ECLI:NL:GHARL:2026:2960

ECLI:NL:GHARL:2026:2960

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 200.361.034
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Kinderalimentatie. Ter zitting bij het hof is alleen de ingangsdatum nog in geschil. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.361.034

(zaaknummer rechtbank Gelderland 451823)

beschikking van 12 mei 2026

inzake

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. Vahl,

en

[verweerster] ,

wonende in [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. van Hunnik.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 29 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 451823 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 oktober 2025;

- het verweerschrift met een productie;

- een journaalbericht namens de man van 10 maart 2026 met producties;

- een journaalbericht namens de man van 11 maart 2026 met producties;

- een e-mailbericht namens de man van 18 maart 2026 met een productie.

De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk in de Arabische (Irakese) taal.

3. De feiten

De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 25 oktober 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 7 oktober 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] Tawfeeq, geboren [in] 2011 en

- [de minderjarige2] Tawfeeq, geboren [in] 2018.

De ouders hebben ook nog meerderjarige kinderen.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de vrouw.

De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

De man en de vrouw zijn in het ouderschapsplan van 4 september 2019 overeengekomen dat de man aan de vrouw vanaf de datum van ondertekening van het ouderschapsplan als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds drie minderjarige kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie) € 50,- per maand zal voldoen.

Bij genoemde beschikking van 7 oktober 2019 heeft de rechtbank voorts bepaald dat:

- de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan kinderalimentatie € 50,- per maand zal voldoen;

- de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan van 4 september 2019 deel uitmaakt van die beschikking.

Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2025 vanwege de wettelijke indexering € 62,91 per kind per maand.

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking is (met wijziging van de beschikking van 7 oktober 2019 en het ouderschapsplan van 4 september 2019) de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2025 op € 278,- per kind per maand.

De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De man wil dat het hof de beslissing van de rechtbank primair ongedaan maakt en subsidiair de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vast te stellen ter hoogte van een nader met de wettelijke bepalingen in overeenstemming zijnde bedrag, althans een bedrag van € 89,- per kind per maand.

5. De motivering van de beslissing

Gedeeltelijke overeenstemming

De man en de vrouw hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Partijen zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 129,- per kind per maand zal betalen.

Hieruit leidt het hof af dat de man zijn verzoek in hoger beroep in overeenstemming daarmee heeft gewijzigd en dat de vrouw geen verweer voert tegen dit aangepaste verzoek.

De ingangsdatum

De man en de vrouw zijn het alleen niet eens over de ingangsdatum van deze kinderalimentatie en vragen het hof daarover te beslissen.

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting.

Als hoofdregel geldt dat een nieuwe bijdrage ingaat op de datum waarop de rechter beslist. Een eerdere ingangsdatum, bijvoorbeeld de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn of de datum van het inleidend processtuk, is mogelijk. Het wijzigen van kinderalimentatie met terugwerkende kracht is mogelijk, maar de rechter dient volgens vaste rechtspraak daarbij terughoudend te zijn, vanwege eventuele ingrijpende financiële gevolgen.

Het hof sluit voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan bij de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 1 april 2025. Het hof ziet in de redenen die de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om van een latere ingangsdatum uit te gaan. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat de door partijen overeengekomen € 129,- per kind per maand gelijk is aan de draagkracht van de man gebaseerd op zijn inkomen in 2025. De man had dus vanaf 1 april 2025 onvoldoende draagkracht om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen. Hoewel de kinderalimentatie dus lager wordt vastgesteld, zal dat in dit geval niet leiden tot een terugbetalingsverplichting voor de vrouw. Gebleken is namelijk dat de man de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie sinds de bestreden beschikking niet aan de vrouw heeft betaald. Volgens de verklaring van de man heeft hij een bedrag van € 100,- per maand voldaan.

Indexering

Omdat het hof pas in 2026 de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2025 vaststelt, wordt deze bijdrage op grond van artikel 1:402a BW pas per 1 januari 2027 voor het eerst wettelijk geïndexeerd. Aldus loopt de vrouw de indexering van de kinderalimentatie per 1 januari 2026 mis. Om de kinderalimentatie aan de wettelijke maatstaven te laten voldoen zal het hof het bedrag ook per 1 januari 2026 indexeren en vanaf die datum vaststellen op (afgerond) € 135,- per kind per maand.

Conclusie

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 129,- per kind per maand en op grond van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 135,- per kind per maand moet betalen.

Proceskostenveroordeling

Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is gebleken dat de man op de hoogte was van de procedure bij de rechtbank maar dat hij, zo stelt zijn advocaat, de Nederlandse taal slechts beperkt machtig is en toen onbedoeld niet op tijd verweer heeft gevoerd. De vrouw is nu in de procedure in hoger beroep betrokken en heeft (extra) kosten moeten maken. Deze kosten waren niet nodig geweest als de man wel op tijd verweer had gevoerd. Het hof vindt het onredelijk dat de gevolgen daarvan ten laste komen van de vrouw, terwijl zij, anders dan de man, bij de rechtbank ook al kosten heeft gemaakt. Het hof ziet daarin aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

Vaststaat dat aan de vrouw rechtsbijstand is verleend op basis van een toevoeging en dat haar kosten daarom bestaan uit een eigen bijdrage van € 355,- voor de advocaat en € 362,- aan griffierecht, in totaal € 717,-.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 29 juli 2025 en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 oktober 2019 en daarmee het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan van 4 september 2019 dat deel uitmaakt van die beschikking, voor zover het de bijdrage in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] betreft, en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zal betalen:

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw in hoger beroep welke kosten zijn vastgesteld op € 355,- aan eigen bijdrage voor de advocaat en € 362,- aan griffierecht, in totaal € 717,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand