje van de baby geblazen, waarbij bloed in de mond van de verbalisant terechtkwam. Hun hulp heeft helaas niet mogen baten. Ook blijkt uit het dossier dat de buurvrouw en overige aanwezigen in het AZC veel van de situatie hebben meegekregen. Het kan niet anders dan dat deze gebeurtenissen een grote impact hebben gehad op de betrokkenen.

Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit volgt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, zodat dat niet strafverhogend of -verlagend werkt.

Gelet op het voorgaande neemt het hof als uitgangspunt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren passend is.

Het hof heeft verder gelet op het Pro Justitia rapport van 16 oktober 2025. Uit dit rapport komt, net als uit het Pro Justitia rapport van 5 juli 2024, naar voren dat bij verdachte geen psychische stoornis is waargenomen. Zij heeft als vluchtelinge uit [land van herkomst] wel veel traumatische gebeurtenissen meegemaakt die een grote stempel op haar leven hebben gedrukt, maar heeft daardoor geen (kenbare) psychische stoornis ontwikkeld. Het advies is dan ook om het tenlastegelegde – indien bewezen – verdachte volledig toe te rekenen. Naar aanleiding van verzoeken van de verdediging is geconcludeerd dat het niet waarschijnlijk is dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Uit het reclasseringsrapport van 14 april 2026 komt naar voren dat een inschatting van het recidiverisico niet mogelijk is en de reclassering geen mogelijkheid ziet voor interventies of toezicht.

Uit de rapportages volgt – zoals hiervoor overwogen – dat verdachte veel heftige, traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt. Verdachte kan bovendien niet lezen en schrijven, is de Nederlandse taal niet machtig en heeft geen netwerk in Nederland. Dit alles kan ertoe leiden dat verdachte in een isolement raakt en maakt dat haar detentie zwaarder is dan voor de ‘gemiddelde’ gevangene. Daarbij zal zij moeten leven met het verlies van haar dochter en met het feit dat zij verantwoordelijk is voor haar dood. Ondanks dat zij dit zelf heeft veroorzaakt, gaat het hof ervan uit dat dit een forse emotionele impact heeft op verdachte. Verder neemt het hof in aanmerking dat verdachte in hoger beroep haar ontkennende houding heeft laten varen en enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor het overlijden van [slachtoffer] . Het hof zal met deze persoonlijke omstandigheden in enige mate ten gunste van verdachte rekening houden bij het bepalen van de straf.

Concluderend is hof van oordeel dat, met het oog op de hierboven beschreven ernst van het feit en de volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijfeneenhalf jaar passend en geboden is. Het hof ziet geen reden voor de oplegging van een deels voorwaardelijke straf, reeds omdat er geen mogelijkheden zijn tot interventies of toezicht.

Het hof stelt echter vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is in hoger beroep op vier dagen na, met vijf maanden overschreden. Het hof zal daarom de in beginsel passend en geboden geachte gevangenisstraf van vijfenhalf jaar (66 maanden) matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gelet op de bewezenverklaring en straf die het hof oplegt wordt het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag moet teruggaan naar de rechthebbende.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.

Uit het dossier volgt dat de inbeslaggenomen emmer toebehoort aan het asielzoekerscentrum in [plaats] (locatie [locatie 2] ). Het hof gelast daarom de teruggave van de emmer aan de rechthebbende.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan het asielzoekerscentrum in [plaats] (locatie [locatie 2] ) van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 STK emmer.

Aldus gewezen door

mr. TH.C.M. Willemse, voorzitter,

mr. T. de Bont en mr. L.F. Roseval, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.A. Dunnink, griffier,

en op 1 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 mei 2026.

Tegenwoordig:

mr. M.J. Ouweneel, voorzitter,

mr. S. Dijkman, advocaat-generaal,

mr. L. Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand