ECLI:NL:GHARL:2026:2992

ECLI:NL:GHARL:2026:2992

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 21-001041-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

aanranding van jonge vrouw in haar eigen woning. Hof veroordeelt verdachte tot 90 uur taakstraf en wijst de vordering van de benadeelde partij volledig toe.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor vermelde vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.A.M.J. Heffels, hebben aangevoerd. Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocate, mr. P.P.E. Buchele, hebben aangevoerd

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [benadeelde] door het zoenen van haar mond, gezicht en hals en haar op haar bed te duwen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

Het hof is van oordeel dat de rechtbank overwegend op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met wijziging van enkele gronden, behalve voor zover het betreft de oplegging van de straf en de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Verbetering van gronden

Het hof verbetert de bewijsmiddelen van de rechtbank als volgt:

- Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 2 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van:

Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , p. 5-6

in:

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 5-6.

- Van het genoemde bewijsmiddel in voetnoot 4 van het vonnis wordt de benaming gewijzigd van:

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 3-4

in:

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Gelderland, p. 3-4.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte dezelfde straf wordt opgelegd als bij de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen concreet voorstel gedaan voor een eventueel op te leggen straf. Wel heeft zij aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster.

Oordeel van het hof

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een jonge vrouw. Dit is een ernstig strafbaar feit. De verdachte kende aangeefster als oppas van zijn dochter en had haar nog maar een paar keer ontmoet. Ook was er sprake van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster. Aangeefster heeft de verdachte willen helpen met zijn behoefte om vrouwelijke kleding te dragen. De verdachte heeft deze behulpzaamheid op grove wijze beschaamd door aangeefster onverwachts op haar bed te duwen en haar ongewenst te zoenen. Bovendien vond dit voorval plaats in het huis van aangeefster. Aangeefster heeft, ook op de zitting in hoger beroep, aangegeven dat zij nog steeds diep geraakt is door het handelen van verdachte, en dat haar thuis nooit meer hetzelfde zal worden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij over de grenzen van aangeefster is heengegaan, en dat hij misbruik heeft gemaakt van de goedheid van de aangeefster om hem te helpen.

Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 april 2026. De verdachte heeft een blanco strafblad. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het taakstrafverbod niet van toepassing is. Volgens het hof is er sprake van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster maar kan niet worden geoordeeld dat die inbreuk zodanig is dat het taakstrafverbod aan de orde is.

In hoger beroep is er, in tegenstelling tot bij de rechtbank, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

Alles overwegende, legt het hof aan de verdachte een taakstraf van 90 uur op, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen conform het vonnis van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de hoogte van het bedrag van de materiële en immateriële schade moet worden gematigd.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert € 508,92 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.

Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. De verdediging heeft in hoger beroep geen specifiek verweer gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Op basis van bewijsmiddelen en wat er op de zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de benadeelde partij. Dit levert een ernstige normschending op, waardoor de benadeelde in haar lichamelijke en seksuele integriteit is aangetast. Uit de door haar afgelegde slachtofferverklaring in hoger beroep blijkt dat het bewezenverklaarde grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Ze heeft onder andere last van herbelevingen en haar huis is voor haar nooit meer geworden wat het was voor het voorval. Ook is het niet uit te sluiten dat de benadeelde partij in de toekomst last zal hebben van het voorval. Het hof is daarom van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zodanig zijn dat aangenomen kan worden dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Door het bewezenverklaarde is de benadeelde dus op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de Rotterdamse schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 1.000,00 - € 5.000,00 billijk kan zijn (categorie 15.3 onder b) bij een ‘ernstige’ aanranding.

Gelet op deze bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding het hof niet overmatig voor en acht het hof toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 1.500,00 billijk.

Het hof ziet, net als de rechtbank, aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dus in zijn geheel toewijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.008,92 (tweeduizend acht euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 508,92 (vijfhonderdacht euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.008,92 (tweeduizend acht euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 508,92 (vijfhonderdacht euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 juni 2022.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Harsveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand