ECLI:NL:GHARL:2026:2974

ECLI:NL:GHARL:2026:2974

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 200.362.677
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Net als de rechtbank wijst het hof het verzoek van rechthebbende tot opheffing van het bewind dan wel ontslag van de bewindvoerder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.362.677

(zaaknummer rechtbank Gelderland 11778426)

beschikking van 12 mei 2026

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J.F.I. Abadom.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[bewindvoerder] ,

werkzaam bij [naam1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder te noemen: de bewindvoerder,

en

[mentor] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verder te noemen: de mentor,

en

[naam2] ,

wonende te [woonplaats3] ,

verder te noemen: de vader,

en

[naam3] ,

wonende te [woonplaats4] ,

verder te noemen: de moeder,

en

[naam4] ,

wonende te [woonplaats5] ,

verder te noemen: [naam4] ,

en

[naam5] ,

wonende te [woonplaats6] ,

verder te noemen: [naam5] ,

en

[naam6] ,

wonende te [woonplaats7] ,

verder te noemen: [naam6] ,

en

[naam7] ,

wonende te [woonplaats8] ,

verder te noemen: [naam7] ,

en

[naam8] ,

wonende te [woonplaats3] ,

verder te noemen: [naam8] ,

en

[naam9] ,

wonende te [woonplaats3] ,

verder te noemen: [naam9] ,

en

[naam10] ,

wonende te [woonplaats3] ,

verder te noemen: [naam10] .

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen) van 12 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 december 2025.

De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

[verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat,

twee vertegenwoordigers namens de bewindvoerder,

de mentor.

3. De feiten

[verzoeker] is geboren [in] 1990.

[verzoeker] is de zoon van de vader en de moeder. Hij is de broer van [naam4] en [naam5] en de halfbroer van [naam6] , [naam7] , [naam8] , [naam9] en [naam10] .

Bij beschikking van 14 november 2022 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die aan [verzoeker] (zullen) toebehoren wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

Op 7 februari 2025 heeft de kantonrechter met ingang van 1 maart 2025 de eerdere bewindvoerder ontslagen en de bewindvoerder tot bewindvoerder benoemd.

[verzoeker] heeft aan de kantonrechter verzocht om het bewind op te heffen.

De bewindvoerder heeft de kantonrechter gevraagd om het bewind in stand te laten.

4. De omvang van het geschil

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

[verzoeker] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (het hof begrijpt:) het bewind op te heffen dan wel de bewindvoerder met onmiddellijke ingang te ontslaan.

5. De motivering van de beslissing

Juridisch kader opheffing bewind

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

Juridisch kader ontslag bewindvoerder

Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden.

Wat voert [verzoeker] in hoger beroep aan?

[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Het bewind ging goed onder de eerdere bewindvoerder, zijn pleegmoeder. Beslissingen werden in overleg genomen en [verzoeker] had veel vrijheid. Toen de pleegmoeder van wege haar leeftijd als bewindvoerder wilde stoppen en zijn zus tot opvolgend bewindvoerder werd benoemd, voelde [verzoeker] zich door haar behandeld als een klein kind, omdat hij steeds om geld moest vragen. Het contact met de huidige bewindvoerder verloopt nog problematischer dan met zijn zus. Er is vrijwel geen contact tussen [verzoeker] en de bewindvoerder. Verzoeken om noodzakelijke uitgaven blijven onbeantwoord of worden zonder duidelijke reden afgewezen. Daardoor heeft [verzoeker] sinds de benoeming van de huidige bewindvoerder geen nieuwe kleding kunnen kopen. Als [verzoeker] niet voldoet aan de voorwaarden van de bewindvoerder wordt hij bovendien zelfs gekort en krijgt hij helemaal geen geld meer. [verzoeker] heeft inmiddels al geruime tijd een partner. Zijn partner ondersteunt [verzoeker] financieel en zij helpt hem om overzicht te hebben in zijn financiële situatie. [verzoeker] wil financieel zelfstandig zijn en niet langer als een klein kind worden behandeld. [verzoeker] beheert ook al langere tijd zelf zijn financiën en hij heeft inzicht in zijn inkomsten en uitgaven. Daarom heeft [verzoeker] al meerdere keren gevraagd om een zelfredzaamheidstraject, maar dat is niet gestart.

Hoe oordeelt het hof?

Het hof is van oordeel dat de noodzaak voor een bewind nog steeds aanwezig is. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling blijkt wel dat de samenwerking tussen [verzoeker] en de bewindvoerder erg moeizaam verloopt. [verzoeker] gaat zelf uit deze samenwerking en biedt geen openheid van zaken. Het hof wijst op de omstandigheid dat [verzoeker] inkomen uit dienstbetrekking heeft genoten, terwijl hij op dat moment ook een WAJONG-uitkering ontving. Daardoor is een schuld aan het UWV ontstaan die [verzoeker] zal moeten terugbetalen. [verzoeker] heeft deze baan en zijn inkomsten niet met de bewindvoerder gedeeld, waardoor de bewindvoerder hierin geen actie heeft kunnen ondernemen. Het hof heeft begrip voor de wens van [verzoeker] om zijn eigen financiën te beheren, maar voordat een zelfredzaamheidstraject kan worden gestart, is een goede samenwerking met de bewindvoerder en vooral openheid van zaken in zijn financiën noodzakelijk. Tot slot weegt het hof in zijn overweging mee dat het saldo van het spaargeld van [verzoeker] tijdens het bewind is afgenomen doordat hij vaak extra gelden aanvraagt. Weliswaar mag [verzoeker] van de bewindvoerder wat interen op zijn spaargeld, maar het hof is niet gebleken dat [verzoeker] op dit moment voldoende inzicht heeft in zijn uitgaven en de noodzaak daarvan in relatie tot het inkomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind zal afwijzen.

Het hof is verder van oordeel dat niet is gebleken van gewichtige redenen om de bewindvoerder te ontslaan. Hiervoor zijn door [verzoeker] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd. Het hof begrijpt dat [verzoeker] teleurgesteld en gefrustreerd is dat zijn verzoeken om extra geld (geregeld) worden afgewezen, maar hieruit blijkt - anders dan [verzoeker] meent - niet dat de bewindvoerder niet in het belang van [verzoeker] handelt. Het tegendeel lijkt het geval. Daarbij komt dat [verzoeker] geen bereidverklaring van een andere bewindvoerder heeft overgelegd. Het hof weegt in dit kader zwaar mee dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij heeft gezocht naar een nieuwe bewindvoerder, maar dat hij niemand heeft gevonden die hem als door hem gewenst direct een zelfredzaamheidstraject wilde aanbieden. Tot slot is niet gesteld of gebleken dat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te mogen zijn. Het voorgaande betekent dat het hof het verzoek van [verzoeker] om de bewindvoerder te ontslaan, zal afwijzen.

Het hof spreekt tot slot de hoop uit dat het [verzoeker] in de nabije toekomst lukt om tot een positieve samenwerking met de bewindvoerder te komen. Dit is ook in het belang van [verzoeker] , omdat hierdoor over en weer tot meer begrip ontstaat, er meer overleg kan plaatsvinden en mogelijk een zelfredzaamheidstraject kan worden gestart.

6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team bewind, zittingsplaats Zutphen) van 12 september 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. van Esveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand