GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.375
(zaaknummer rechtbank Gelderland 443674)
beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K. Broere.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 juli 2025;
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
een mail van mr. De Gruijl van 21 augustus 2025;
een journaalbericht van mr. De Gruijl van 21 augustus 2025 met productie;
een journaalbericht van mr. De Gruijl van 26 november 2025 met productie;
een journaalbericht van mr. Broere van 28 november 2025 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar coach [naam1] ;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming, in het kader van de zorgregeling.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019 (hierna: [de minderjarige1] ), over wie zij gezamenlijk zijn belast met het gezag.
[de minderjarige1] woont bij de moeder.
De moeder heeft uit een eerdere relatie een minderjarige zoon: [de minderjarige2] , geboren [in] 2012 (hierna: [de minderjarige2] ). [de minderjarige2] woont ook bij de moeder.
Bij beschikking van 12 januari 2023 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige1] om de week (in de oneven weekenden) van vrijdag 8.30 uur (later: uit school) tot maandag 8.30 uur (later: naar school) bij de vader verblijft en een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.
Bij beschikking van 19 september 2023 heeft dit hof de beschikking van 12 januari 2023 van de rechtbank bekrachtigd voor wat betreft de reguliere zorgregeling en vernietigd voor wat betreft de vakantie- en feestdagenregeling de volgende vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld:
herfstvakantie: [de minderjarige1] verblijft tijdens de herfstvakantie bij de vader;
kerstvakantie: [de minderjarige1] verblijft de dag voor kerst vanaf 10.00 uur tot tweede kerstdag 10.00 uur bij de moeder en tweede kerstdag vanaf 10.00 uur tot de dag daarna 10.00 uur bij de vader. [de minderjarige1] verblijft met oud en nieuw elk jaar afwisselend bij de ene en bij de andere ouder. De overige dagen in de kerstvakantie verblijft [de minderjarige1] in de tweede week bij de ouder bij wie ze oud en nieuw viert en de eerste week bij de andere ouder. De overdracht na de eerste week vindt plaats op zondag 10.00 uur;
voorjaarsvakantie: [de minderjarige1] verblijft in de voorjaarsvakantie bij de moeder;
meivakantie: [de minderjarige1] verblijft de eerste week bij de ouder die het eerste weekend heeft volgens de normale zorgregeling tot zaterdag na die week 10.00 uur en de tweede week bij de ouder die het tweede weekend heeft volgens de normale planning van zaterdag 10.00 uur tot een week later 10.00 uur, daarna wordt de normale regeling gevolgd;
zomervakantie: [de minderjarige1] verblijft in de eerste week vanaf vrijdag uit school bij de moeder en de vierde week en de vijfde week, en zij verblijft in de tweede en derde week bij de vader en de zesde week tot vrijdag 19.00 uur;
studiedagen, Sinterklaas, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren: de normale regeling loopt door;
Vaderdag/Moederdag: indien [de minderjarige1] niet al volgens de normale regeling bij de desbetreffende ouder verblijft, is zij vanaf die dag om 10.00 uur tot en met maandag naar kinderdagverblijf/school bij die ouder.
Ook heeft het hof bepaald dat de ouder bij wie [de minderjarige1] heeft verbleven, verantwoordelijk is voor het vervoer naar de andere ouder, naar het kinderdagverblijf of naar school.
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 september 2024 vastgesteld dat de toepassing van de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen van de vader eindigt met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.
4. Het geschil
Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [de minderjarige1] moet betalen:
- met ingang van 13 november 2024 een bedrag van € 373,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 397,25 per maand.
Verder heeft de rechtbank de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling tussen hem en [de minderjarige1] vanwege het feit dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de kinderalimentatie en de tweede grief ziet op de zorgregeling.
De vader verzoekt het hof – na verduidelijking op de mondelinge behandeling – de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- het verzoek van de moeder tot betalen van kinderalimentatie alsnog af te wijzen dan wel te bepalen dat de vader een bedrag van € 25,- per maand dient te voldoen;
- het primaire of subsidiaire verzoek van de vader voor wat betreft de zorgregeling en de feest- en vakantiedagen alsnog toe te wijzen.
De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de afwijzing van het verzoek tot proceskostenveroordeling.
De moeder vraagt in principaal beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze af te wijzen. In incidenteel beroep verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
De vader voert verweer in incidenteel hoger beroep en hij vraagt het hof het verzoek van de moeder in incidenteel beroep af te wijzen.
Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.
5. De overwegingen voor de beslissing
Zorgregeling
In artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW staat dat de rechter een zorgregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de zorgregeling opnieuw kan worden bekeken. Hiertoe overweegt het hof dat [de minderjarige1] inmiddels naar school gaat, dat de vader inmiddels het traject parallel solo ouderschap heeft afgerond en dat de belregeling, die de ouders in onderling overleg waren overeengekomen, is gestopt waardoor de vader nu minder contact met [de minderjarige1] heeft.
Inhoudelijk
Het hof is met de raad voor de kinderbescherming van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige1] is om de huidige zorgregelen te wijzigen. De zorgregeling verloopt redelijk goed, ondanks de moeizame communicatie tussen de ouders. De ouders discussiëren over veel onderwerpen en er zijn veel spanningen tussen hen. Dat voelt [de minderjarige1] en dat heeft zijn weerslag op haar. De raad heeft de ouders dan ook geadviseerd om de communicatie tussen hen beiden zo rustig mogelijk te houden. Een wijziging in de huidige zorgregeling geeft alleen maar meer onrust in de onderlinge verhoudingen en dat is niet in het belang van [de minderjarige1] .
Voor de volledigheid overweegt het hof dat de verzoeken van de vader geen verduidelijking zijn van de regeling, zoals de vader stelt.
Het hof zal het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling dan ook afwijzen.
Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige1] dat de moeder haar blijft stimuleren om te bellen met de vader, zoals zij op de mondelinge behandeling heeft verklaard te doen.
Kinderalimentatie
De aanbevelingen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen zullen worden toegepast.
Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof zal bij de bespreking van de draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen. Het hof bespreekt hierna alleen die uitgangspunten waarover partijen van mening verschillen (voor zover van toepassing).
Ingangsdatum
De ouders zijn het erover eens dat 13 november 2024 als ingangsdatum voor het betalen van de kinderalimentatie moet worden gehanteerd.
Behoefte kind
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 501,- per maand in 2024 is niet in geschil en staat daarmee vast. De behoefte van [de minderjarige1] in 2025 is € 534,- per maand en in 2026 € 558,- per maand.
Draagkracht vader
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vader zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Gelet op hetgeen onder 5.7 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 13 november 2024.
Inkomen
De vader heeft een WIA-uitkering van € 4.274,- bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%. Het hof zal geen rekening houden met een loonstijging door het inkomen van de vader te indexeren, zoals de moeder vraagt, omdat de te berekenen kinderalimentatie per 1 januari 2025 en 1 januari 2026 zal worden verhoogd met de wettelijke indexering.
Uit de aangehechte berekening volgt dat het NBI van de vader € 3.021,- bedraagt.
Extra lasten
(1) kledingkosten
Het hof houdt net als de rechtbank rekening met een bedrag van € 20,- per maand aan kledingkosten die de vader voor zijn rekening neemt. De vader heeft, bij gemotiveerde betwisting door de moeder, onvoldoende onderbouwd dat hij meer kosten voor zijn rekening neemt. Het hof weegt mee dat [de minderjarige1] een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft en dat de moeder een jas en schoenen voor haar koopt.
(2) kosten lening: auto en verhuizing
Anders dan de rechtbank houdt het hof wel rekening met de aflossing van de lening van € 300,- per maand die de vader bij zijn vader heeft afgesloten ter hoogte van € 12.600,- voor de auto en de verhuizing. Dit is een niet vermijdbare, niet verwijtbare last. De vader heeft de overeenkomst van geldlening overgelegd en aflossingsbewijzen van de betalingen.
De vader heeft onbestreden gesteld dat hij de auto van (het bedrijf van) de moeder aan haar heeft moeten teruggeven. Om de zorgregeling te kunnen uitvoeren, heeft hij een andere auto moeten kopen. Nu de vader geen financiële middelen had om de auto te betalen, was het voor hem noodzakelijk om hiervoor een lening aan te gaan.
Verder staat vast dat de vader niet in zijn woning kon blijven wonen en is verhuisd. De vader heeft geen financiële middelen om de kosten die hij hiervoor heeft moeten maken te betalen, zodat hij genoodzaakt was om hiervoor een lening aan te gaan.
Het hof is niet gebleken dat deze lening ook ziet op de betaling van de advocaatkosten, zoals de moeder op de mondelinge behandeling heeft aangevoerd.
(3) medische kosten
Het hof houdt rekening met de betalingsverplichting van de vader voor de fysiotherapeut, de ergotherapeut en de eigen bijdrage van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) omdat die verplichtingen zien op een niet vermijdbare, niet verwijtbare last. Voor het hof staat vast dat de vader de nodige medische klachten heeft. De vader heeft recht op een WIA-uitkering en de diagnoses (zenuwbeknelling, klapvoet, frozen shoulder, chronisch pijnsyndroom) zijn niet betwist. Verder heeft de vader onbestreden gesteld dat zijn medische toestand steeds slechter wordt en dat hij naar alle waarschijnlijkheid eindigt in een rolstoel. De vader heeft vanuit de Wmo recent een driewielfiets gekregen en heeft hulp bij het huishouden. Het hof gaat ervan uit dat de vader aangewezen blijft op de fysiotherapeut en de ergotherapeut en dat hij de eigen bijdrage van de Wmo verschuldigd blijft, gelet op zijn situatie. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat de vader recht heeft op een vergoeding van de kosten voor de fysiotherapeut en ergotherapeut indien hij een aanvullende ziektekostenverzekering afsluit, omdat de vader al een aanvullende ziektekostenverzekering heeft. Verder houdt het hof geen rekening met een mogelijke vergoeding van kosten door de aansprakelijkheidsverzekeraar, zoals de moeder stelt, omdat deze vergoeding nog niet is komen vast te staan.
Voor de fysiotherapeut houdt het hof rekening met een bedrag van € 28,27 per maand. Dit bedrag is opgebouwd uit acht behandelingen die niet worden vergoed van € 42,40 per behandeling verdeeld over een jaar.
Voor de ergotherapeut houdt het hof rekening met een bedrag van € 43,75 per maand. Dit zijn de kosten voor tien uren niet vergoede behandeling van € 105,- per uur.
Uit de recente facturen van CAK van september en oktober 2025 blijkt dat de eigen bijdrage van de Wmo € 21,- per maand bedraagt.
Het hof houdt geen rekening met de overige door de vader gestelde medische kosten, te weten kosten voor de sportschool, medicatie en reiskosten ziekenvervoer. Het hof verwacht dat de vader deze kosten voldoet uit de gecorrigeerde bijstandsnorm dan wel zijn vrije ruimte.
Het vorenstaande brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de vader met een bedrag van € 413,02 per maand aan extra lasten zal verhogen.
De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.270,- + € 413,- overige lasten)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 2.065,‑ per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de vader het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen voor forfaitaire woonlasten, vermeerderd met de hiervoor genoemde bedragen van € 1.270,- + € 413,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Uit de aangehechte berekening volgt dan verder dat de vader een draagkracht heeft van € 302,- per maand.
Draagkracht moeder
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de moeder haar NBI tot uitgangspunt nemen. Gelet op hetgeen onder 5.7 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof ook de draagkracht van de moeder beoordelen vanaf 13 november 2024.
Inkomen
Voor de hoogte van het inkomen van de moeder volgt het hof de rechtbank.
Het hof houdt geen rekening met de wijziging van het dienstverband, omdat de moeder nagenoeg hetzelfde inkomen behoudt.
Het hof houdt ook geen rekening met inkomen uit de ondernemingsactiviteiten van de moeder, omdat onbestreden is gesteld dat deze inkomsten – voor zover zij die al heeft – ten koste gaan van haar inkomen uit loondienst. De moeder is namelijk slechts beperkt belastbaar en wel voor 20 uur per week.
Dit betekent dat het NBI van de moeder € 1.596,- per maand is en dat de moeder een draagkracht heeft van € 50,- per maand.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Tussen de ouders is niet in geschil dat de voor [de minderjarige1] beschikbare draagkracht van de moeder mede wordt bepaald door haar onderhoudsplicht voor [de minderjarige2] . De vader van [de minderjarige2] ( [naam2] ) dient ook in de behoefte van [de minderjarige2] bij te dragen.
Gelet op de invloed van de onderhoudsplicht van de moeder jegens [de minderjarige2] op de draagkracht ten behoeve van de onderhoudsplicht van de vader jegens [de minderjarige1] , betrekt het hof ook de behoefte van [de minderjarige2] en de draagkracht van [naam2] in de beschouwing.
Beschikbare draagkracht per kind
[de minderjarige1]
De behoefte van [de minderjarige1] bedraagt in 2024 € 501,- per maand, in 2025 € 534,- per maand en in 2026 € 558,- per maand.
De draagkracht van de vader is € 302,- per maand in 2024 en in gevolge de wettelijke indexering € 322,- per maand in 2025 en € 336,- per maand in 2026.
De draagkracht van de moeder is € 50,- voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . Het aandeel van de moeder in de kosten van [de minderjarige1] bedraagt ongeveer 50/(501 + 596)) x € 501 = € 23,- per maand in 2024, 50/(534+596) x € 558 = € 24,- per maand in 2025 en 50/558+596 x € 558 = € 24,- per maand in 2026.
In 2024 hebben de ouders dus een tekort in draagkracht van € 176,- per maand.
In 2025 hebben de ouders een tekort van € 188,- per maand.
In 2026 hebben de ouders een tekort van € 198,- per maand.
[de minderjarige2]
De behoefte van [de minderjarige2] bedraagt € 596,- per maand.
De moeder heeft een draagkracht van € 27,- per maand voor [de minderjarige2] in 2024 en een draagkracht van € 26,- per maand in de jaren 2025 en 2026.
In de periode vanaf 13 november 2024 tot 1 april 2025 had de vader van [de minderjarige2] geen draagkracht en bedroeg de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige2] nihil, zoals blijkt uit de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 juli 2024.
De vader van [de minderjarige2] betaalt vanaf 1 april 2025 € 436,- per maand.
De moeder en [naam2] hebben dus ook een tekort aan draagkracht om in de volledige behoefte van [de minderjarige2] te voldoen.
Aangezien de onderhoudsplichtigen gezamenlijk over onvoldoende draagkracht beschikken om in de behoefte van de kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig zijn te voorzien, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
Dit betekent dat de vader zijn volledige draagkracht dient aan te wenden voor [de minderjarige1] .
Vermindering met de zorgkorting
De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Omdat de zorgregeling niet wordt gewijzigd, zal het hof net als de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25%.
De zorgkorting bedraagt in 2024 € 125,- per maand, in 2025 € 133,50 per maand en in 2026 € 139,50 per maand.
De onderhoudsplichtigen hebben samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van [de minderjarige1] te voorzien. Dat tekort moeten zij ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage van de vader.
In 2024 bedraagt de helft van het tekort € 88,- per maand, in 2025 € 94,- per maand en in 2026 € 99,- per maand. Deze tekorten verminderen de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt afgetrokken van het bedrag dat de vader aan de moeder dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Het hof houdt dan ook nog rekening met een zorgkorting van € 37,- per maand in 2024, € 39,50 per maand in 2025 en € 40,50 per maand in 2026.
Dit betekent dat de vader na aftrek van de zorgkorting de volgende bedragen in de volgende perioden dient te betalen:
- € 265,- per maand vanaf 13 november 2024 tot 1 januari 2025;
- € 292,50 per maand in 2025;
- € 295,50 per maand vanaf 1 januari 2026.
Terugbetalingsverplichting
Zoals hiervoor overwogen hanteert het hof als ingangsdatum van de kinderalimentatie 13 november 2024.
Het hof moet beoordelen of en in hoeverre van de moeder in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het te veel ontvangene aan de vader terugbetaalt.
Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is en deze niet de volledige behoefte van [de minderjarige1] heeft gedekt, overweegt het hof dat, voor zover de moeder ten behoeve van [de minderjarige1] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het te veel betaalde door haar niet aan de vader terugbetaald hoeft te worden.
6. De slotsom
Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna gemeld.
Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat de ouders een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het tijdens die relatie geboren kind betreft. Daarbij kan het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de proceskosten niet slagen, omdat hij grotendeels in het gelijk wordt gesteld.
7. Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de vader gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
8. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025 en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan [de minderjarige1] , geboren [in] 2019, als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging zal voldoen:
- € 265,- per maand vanaf 13 november 2024 tot 1 januari 2025;
- € 292,50 per maand in 2025;
- € 295,50 per maand vanaf 1 januari 2026,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat het door de vader te veel betaalde of op hem verhaalde bijdrage door de moeder niet aan de vader hoeft te worden terugbetaald;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties;
wijst af het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.