ECLI:NL:GHARL:2026:2906

ECLI:NL:GHARL:2026:2906

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 21-001227-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2025:1840

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan meerdere brandstichtingen. De brandstichtingen waren gericht op de – omgeving – van de ex-partner van verdachte. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. Daarnaast wordt een gebiedsverbod opgelegd in de vorm van een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2025 met parketnummer 05-174997-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in P.I. [verblijfplaats]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 28 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. H. Loonstein (waarnemend voor mr. S. Konya), hebben aangevoerd.

Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. J.C.H. Pronk namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep

Verdachte is door rechtbank Gelderland vrijgesproken van feit 3. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak voor feit 3.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Ook heeft de rechtbank verdachte veroordeeld voor tweemaal medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank haar een gebiedsverbod opgelegd in de vorm van een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof vult de bewijsmiddelen aan en komt tot een andere beslissing over de vordering van de benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.zij op of omstreeks 29 april 2024 omstreeks 02:00 uur te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare

en/of licht ontvlambare vloeistof en/of de voor- en/of toegangsdeur en/of het

kozijn van een woning, gelegen op/aan de [adres 1]

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of één of

meer delen van het interieur van deze woning en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te

weten voor één of meer in voornoemde woning aanwezige (en slapende)

bewoner(s) te duchten was;

2.zij op of omstreeks 07 april 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brand

versnellend middel en/of één of meer (onder)de(e)l(en) van een bedrijfsauto (merk

Peugeot v.v.k. [kenteken 1] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde

bedrijfsauto en/of één of meer naast geparkeerd staande personenauto(‘s), te

weten: een Citroën C1 (v.v.k. [kenteken 2] ) en/of een Citroën C1 (v.v.k. [kenteken 3] ) te duchten was;

4.zij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brand

versnellend middel en/of één of meer (onder)de(e)l(en) van een personenauto

(merk Mitsubishi v.v.k. [kenteken 4] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde

personenauto en/of een naast geparkeerd staande personenauto, te weten: een

Renault Twingo (v.v.k. [kenteken 5] ) duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft maakt aan de feiten 1, 2 en 4.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hij heeft daartoe (samengevat) aangevoerd dat de camerabeelden van feit 1 onduidelijk zijn en dat in de chatgesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op geen enkel moment over brandstichting wordt gesproken. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] weinig waarde kan worden gehecht, omdat [medeverdachte] pas na ontvangst van het dossier een andere proceshouding aannam.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde de feiten op juiste wijze heeft vastgesteld en neemt de vaststelling van de feiten dan ook grotendeels over, waarbij het hof dezelfde bewijsmiddelen inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden gebruikt. Het hof neemt ook een deel van de bewijsoverwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Deze onderdelen zijn hierna cursief weergegeven. Waar ‘de rechtbank’ staat, moet ‘het hof’ worden gelezen. De tekst die niet cursief is weergegeven, zijn verbeteringen of toevoegingen van het hof.

Voor de leesbaarheid van het arrest bespreekt het hof de aan verdachte ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 4

Verdachte is bevriend met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) is de ex-partner van verdachte. [benadeelde 1] heeft een nieuwe partner, [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ), die woonachtig is en is ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats] . Tussen verdachte en [benadeelde 1] is een conflict ontstaan over een aan hen beiden toebehorend huis. Verdachte is daarover zo boos geworden dat ze wel eens heeft gedacht dat ze hem zijn kop er af zou willen hakken als ze hem tegenkwam. Verdachte luchtte haar hart daarover tegenover [medeverdachte] ; ze wilde hem financieel helemaal kapot maken en zei wel eens figuurlijk ‘het liefst hak ik zijn kop eraf. [medeverdachte] verklaart dat verdachte [benadeelde 1] niets gunde, zelfs geen adem, zo wraaklustig was zij. Zij was met een complete wraakactie bezig tegen [benadeelde 1] . Zij wilde niet dat hij iets had, geen huis, geen auto, het liefst geen fiets, helemaal niets.

Ten aanzien van feit 2

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij eigenaar is van een Peugot Partner voorzien van kenteken [kenteken 1] . Op 7 april 2024 heeft [benadeelde 1] gezien dat er drie auto’s waren uitgebrand op het [adres 2] te [plaats] . Hij heeft zijn voertuig herkend als middelste van die drie auto’s en heeft gezien dat zijn auto volledig is uitgebrand.

Aangeefster [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) heeft verklaard dat zij eigenaar is van een Citroen C1 personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Zij heeft gezien dat er drie auto’s in brand stonden waarvan één haar voertuig betrof. De auto heeft brandschade aan de gehele linkerzijde.

Aangeefster [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft verklaard dat zij eigenaar is van een Citroen C1 personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 3] . Zij is in de nacht van

6 op 7 april 2024 wakker geworden en heeft gezien dat er op de parkeerplaats een auto in de fik stond en zij is naar buiten gelopen. [aangever 2] heeft gezien dat haar auto ook schade had opgelopen door de brand van de auto naast haar auto. De hele rechterkant van haar voertuig is door de vlammen beschadigd.

Op 6 april 2024, te 20.03 uur vond er een chat gesprek plaats in Whatsapp tussen [medeverdachte] en verdachte met onder meer de volgende inhoud:

“ [medeverdachte] : Gooi straks een helm in je auto voor de zekerheid

[verdachte] : Doe ik.”

[medeverdachte] heeft op 7 april 2024 in de ochtend een nieuwsbericht van de Stentor betreffende de brand van drie auto’s in [plaats] gedeeld met verdachte. In datzelfde chatgesprek zijn de volgende berichten gestuurd:

“ [verdachte] : Waar vond jij dat terug. Ik had al zitten zoeken maar kreeg dit niet

[medeverdachte] : Facebook. Incidenten [plaats] of 112 [plaats]

[medeverdachte] : Kut flesje. T werkt nie Whoehahahahahag

[verdachte] : Het heeft eerst even in moeten werken voordat het zijn werk deed. Maar zoals ik het zie heeft het aan beide kanten gewerkt

[medeverdachte] : Idd (vijf maal lach emoticons)

[verdachte] : Happy birthday zullen we maar zeggen. Dubbel op dus

(...) [verdachte] : [naam] zei tegen mij jij was wel laat thuis maar heeft helemaal niet meegekregen dat jij er ook bij was. Houden zo

[medeverdachte] : Idd Whoehahahahahag"

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte de brand aan de auto’s heeft aangestoken.

Het bericht ‘Kutflesje. Twerkt nie Whoehahahahahag’ ging over een flesje met Zippo aanstekervloeistof. Verdachte had [medeverdachte] verteld dat zij Zippo vloeistof had gebruikt, dat zij dat niet aankreeg en dat het pas later ging branden, alsof daar vertraging in zat. Zij had Zippo aanstekervloeistof omdat [naam] een Zippo had.

[medeverdachte] heeft tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris op 31 juli 2025 verklaard dat verdachte de auto van [benadeelde 1] in brand heeft gestoken. Ze wilde [benadeelde 1] kapot maken. Verdachte had tegen hem gezegd dat zij een auto van [benadeelde 1] in brand heeft gestoken. Volgens [medeverdachte] ging het om een oud blauw busje. Ze heeft al eerder geprobeerd de auto in brand te steken, maar dat was niet gelukt omdat ze er niet zo handig in was. Het gesprek van 7 april 2024 tussen verdachte en [medeverdachte] waarin hij een bericht van de Stentor heeft gedeeld over drie uitgebrande auto’s ging inderdaad over deze uitgebrande auto’s.

De rechtbank stelt vast dat in de nacht van 6 op 7 april 2024 de auto van [benadeelde 1] in de brand is gestoken. Door deze brand zijn de twee ernaast geparkeerde auto’s van [aangever 1] en [aangever 2] aanzienlijk beschadigd.

De verklaring van [medeverdachte] dat verdachte heeft gesticht wordt bevestigd door de aangetroffen chatberichten. De verklaring van verdachte dat het bericht ging over een flesje dat roest uit haar kleding zou verwijderen acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig en blijkt niet uit de context van het chatgesprek. [medeverdachte] heeft de ochtend na de brandstichting een nieuwsbericht over de brand naar verdachte toegezonden. Uit die chat blijkt dat verdachte zelf ook al naar een bericht over de branden op zoek was geweest. Uit de locatie en dat er naast de auto van [benadeelde 1] twee andere auto’s stonden geparkeerd die door de brand beschadigd zijn volgt dat het voorzienbaar is geweest dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De inhoud van de bewijsmiddelen geeft blijk van een gezamenlijke uitvoering. Verdachte benoemt dat zij die avond met [medeverdachte] was. Dit wordt bevestigd door het chatbericht van

6 april 2024. Aan de aangehaalde zinnen kan in de genoemde context van de brand en het artikel geen andere betekenis worden gegeven dan dat [medeverdachte] een eerder gedane uitlating van verdachte aanhaalt dat het ‘kutflesje’ Zippo-aanstekervloeistof niet zou hebben gewerkt, terwijl achteraf blijkt dat het ‘dubbel heeft gewerkt’ nu de auto van [benadeelde 1] aan twee zijden is verbrand. Daaruit, uit de woorden dat [naam] wel had opgemerkt dat verdachte laat thuis was, maar niet had meegekregen dat [medeverdachte] erbij was - wat [medeverdachte] kennelijk lachend beaamd – en uit het chatbericht van die avond aan verdachte dat zij een helm in de auto moet gooien, volgt naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend dat verdachte en [medeverdachte] er beide samen op uit zijn getrokken om brand te stichten aan de auto van [benadeelde 1]. Er is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 2.

Ten aanzien van feit 4

Aangeefster [benadeelde 2] heeft verklaard dat haar auto, een Mitsubishi Space Star met het kenteken [kenteken 4] , in brand is gestoken vlak bij haar woning aan de [adres 1] in [plaats] .

Aangeefster [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) heeft verklaard dat in de nacht van

18 op 19 april 2024 haar auto is beschadigd door de hitte van een ander voertuig dat in brand stond. Zij heeft haar auto, een Renault Twingo voorzien van het kenteken [kenteken 5] op 18 april 2024 in een parkeervak geparkeerd, naast het voertuig dat later in brand is gestoken. De auto van [aangever 3] heeft schroeischade door de hitte opgelopen.

In de telefoon van verdachte is een berichtenwisseling aangetroffen van 19 april 2024 omstreeks 08:30 uur. Daarin stuurde “Lieve Minnaar” een foto van 112 nieuws.net.

Hierop is een bericht te lezen over een autobrand die geblust is door een buurtbewoner. Op de foto is een blauwe Mitsubishi te zien waarvan de voorzijde verbrand is. Voorts zijn de volgende berichten verzonden:

“ [verdachte] : 'Dat is niet die lul op die foto want die draagt geen spencers. Maar geblust met water dus'

Lieve Minnaar: Yep, Maar sowieso totall loss hahahaha.

[verdachte] : 'denk het wel. Band is niet eens geknapt.

Lieve Minnaar: 'Maar rijden doet ie nooit meer'

[verdachte] : 'Wel zeer snelle reactie van die bewoner'

Lieve Minnaar: 'Kut ouwe lul'

[verdachte] : 'Zei ik toch dat hij op het punt stond te gaan slapen. Misschien iets langer moeten wachten'

Lieve Minnaar: 'Ah...Totall loss betekent geslaagd. Nu geen andere auto's weg. Alleen die '

[verdachte] : 'Yep'”

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] in haar telefoon werd aangeduid als ‘Lieve Minnaar’.

[medeverdachte] heeft tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris op 31 juli 2025 verklaard dat verdachte de auto van [benadeelde 2] in brand heeft gestoken.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 19 april 2024 de auto van [benadeelde 2] door verdachte en [medeverdachte] in brand is gestoken, waardoor de ernaast geparkeerde auto van [aangever 3] schade heeft opgelopen. [medeverdachte] heeft een nieuwsbericht over deze autobrand naar verdachte gestuurd. De rechtbank is van oordeel dat de chatgesprekken die daarop volgen waaronder: "Zei ik toch dat hij op het punt stond te gaan slapen. Misschien iets langer moeten wachten” en “Ah... Totall loss betekent geslaagd. Nu geen andere auto's weg. Alleen die” gaan over de brandstichting bij de auto van [benadeelde 2] . De opmerking over de snelle reactie van de bewoner gaat kennelijk over de buurtbewoner die de brand heeft geblust. Uit die opmerking volgt ook dat verdachte en [medeverdachte] samen de brand hebben gesticht en daarover ter plaatse hebben overlegd. Voorts geldt dat het voorzienbaar is geweest dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was, gelet op de daadwerkelijke schade aan de auto van [benadeelde 2] en omdat er sprake was van een naast geparkeerde auto ten tijde van de brandstichting.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] de brandstichting gezamenlijk hebben uitgevoerd. De inhoud van de chatgesprekken, onder meer het bericht van verdachte dat zij langer hadden moeten wachten, geven blijk van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 4.

Ten aanzien van feit 1

[benadeelde 2] woonde op 29 april 2024 samen met [benadeelde 1] op de [adres 1] in [plaats] . Op 29 april 2024 omstreeks 02:00 uur lag zij te slapen op de eerste verdieping in haar woning. [benadeelde 2] is wakker geworden van het brandalarm. Zij is naar de begane grond gelopen en zag rook. Zij heeft naar haar voordeur gekeken en zag dat er brand was. De vlammen kwamen net boven de brievenbus uit aan de binnenzijde van de woning. Het kozijn onder de brievenbus aan de binnenzijde van de woning stond in brand. Aangeefster heeft met meerdere met water gevulde pannen de brand gedoofd. [benadeelde 2] heeft de voordeur opengedaan en zag daar ook brand.

Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) is gewekt door zijn vrouw vanwege een brandalarm. Hij heeft door zijn slaapkamerraam gekeken en zag lijnen van vuur voor de voordeur van [benadeelde 2] . [getuige] is naar buiten gelopen. Zijn vrouw heeft hem een prullenbak met water gegeven waarmee hij het vuur heeft gedoofd. [getuige] heeft gezien dat er rook uit de meterkast van [benadeelde 2] kwam.

De politie heeft camerabeelden van een nabijgelegen videodeurbel uitgekeken en beschrijft deze als volgt: een persoon loopt in de richting van de voordeur van [benadeelde 2] . Deze persoon wordt omschreven als vermoedelijk een vrouw. Een ander persoon loopt achter de vrouw aan. De andere persoon wordt omschreven als een man. De vrouw heeft in haar linkerhand een fles vast. De videobeelden laten vervolgens vlammen bij de voordeur van [benadeelde 2] zien waarna de vrouw wegloopt. De man blijft nog even staan en loopt vervolgens met een fles in zijn handen weg.

De politie heeft beelden veilig gesteld van diezelfde nacht op de [adres 3] (de woning van [medeverdachte] ). Een verbalisant heeft [verdachte] herkend als de vrouw op deze beelden. Een andere verbalisant heeft de beelden op de [adres 3] vergeleken met de beelden van de brandstichting op de [adres 1] . Die verbalisant zag dat beide personen voldeden aan het postuur en dat er meerdere overeenkomsten waren in de kleding. De jas van de vrouwelijke verdachte heeft een opdruk, dan wel een logo, op de linker bovenarm aan de zijkant. Gezien werd dat [verdachte] op de beelden van de [adres 3] op exact dezelfde plek ook een logo of opdruk heeft. Daarnaast heeft de jas van de verdachte stroken op de jas die op de arm breder zijn dan in de zij. De jas die [verdachte] draagt heeft dezelfde vlakverdeling. De verdachte van de brandstichting draagt twee capuchons. [verdachte] draagt een jas met een capuchon en daaronder een trui met eveneens een capuchon. De verdachte draagt net als [verdachte] hoge schoenen. [verdachte] lijkt haar broek in haar schoenen te dragen, waardoor de broek op dezelfde wijze plooit als bij de verdachte.

Er zijn monsters genomen van de grond onder een tegel aan de voorzijde van de woning van aangeefster ter hoogte van de brievenbus en binnen in de woning ter hoogte van brievenbus/kruipluik/voordeur. Onderzoek van het NFI heeft in deze monsters vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine aangetoond.

De forensisch onderzoeker heeft geconcludeerd dat er sprake was dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Tijdens het uitbreken van de brand bevond de bewoner zich op de eerste verdieping en waren de directe buren thuis c.q. lagen deze op bed. Als de brand niet tijdig was ontdekt, had de brand zich kunnen ontwikkelen. Daarnaast heeft de onderzoeker geconcludeerd dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen omdat de woning deel uitmaakt van een rijtje woningen.

In de telefoon van verdachte is een chatgesprek van 28 april 2024 om 20:28 tussen verdachte en [medeverdachte] aangetroffen met onder meer de volgende inhoud:

“ [medeverdachte] : Vergeet de oranje aansteker niet

[medeverdachte] : En een glaspotje met deksel. Gaan t nu dubbel en dwars goed doen”

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de avond van 28 april 2024 samen met verdachte is geweest. Hij heeft verklaard dat hij en verdachte op de camerabeelden van de videodeurbel te zien zijn. Verdachte was erachter gekomen dat [benadeelde 1] daar woonachtig zou zijn op het [adres 1] . Toen had zij zoiets, zullen wij daarheen gaan. Zij wilde dat [benadeelde 1] helemaal niets meer had. Het was niet zozeer om die vrouw wat aan te doen, maar om die vrouw te dwingen om hem eruit te gooien. “Zij had zoiets, als ik dat nou doe, die ruit ingegooid, nu de brand aan de voordeur, dat was haar opzet”. Verdachte en [medeverdachte] zijn gezamenlijk naar de woning aan het [adres 1] gegaan. Verdachte is gaan sproeien met een fles met brandstof en heeft het flesje brandstof in de handen van [medeverdachte] geduwd zodat verdachte het vuur heeft kunnen aansteken. Verder heeft [medeverdachte] verklaard dat het chatbericht 'Gaan het nu dubbel en dwars goed doen’ er over ging dat verdachte een brand zou stichten die ze dubbel en dwars goed moest doen omdat het eerder wel eens niet goed ging. [medeverdachte] heeft zijn verklaring tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris op 31 juli 2025 herhaald en verklaard dat verdachte naar de woning is gelopen en de brand daar heeft gesticht. Zij had een fles met vloeistof en ze besprenkelde de voordeur.

De rechtbank stelt op basis van de genoemde bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte en [medeverdachte] hebben in de nacht van 28 op 29 april 2024 met elkaar afgesproken. [medeverdachte] heeft verdachte eraan herinnerd dat zij de aansteker en het glazen potje niet moet vergeten omdat zij de brandstichting dubbel en dwars goed zou gaan doen. In diezelfde nacht omstreeks 02.00 uur in de nacht is er brand gesticht door twee personen aan de [adres 1] te [plaats] . Gelet op de verklaring van [medeverdachte] en de bevindingen van de politie stelt de rechtbank vast dat de twee personen verdachte en [medeverdachte] zijn. Verdachte is met een flesje gevuld met brandbare vloeistof gaan sproeien waarna zij dit flesje aan [medeverdachte] heeft gegeven. Verdachte heeft vervolgens de brandbare vloeistof aangestoken waardoor er brand wordt gesticht. Zoals blijkt uit de videobeelden is [medeverdachte] nog een moment blijven staan en heeft naar de - beginnende - brand gekeken.

[benadeelde 2] lag op de eerste verdieping van haar huis te slapen en is wakker gemaakt door de rookmelder. Zij is gestart met het blussen van de brand. Haar buurman en buurvrouw zijn ook wakker gemaakt door het brandalarm en zijn te hulp geschoten bij het blussen van de brand.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat voorzienbaar is geweest dat bij deze brandstichting naar algemene ervaringsregels een gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten was. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit het tijdstip en de plek van de brandstichting. De brand is midden in de nacht gesticht toen [benadeelde 2] en haar buren lagen te slapen. Verder is brand gesticht bij de voordeur, waardoor een belangrijke ontsnappingsroute uit het huis werd geblokkeerd. De woning maakte deel uit van een rijtje van woningen waardoor de brand zich had kunnen uitbreiden naar andere woningen.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft verdachte vooraf herinnerd aan het meenemen van spullen om een brand te stichten. Daarnaast hebben verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk de brandstichting uitgevoerd door naar de woning te gaan, waarbij [medeverdachte] het flesje met brandbare vloeistof vasthoudt zodat verdachte de vloeistof kon aansteken. [medeverdachte] is vervolgens blijven kijken bij de start van de brand. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit onder 1.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.zij op of omstreeks 29 april 2024 omstreeks 02:00 uur te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare

en/of licht ontvlambare vloeistof en/of de voor- en/of toegangsdeur en/of het

kozijn van een woning, gelegen op/aan de [adres 1] )

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of één of

meer delen van het interieur van deze woning en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te

weten voor één of meer in voornoemde woning aanwezige (en slapende)

bewoner(s) te duchten was;

2.zij op of omstreeks 07 april 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brand

versnellend middel en/of één of meer (onder)de(e)l(en) van een bedrijfsauto (merk

Peugeot v.v.k. [kenteken 1] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde

bedrijfsauto en/of één of meer naast geparkeerd staande personenauto(‘s), te

weten: een Citroën C1 (v.v.k. [kenteken 2] ) en/of een Citroën C1 (v.v.k. [kenteken 3] ) te duchten was;

4.zij op of omstreeks 19 april 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brand

versnellend middel en/of één of meer (onder)de(e)l(en) van een personenauto

(merk Mitsubishi v.v.k. [kenteken 4] ),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde

personenauto en/of een naast geparkeerd staande personenauto, te weten: een

Renault Twingo (v.v.k. [kenteken 5] ) duchten was.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 2 en 4 bewezenverklaarde levert op:

telkens:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd een maatregel in de vorm van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht inhoudende een gebiedsverbod conform de rechtbank van vijf jaren op te leggen (met vervangende hechtenis voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, mocht het hof tot een bewezenverklaring komen, om een voorwaardelijke straf op te leggen. Daarbij heeft hij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van justitiële documentatie, de zorg voor haar lichtverstandelijk beperkte zoon en de zorg voor haar moeder met Alzheimer. Verder heeft de raadsman toegelicht dat verdachte geen bezwaar heeft tegen een gebiedsverbod.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een reeks brandstichtingen, begaan ter uitvoering van een wraakcampagne tegen [benadeelde 1] . Bij deze wraakactie heeft het handelen van verdachte zich in belangrijke mate gericht op de woning en de auto van [benadeelde 2] , de nieuwe partner van [benadeelde 1] , die niets met het conflict te maken heeft. Verdachte heeft de brand bij de woning van [benadeelde 2] midden in de nacht gesticht bij de voordeur, zijnde een essentiële vluchtroute, terwijl [benadeelde 2] en haar buren op dat moment lagen te slapen. Ook is tot tweemaal toe aanzienlijke schade aangericht aan auto’s van derden die geheel buiten het conflict staan. Verdachte is telkens direct na het stichten van de brand weggegaan, zonder zich te bekommeren om de gevolgen daarvan. Dat er bij de woningbrand voor [benadeelde 2] en haar buren niet meer schade of zelfs (dodelijk) letsel is ontstaan, is niet aan het handelen van verdachte en [medeverdachte] te danken geweest. Door hun handelen hebben zij zeer gevaarlijke situaties laten ontstaan. Verdachte en [medeverdachte] hebben door hun gedragingen welbewust een groot en levensbedreigend gevaar voor anderen in het leven geroepen en hebben zich niets aangetrokken van de belangen van anderen. Het enige waar zij zich kennelijk door hebben laten leiden is de nietsontziende wraakcampagne tegen [benadeelde 1] . Daarbij is op geen enkele wijze rekening gehouden met [benadeelde 2] en anderen. De brandstichtingen hebben grote indruk op [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en buurtbewoners gemaakt en een groot gevoel van onveiligheid bij hen veroorzaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de spreekrechtverklaringen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Verdachte is de initiatiefnemer tot het plegen van de hiervoor bewezenverklaarde feiten geweest en heeft [medeverdachte] hierbij betrokken. Verdachte neemt daarvoor geen verantwoordelijkheid en blijft, ook in hoger beroep, ontkennen een rol te hebben gespeeld bij de feiten en lijkt zij zichzelf vooral als slachtoffer te zien. Al deze omstandigheden weegt het hof mee in het nadeel van verdachte. Naar het oordeel van het hof is gelet op de ernst van de feiten geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf passend.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 30 maart 2026 niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen zoals deze door verdachte en haar raadsman ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Het hof heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 juli 2025, waarin wordt geconcludeerd dat de reclassering geen inschatting kan maken van de kans op herhaling en over de inzet van eventuele interventies tijdens detentie.

Het hof is alles afwegende van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is, zodat ook het hof die straf zal opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Het hof legt ter beveiliging van de maatschappij en/of ter voorkoming van strafbare feiten daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaren op. Deze maatregel houdt in een gebiedsverbod voor het gebied tussen de straten: [straat1] , [straat2] , [straat3] en [straat4] in [plaats] . Voor elke keer dat verdachte de maatregel overtreedt kan ten hoogste zeven dagen vervangende hechtenis ten uitvoer worden gelegd met een totale duur van maximum zes maanden. Het hof ziet geen aanleiding om het gebiedsverbod voor een groter gebied op te leggen zoals verzocht door de benadeelde partijen. Evenmin zal het hof het gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet gebleken is dat aan de vereisten hiervoor in de zin van artikel 38v lid 4 Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van € 5.100,00, bestaande uit € 100,00 aan materiële schade en

€ 5.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk, tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade, toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep het bedrag van haar oorspronkelijke vordering verlaagd tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade. De schadepost met betrekking tot het vernieuwen van de tuinpoort is ingetrokken.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om integrale afwijzing van de vordering tot schadevergoeding, wegens onvoldoende onderbouwing en vanwege het ontbreken van rechtstreeks verband.

Oordeel van het hof

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van de immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Op basis van dit artikel is er onder meer recht op schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In de onderhavige zaak moet de grondslag voor schadevergoeding worden gezocht in de aantasting in de persoon op andere wijze. In het arrest van 28 mei 2019 heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wat onder deze categorie moet worden verstaan (ECLI:NL:HR:2019:793). Hieronder valt in ieder geval naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.

Het hof constateert dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Door het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. De benadeelde partij heeft dit genoegzaam onderbouwd met de brief van

12 februari 2025 van een psycholoog. Dit geestelijk letsel is aan verdachte toe te rekenen. Voor de hoogte van het bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat voor het bepalen van de hoogte van de schade van de benadeelde partij aansluiting gezocht moet worden bij categorie 14.2 Posttraumatische stressstoornis (PTSS), onder (d). De in beginsel aangewezen bandbreedte voor schadevergoeding binnen deze categorie is € 2.675,00 tot € 5.500,00. Het hof acht toewijzing van een bedrag van

€ 4.000,00 billijk en zal dit bedrag als vergoeding van immateriële schade toewijzen.

Het hof zal een bedrag van € 4.000,00 als vergoeding van immateriële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade op 10 februari 2025, zijnde de datum waarop de vordering is ingediend.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten samen met een ander gepleegd. Het hof zal de verdachte daarom hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de toegewezen schade van de benadeelde partij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van € 11.295,00, bestaande uit € 1.295,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk, tot een bedrag van € 2.295,00, bestaande uit € 1.295,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering ten aanzien van de immateriële schade verlaagd tot een bedrag van € 5.000,00.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.295,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om integrale afwijzing van de vordering tot schadevergoeding, wegens onvoldoende onderbouwing en vanwege het ontbreken van rechtstreeks verband.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Vaststaat dat de auto van de benadeelde partij volledig is uitgebrand en dat daaruit materiële schade is geleden. De waarde van de auto van de benadeelde partij staat niet afdoende vast. Het hof zal gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat de vordering materiële schade voor € 1.000,00 kan worden toegewezen. Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van dit bedrag op 7 april 2024.

Immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van de immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Op basis van dit artikel is er onder meer recht op schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In de onderhavige zaak moet de grondslag voor schadevergoeding gezocht worden in de aantasting in de persoon op andere wijze. In het arrest van 28 mei 2019 heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wat onder deze categorie moet worden verstaan (ECLI:NL:HR:2019:793). Hieronder valt in ieder geval naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel. Immateriële schade kan ook worden toegewezen, indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen

Het hof is van oordeel dat deze situatie zich voordoet bij de benadeelde partij [benadeelde 1] nu afdoende vaststaat dat hij door de feiten 1, 2 en 4 een tijd in continue angst heeft geleefd. Het waren immers zijn auto, een auto waarin ook hij reed en een woning waarin ook hij overnachtte. De benadeelde partij heeft afdoende onderbouwd dat de feiten voor slaapproblemen en beperkingen in het dagelijks functioneren hebben gezorgd. De relevante nadelige gevolgen liggen naar de aard van de bewezenverklaarde feiten zo voor de hand dat het hof een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek aanneemt. Verdachte is dan ook op grond van dit artikel gehouden die immateriële schade te vergoeden. Voor de hoogte van het bedrag heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal het hof de immateriële schade ter hoogte van € 1.000,00 toewijzen. Het hof bepaalt de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade op 14 februari 2025, zijnde de datum waarop de vordering is ingediend.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten samen met een ander gepleegd. Het hof zal de verdachte daarom hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de toegewezen schade van de benadeelde partij.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden in het gebied tussen de straten: [straat1] , [straat2] , [straat3] en [straat4] in [plaats] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van

6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op

10 februari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) bestaande uit € 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

7 april 2024 en van de immateriële schade op 14 februari 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L. Plas, mr. M.J. Ouweneel en mr. M. Zwartjes, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand