GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.358.821/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 334964)
arrest van 6 januari 2026 in de incidenten tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot opheffing van dwangsommen
in het kort geding tussen
Durateq B.V.
gevestigd in Emmen
hierna: Durateq
advocaat: mr. A. Neophitou te Oss
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats] (gemeente [gemeenteplaats] )
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. L.M. Goeree te Zwolle.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Durateq heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de voorzieningenrechter) op 28 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep, waarin de grieven zijn opgenomen en twee incidentele vorderingen
- de memorie van antwoord in het incident
- de rolbeschikking van 25 september 2025 waarbij een door Durateq ingediende akte is geweigerd
- een akte uitlating en overlegging producties van Durateq van 13 oktober 2025
- de beslissing van de rolraadsheer van 13 oktober 2025 waarbij het verzoek van Durateq om een mondelinge behandeling in het incident is afgewezen
- een akte uitlating en overlegging producties van [geïntimeerde] van 21 oktober 2025
- de rolbeschikking van 5 november 2025 waarbij een door Durateq ingediende akte is geweigerd, behoudens de daarbij in het geding gebrachte ontbindingsbrief van mr. Goeree van 24 oktober 2025
- een akte uitlaten gevolgen ontbinding van [geïntimeerde] van 14 november 2025
- de memorie van antwoord in de hoofdzaak.
2. De beoordeling in de incidenten
Voor zover van belang voor de beoordeling in de incidenten, gaat het in deze zaak om het volgende.
Partijen hebben op 11 maart 2025 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de verbouwing van de woning van [geïntimeerde] aan [adres] in [plaats] . De aanneemsom bedraagt (na verhoging met meerwerk) € 205.203,04.
Op 14 april 2025 is Durateq met de werkzaamheden begonnen. Durateq heeft in april en mei 2025 acht facturen gezonden voor een totaalbedrag van € 145.847,35 (incl. btw). [geïntimeerde] heeft deze facturen betaald.
Vervolgens is een geschil ontstaan over (het tempo van indienen van) de facturen van Durateq in relatie tot de stand en de kwaliteit van het werk. Twee voorschotnota's van totaal € 10.639,98 (incl. btw) uit juni 2025 heeft [geïntimeerde] onbetaald gelaten.
Op 13 juni 2025 heeft Durateq [geïntimeerde] in gebreke gesteld. Daarnaast heeft Durateq zich beroepen op het retentierecht. Ter uitvoering daarvan heeft zij alle sloten van de woning vervangen.
Na nog wat correspondentie over en weer is [geïntimeerde] een kort geding gestart tegen Durateq en haar middellijk bestuurder [naam] . De rol van deze laatste is voor dit geschil niet relevant en zal hierna daarom verder buiten beschouwing worden gelaten.
In eerste aanleg hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter op de vorderingen van [geïntimeerde] als volgt beslist:
“6.1. verklaart [geïntimeerde] in zijn vorderingen tegen [naam] niet-ontvankelijk;
veroordeelt Durateq om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan
[geïntimeerde] een afschrift te verstrekken van de volgende onderbouwing van alle door
Durateq aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen;
- met betrekking tot alle in rekening gebrachte materialen: inkoopfacturen, betaalbewijzen
en leveringsbonnen;
- met betrekking tot alle in rekening gebrachte werkzaamheden: urenstaten, werkbonnen en
facturen van onderaannemers;
veroordeelt Durateq om - indien zij tekortschiet in haar verplichting als bedoeld in 6.2 aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte
daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000 is
bereikt;
veroordeelt Durateq om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de feitelijke
toestand van de uitoefening van het retentierecht te staken en gestaakt te houden, door het
verwijderen van de A4-tjes op de woning en (indien van toepassing) het uitschrijven van het
retentierecht uit het Kadaster en alle sleutels van de sloten die Durateq van dan wel met
betrekking tot de woning heeft, af te geven aan [geïntimeerde] ;
veroordeelt Durateq om - indien zij tekortschiet in haar verplichting als bedoeld in 6.4 -aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte
daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000 is
bereikt;
veroordeelt Durateq tot nakoming van de op haar rustende verplichtingen door
Durateq te verplichten om:
(i) haar medewerking te verlenen aan het door of namens [geïntimeerde] middels
expertiseonderzoek laten opnemen van de stand van het door Durateq uitgevoerde werk en
het laten beoordelen van de kwaliteit van het door Durateq uitgevoerde werk; en
(II) binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het werk (de verbouwing van de woning)
aan te vangen met de nodige werkzaamheden onder verstrekking van een deugdelijk plan
van aanpak met uitvoeringsplanning en die werkzaamheden met de totale aanneemsom van
€ 205.203,04 conform dit plan van aanpak uiterlijk 1 december 2025 op te leveren in
voltooide staat overeenkomstig de gesloten aannemingsovereenkomst, en aan Van der
Velden iedere laatste werkdag van de week schriftelijk verslag te doen van de
werkzaamheden die zijn uitgevoerd en de materialen die zijn geleverd;
veroordeelt Durateq om - indien zij tekortschiet in haar verplichtingen als bedoeld
in 6.6 - aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 1.000 voor iedere dag of
gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van
€ 100.000 is bereikt;
veroordeelt Durateq in de proceskosten van € 1.762,75. te betalen binnen veertien
dagen na aanschrijving daartoe. te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening
als Durateq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders gevorderde af.”
De voorzieningenrechter heeft de tegenvorderingen van Durateq afgewezen, omdat deze vorderingen niet zijn ingesteld door een advocaat. Zij heeft Durateq in de proceskosten (€ 553,50) veroordeeld.
In hoger beroep heeft Durateq op 9 september 2025 ‘van eis’ geconcludeerd in de hoofdzaak. In de incidenten vordert Durateq dat de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring wordt geschorst op grond van art. 351 Rv en dat de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen bij wege van voorlopige voorziening op grond van art. 223 Rv met toepassing van art. 611d Rv worden opgeheven. Eén en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van Durateq in de proceskosten.
In een brief van 24 oktober 2025 aan mr. Neophitou, heeft mr. Goeree namens [geïntimeerde] de aannemingsovereenkomst tussen partijen ontbonden, onder voorbehoud van rechten.
het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging
Het hof beoordeelt deze incidentele vordering tot schorsing aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven en die op het volgende neerkomen:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken.
De brief van 24 oktober 2025, waarbij [geïntimeerde] de aannemingsovereenkomst met Durateq heeft ontbonden, is een nieuw feit waarmee de voorzieningenrechter geen rekening heeft kunnen houden. Het hof ziet hierin aanleiding een uitzondering aan te nemen op het beginsel dat in dit incident niet vooruit wordt gelopen op de kans van slagen van het hoger beroep.
Zoals hij ook zelf aangeeft in zijn akte uitlaten gevolgen ontbinding, heeft [geïntimeerde] door de ontbinding geen belang meer bij toewijzing van zijn vordering tot nakoming van de aannemingsovereenkomst door Durateq. Ook geeft [geïntimeerde] in deze akte zelf al aan dat het retentierecht inmiddels is opgeheven. Bij handhaving van de veroordelingen onder 6.4 en 6.6 van het bestreden vonnis heeft [geïntimeerde] op dit moment dus geen belang meer.
Naar het oordeel van het hof wegen de belangen van Durateq bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de hiervoor behandelde veroordelingen op dit moment zwaarder dan de belangen van [geïntimeerde] bij handhaving daarvan. Hetzelfde geldt voor de op schending van die veroordelingen gestelde dwangsommen. Dat betekent dat de verdere tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal worden geschorst.
het incident tot opheffing van de dwangsommen
Het gaat hier om een provisionele vordering ex art. 223 Rv. Artikel 223 Rv biedt beide partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdzaak) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdzaak. Daarvoor is, anders dan [geïntimeerde] poneert, niet vereist dat de partijen in de hoofdzaak een vordering hebben ingesteld. Ook de gedaagde in de hoofdzaak kan een provisionele vordering instellen.
Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen of de looptijd ervan opschorten in geval van blijvende of tijdelijke (gedeeltelijke) onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. In dit geval heeft het hof geen dwangsom opgelegd. De dwangsommen zijn opgelegd door de voorzieningenrechter, zodat Durateq met haar vordering tot opheffing of opschorting van de dwangsommen aan het verkeerde adres is. Het hof zal haar om die reden niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering.
slotsom
Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot de slotsom dat de verdere tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal worden geschorst.
De beslissing over de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot de einduitspraak. In de hoofdzaak zal op na te melden wijze een mondelinge behandeling worden bepaald.
3. De beslissing
Het hof:
in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging
schorst de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 28 juli 2025;
wijst af wat meer of anders is gevorderd;
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de provisionele vordering tot opheffing van de dwangsom
verklaart Durateq niet-ontvankelijk in haar vordering;
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
bepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor een nog aan te wijzen combinatie van het hof, voor het hierboven omschreven doel en om hun stellingen toe te lichten;
bepaalt dat de mondelinge behandeling fysiek zal worden gehouden op 31 maart 2026 om 10.00 uur in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden;
bepaalt dat Durateq uiterlijk op 27 januari 2026 het volledige procesdossier in enkelvoud aan het hof dient te sturen;
bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten het standpunt van partijen mogen toelichten;
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 januari 2026.