GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2025, betreffende
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen beroepsgronden bevat en geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim te herstellen.
2. De gemachtigde voert aan dat hij wel beroepsgronden heeft ingediend, namelijk bij schrijven van 8 juli 2025. Hij heeft dat gedaan per gewone en per beveiligde e-mail. De gewone e-mail is verstuurd naar het adres dat is vermeld in de brief van de griffier van de rechtbank van 10 juni 2025, te weten mulder.gld@rechtspraak.nl, en de beveiligde e-mail is verstuurd via Zivver naar het algemeen beveiligde e-mailadres van de strafgriffie van de rechtbank. De beveiligde link naar de muldergriffie bleek namelijk ongeldig en de mulderzaken zijn bij deze rechtbank organisatorisch gezien daar ondergebracht. De gemachtigde heeft de betreffende e-mailberichten overgelegd en ontvangst- en leesbevestigingen waaruit blijkt dat de berichten zijn ontvangen en geopend.
3. De brief waarbij beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie bevat geen gronden. Bij de stukken bevindt zich een brief van 10 juni 2025 van de griffier van de rechtbank, waarin de gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting van op 8 augustus 2025. Ook wijst de griffier de gemachtigde erop dat hij geen gronden van het beroep heeft overgelegd, dat hij de gelegenheid krijgt om dat verzuim te herstellen en dat de gronden uiterlijk op 8 juli 2025 door de griffier moeten zijn ontvangen, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Voorts staat in de brief nog vermeld: “Indien het procesdossier geen telefoonnummer en/of emailadres bevat waar wij u op kunnen bereiken, verzoek ik deze zo spoedig mogelijk door te geven onder vermelding van de zittingsdatum en het zaaksnummer via ons e-mailadres: mulder.gld@rechtspraak.nl.”
4. Uit de brief van de griffier kan niet worden afgeleid dat de gronden van het beroep op andere wijze dan schriftelijk kunnen worden ingediend. De brief bevat geen vermelding van een e-mailadres dat daarvoor is opengesteld. Het in de brief vermelde emailadres is, zo is uitdrukkelijk aangegeven, slechts bedoeld voor het doorgeven van een telefoonnummer en/of e-mailadres van de gemachtigde. De gemachtigde heeft niet geverifieerd of hij, niettegenstaande de tekst van de brief, toch per e-mail de gronden kon indienen via het door hem gebruikte e-mailadres. De gemachtigde heeft door de gronden aldus in te dienen, het verzuim niet hersteld.
5. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het beroep op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
6. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is staande gehouden op 25 november 2022 en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 8 augustus 2025.
7. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval niet tot matiging van het sanctiebedrag, nu de kantonrechter niet toe heeft kunnen komen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moeten worden opgelegd (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dat betekent dat het hof in dit geval - hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter om die reden bevestigen, zij het met verbetering van gronden.
8. Voor het toekennen van proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.