GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.993/01 en 200.362.993/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577927)
beschikking van 7 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep en in het verzoek tot schorsing,
advocaat: mr. J.C.M. Groenestijn te Almere.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 januari 2025 en 24 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, tevens verzoek tot het schorsen van de werking van de bestreden beschikking, met bijlage(n), ingekomen op 21 december 2025;
- een journaalbericht namens de man van 13 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift in het principaal hoger beroep en tegen het verzoek tot schorsing met bijlage(n).
De hierna te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief, binnengekomen bij het hof op 17 maart 2026, haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
De mondelinge behandeling heeft op 8 april 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen met hun advocaten.
Nagekomen stukken
Het hof heeft op 7 april 2026 (daags voor de zitting) van de zijde van de man een tweetal e-mails ontvangen, respectievelijk om 11:31 uur en 21:52 uur, met een aantal producties betreffende zijn financiële situatie. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze producties door beide advocaten kort besproken, zowel op het punt van het tijdstip van indiening als inhoudelijk, waarop mr. Aalmoes namens de man heeft geconcludeerd dat er geen acht hoeft te worden geslagen op deze stukken en dat de stukken als niet ingediend moeten worden beschouwd. Het hof zal daarom de e-mails van 7 april 2026 met de bijbehorende producties niet in zijn oordeel over de kinderalimentatie betrekken.
3. De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2010;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015.
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
De vrouw heeft [in] 2024 met haar huidige partner, de heer [naam] (hierna: [naam] ), een tweeling gekregen.
Bij beschikking van 18 januari 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bepaald dat de man met ingang van 18 oktober 2023 een bedrag van € 152,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: de kinderalimentatie).
De man heeft de rechtbank op 1 juli 2024 verzocht – voor zover hier van belang – om genoemde bijdrage met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen/verlagen naar € 25,- per kind per maand.
De vrouw heeft verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 2024, verzocht om de bijdrage voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van laatstgenoemde datum te verhogen naar € 273,- per kind per maand.
De rechtbank heeft bij beschikking 14 januari 2024 de beslissing over de kinderalimentatie aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld om nadere financiële stukken over te leggen.
4. Het geschil
Bij de bestreden beschikking is (met wijziging van de beschikking van 18 januari 2024) de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 september 2024 bepaald op € 262,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 op € 279,03 per kind per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders door de man en de vrouw verzochte is door de rechtbank afgewezen.
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de tweede grief ziet op de draagkracht van man. De overige in het beroepschrift (onder de tweede grief) ingenomen stellingen van de man, die betrekking hebben op het woonbudget van de vrouw en haar partner en op de zorgkorting, heeft de man tijdens de zitting ingetrokken.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024, althans met ingang van 3 september 2024, althans met ingang van 1 januari 2025, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, derhalve met terugwerkende kracht, te bepalen op € 25,- per kind per maand dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht. Bij wege van incidenteel verzoek heeft de man in verband met de door hem gestelde financiële noodtoestand het hof verzocht te bepalen dat de werking van de bestreden beschikking in afwachting van de uitkomst van het beroep wordt geschorst.
De vrouw voert verweer en zij verzoekt de verzoeken van de man zowel in het incident als in de hoofdzaak af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, inclusief eventuele nakosten, dit conform het liquidatietarief.
5. De overwegingen voor de beslissing
Schorsingsverzoek (200.362.993/02)
De man heeft het schorsingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek.
In de hoofdzaak (200.362.993/01)
Op grond van artikel 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en anderzijds de draagkracht van de ouders. De ouders dienen naar rato van draagkracht bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Het hof is van oordeel dat de man het hof onvoldoende informatie heeft gegeven om de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht op een andere manier vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij heeft zijn stellingen in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom zijn verzoek afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Los van het feit dat het hof voor een berekening van de behoefte van de kinderen de benodigde gegevens mist, omdat die door de man niet zijn aangereikt, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om de behoefte van de kinderen te becijferen op basis van de methode die geldt voor ouders die nimmer hebben samengeleefd, zoals de man heeft bepleit.
Het hof stelt daarbij vast dat ter zitting van het hof is komen vast te staan dat partijen wel degelijk, namelijk tot en met 2015, als gezin hebben samengewoond en dat zij daarna hun relatie nog geruime tijd hebben voortgezet, zij het vanuit afzonderlijke woningen. Hun relatie is vervolgens verbroken in 2017/2018. Er was dan ook voldoende grond voor de rechtbank om bij het bepalen van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit te gaan van de door de vrouw gestelde inkomens van de man en de vrouw in 2017. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken.
Ook voor het standpunt van de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te betalen, ontbreekt een voldoende onderbouwing met stukken. De man heeft in hoger beroep geen andere stukken overgelegd dan hij in eerste aanleg heeft gedaan. In de bestreden beschikking is over die stukken naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat die stukken onvoldoende zijn om zijn netto besteedbaar inkomen te kunnen berekenen.
Zonder voldoende inkomensgegeven ziet het hof geen aanleiding de draagkracht van de man op een andere manier vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof kan zich met die (wijze van) vaststelling verenigen. Het hof verwijst in dit verband naar artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin een opsomming is gegeven van de door een partij te verschaffen financiële informatie als partijen het niet met elkaar eens zijn over de behoefte of de draagkracht.
Het hof is gezien het bovenstaande van oordeel dat de man (ook) in hoger beroep onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd om tot een berekening te kunnen komen, terwijl het op de weg van de man lag om volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie en zijn daarmee samenhangende draagkracht.
Nu het hof bij gebrek aan toereikende gegevens de stelling van de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om maandelijks € 279,03 per kind per maand bij te dragen in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet kan toetsen, zal het verzoek van de man worden afgewezen.
De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Dat betekent dat de man de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet blijven betalen zoals de rechtbank die heeft vastgesteld.
Proceskosten in hoger beroep
Voor verzoekschriftprocedures is met betrekking tot de proceskosten bepaald dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden [artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv]. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of hij in het gegeven geval aanleiding vindt een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.
De vrouw heeft het hof verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Het hof ziet aanleiding dat verzoek toe te wijzen nu de man opnieuw onvoldoende inzicht geeft in zijn financiële situatie, ook in het door hemzelf ingestelde hoger beroep. Dat beroep is als gevolg van het ontbreken van stukken nodeloos ingediend. De kosten voor deze procedure in hoger beroep worden aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 1 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling,
€ 1.290,- per punt) en aan griffierecht € 362,-.
6. De beslissing
Het hof:
in de zaak met de nummer 200.362.993/02
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 september 2025;
in de zaak met de nummer 200.362.993/01
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 september 2025;
veroordeelt de man in de kosten van dit hoger beroep en van het verzoek tot schorsing, aan de zijde van de vrouw begroot op:
- € 362,- voor griffierecht;
- € 2.580,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuijpers, mr. R. Feunekes en mr. L. van Dijk, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 7 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.