Wrakingskamer
Kenmerk TBS: P25/394
Wrakingsnummer: W.200.367.309
Uitspraakdatum: 1 mei 2026
Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door
[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [afdeling] , [locatie] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Procedure
Ter terechtzitting van de kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie op 2 april 2026 heeft verzoeker, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, de wraking verzocht van de voorzitter, mr. M. Keppels.
Mr. Keppels heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten, geen gebruik te maken van de gelegenheid te worden gehoord en in het wrakingsverzoek geen aanleiding te zien voor een inhoudelijke reactie.
Op de zitting van de wrakingskamer van 17 april 2026 is verzoeker, bijgestaan door mr. Wolters, verschenen. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
Ontvankelijkheid
Het hof acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
Gronden verzoek tot wraking
De gronden van het wrakingsverzoek behelzen, kort gezegd, dat
Juridisch kader
Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden moet slechts wijken als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Beoordeling
De tweede grond van het wrakingsverzoek, inhoudende dat de wrakingskamer van de rechtbank niet heeft beslist op de vier wrakingsgronden die verzoeker op de zittingen van de rechtbank van 2 juni 2025 en 24 juli 2025 heeft aangevoerd, heeft geen betrekking op de behandeling van verzoekers zaak met kenmerk P25/394 en uit deze gestelde omstandigheid kan dan ook geen vooringenomenheid of schijn van partijdigheid van de behandelend raadsheren waaronder de raadsheer waartegen het verzoek is gericht, blijken.
Uit het procesverbaal van de zitting op 2 april 2026 komt naar voren dat verzoeker aan de voorzitter heeft gevraagd of zij een onpartijdige rol zal vervullen. De raadsheer waartegen het verzoek is gericht heeft naar aanleiding daarvan niet anders gereageerd dan met de vraag aan verzoeker “Wat wilt u dat het hof zal beslissen?” en de opmerkingen dat het niet aan het hof is om vragen te beantwoorden en dat het gaat over de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Naar het oordeel van de wrakingskamer vormt deze gang van zaken op de zitting geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor vooringenomenheid of schijn van partijdigheid van de voorzitter, op grond waarvan het vermoeden dat zij uit hoofde van haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn zou moeten wijken.
Het wrakingsverzoek moet daarom worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af het verzoek tot wraking van mr. Keppels. Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. M.H.F. van Vugt en mr. A.E. Keulemans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier,
en op 1 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.E. Keulemans is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 mei 2026.
Tegenwoordig:
mr. TH.C.M. Willemse, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. R. Harsveld, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verzoeker is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.