[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 21 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.D. Arends, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter.
In dat vonnis heeft de politierechter bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en is geen straf of maatregel opgelegd aan de verdachte.Verder is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen.
Het gerechtshof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 28 januari 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem meermalen, in ieder geval éénmaal, in het gezicht te stompen en/of te slaan.
Vrijspraak
Het gerechtshof acht niet bewezen dat de verdachte de aan hem ten laste gelegde mishandeling heeft begaan. Daarom spreekt het gerechtshof de verdachte daarvan vrij.
Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
De verdachte heeft zowel in het politieverhoor als op de zitting bij de politierechter en op de zitting in hoger beroep ontkend dat hij in het [café] in [plaats] [benadeelde] in het gezicht heeft geslagen of gestompt.
Bij de politierechter heeft hij verklaard dat hij op de aan hem getoonde camerabeelden van het voorval heeft gezien dat hij vervelende bewegingen maakte met zijn onderarm. In hoger beroep heeft hij die vervelende bewegingen nader geduid als een wuifgebaar naar [benadeelde] , in de trant van “Ga eens weg”. In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit.
Naar het oordeel van het gerechtshof wordt de aangifte van [benadeelde] niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De - door de politierechter als bewijsmiddel gebruikte - camerabeelden van het voorval zijn naar het oordeel van het gerechtshof te vaag en te onduidelijk. Op basis van die beelden kan het gerechtshof niet vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde] . Het gerechtshof volgt daarom niet de beschrijving van de camerabeelden door de [verbalisant 1] .
Uit het - door de politierechter als bewijsmiddel gebruikte - proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 1 maart 2024 blijkt het volgende.
De portier van het café heeft kort na het voorval verklaard dat de verdachte [benadeelde] met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen. Wie deze portier is geweest, daarvan blijkt niet uit dit proces-verbaal. Uit dit proces-verbaal blijkt daarnaast evenmin wat de bron van wetenschap is van de portier. Daardoor kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre deze verklaring van de portier betrouwbaar te achten is en als belastend bewijs kan dienen.
Aangezien ook overigens geen steunbewijs voor de aangifte aanwezig is, dient het bovenstaande te leiden tot vrijspraak.
Vordering van de benadeelde partij
Nu de - door de politierechter afgewezen - vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet is gehandhaafd in hoger beroep, is die vordering niet meer aan de orde en kan het gerechtshof daarover niet beslissen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. E. de Witt, mr. J. Hielkema en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 mei 2026.