[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het mishandelen en beledigen van een politieambtenaar. Daarvoor is hem een taakstraf van 120 uren opgelegd, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 797,13 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 20 juli 2024 te [plaats] , een ambtenaar, [benadeelde] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in zijn borstspier, althans in zijn lichaam te knijpen.
2.hij op of omstreeks 20 juli 2024 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , [functie] bij de Eenheid Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'je bent een sukkel' en/of 'je bent een kankerlijer', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijs
Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt ten aanzien van deze feiten volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor opgesomde wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 20 juli 2024 te [plaats] , een ambtenaar, [benadeelde] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem in zijn borstspier te knijpen.2.hij op 20 juli 2024 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde] , [functie] bij de Eenheid Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'je bent een sukkel' en 'je bent een kankerlijer'.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en belediging van een politieambtenaar. Dit betreffen kwalijke en ergerlijke feiten. Bovendien is door het handelen van verdachte blijvend letsel ontstaan, waar aangever nog dagelijks de gevolgen van ondervindt. Het gebeuren heeft voor aangever en zijn gezin op verschillende vlakken een behoorlijke impact gehad.
Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat hij eerder een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor belediging van een ambtenaar. Hiervoor is hem een geldboete opgelegd. Deze strafbeschikking was ten tijde van het onderhavige feit onherroepelijk en heeft hem er destijds dus niet van weerhouden de bewezenverklaarde feiten te begaan. Verdachte is niet eerder voor geweldsdelicten veroordeeld.
Bij de bespreking van de ten laste gelegde feiten op de zitting, is aan de orde gekomen dat de ten laste gelegde feiten in een periode zijn gepleegd waarin het niet goed ging met verdachte. Hij woonde destijds op zichzelf, had te kampen met depressiviteit en kon zich niet goed alleen redden. Dit had tot gevolg dat verdachte op momenten teveel alcohol dronk, wat leidde tot het plegen van delicten, zoals de onderhavige. Inmiddels gaat het een stuk beter met hem. Hij woont weer thuis bij zijn ouders en volgt een BBL-opleiding (Beroepsbegeleidende Leerweg). Verdachte heeft verder verteld dat hij professionele hulp heeft gehad voor zijn depressie en dat het psychisch gezien ook beter gaat. Er zijn geen excessen meer geweest qua alcoholgebruik.
Verder is voor de strafoplegging van belang dat verdachte in de zittingszaal van het hof rechtsreeks spijt heeft betuigd richting aangever. Hij heeft verklaard geschrokken te zijn van het letsel dat aangever heeft opgelopen. Hij is hiervan pas in hoger beroep op de hoogte geraakt. Daarnaast heeft hij verklaard in te zien hoe kwalijk zijn handelen is geweest en dat daarvoor geen enkele rechtvaardiging bestond. Verdachte heeft daarbij een oprechte indruk gewekt. Het hof gelooft dat verdachte werkelijk gemotiveerd is de ingeslagen positieve weg voort te zetten.
Dit neemt niet weg dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten vanuit het oogpunt van vergelding en generale preventie oplegging van een straf rechtvaardigen. Alles afwegende acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een passende bestraffing. Het voorwaardelijk gedeelte van de straf dient daarbij als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.297,13 ingediend, bestaande uit € 797,13 aan materiële schade en € 6.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 5.797,13. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De door de benadeelde partij gestelde materiële schade betreft kosten van fysiotherapie, het maken van een echo en misgelopen onregelmatigheidstoeslag. Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn deze kosten te betalen.
Ook de gevorderde immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Gelet op alle omstandigheden van dit geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 6.500,00. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt laten meewegen en voorts gelet op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 8.500 en € 13.000 billijk kan zijn bij middelzwaar schouderletsel.
Gelet hierop komt de gevorderde immateriële schadevergoeding het hof niet overmatig voor en acht het hof toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 6.500,00 billijk.
De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten vanaf 20 juli 2024.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.297,13 (zevenduizend tweehonderdzevenennegentig euro en dertien cent) bestaande uit € 797,13 (zevenhonderdzevenennegentig euro en dertien cent) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.297,13 (zevenduizend tweehonderdzevenennegentig euro en dertien cent) bestaande uit € 797,13 (zevenhonderdzevenennegentig euro en dertien cent) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 23 (drieëntwintig) termijn(en) van 1 maand, groot € 305,00 (driehonderdvijf euro) en in 1 (één) termijn van 1 maand, groot € 282,13 (tweehonderdtweeëntachtig euro en dertien cent).
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. A. Meester en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. H. Akkerman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 mei 2026.