GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.343
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11223796
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
Hammerfang B.V. ( Hammerfang )
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. D. van der Wal
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
handelend onder de naam [naam1]
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.H. Bargeman
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Hammerfang heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 4 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De kern van de zaak
Het gaat hier om de vraag of de overeenkomst die partijen op 7 september 2023 hebben gesloten nog moet worden nagekomen of dat er op of omstreeks 14 maart 2024 nadere afspraken zijn gemaakt waardoor de overeenkomst van 7 september 2023 teniet is gegaan, dan wel dat de overeenkomst op enig moment buitengerechtelijk is ontbonden op grond waarvan ongedaanmakingsverplichtingen zijn ontstaan.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat Hammerfang de door hem gedane aanbetaling van € 4.985,20 terugbetaalt, met rente en buitengerechtelijke incassokosten. Hammerfang heeft een tegenvordering ingesteld en heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomst tot ontwerpen/produceren van de miniaturen niet is ontbonden en dat [geïntimeerde] het restantbedrag van € 4.985,20 nog moet betalen.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en de vorderingen van Hammerfang afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van Hammerfang is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en de afgewezen vorderingen van Hammerfang alsnog worden toegewezen.
Beslissing van het hof
Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand, en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.
3. De feiten
[geïntimeerde] is op 7 september 2023 met Hammerfang overeengekomen dat Hammerfang 16.000 miniaturen zal maken voor een door [geïntimeerde] ontwikkeld bordspel. Er is een prijs van € 9.728,40 afgesproken, maar er is geen duidelijke afspraak gemaakt over wanneer de miniaturen precies af zouden moeten zijn. Wel is namens Hammerfang een aantal keer herhaald dat de productie van de miniaturen twee weken in beslag zou nemen. Het afgesproken bedrag is met instemming van [geïntimeerde] nog iets aangepast en daarna is een factuur gestuurd van € 9.970,40. [geïntimeerde] heeft daarop een aanbetaling gedaan van € 4.985,20.
In januari 2024 hebben partijen een aantal keer contact gehad over de voortgang. Ook toen ging Hammerfang nog uit van een productietermijn van twee weken. Op 15 februari 2024 heeft [geïntimeerde] Hammerfang aangegeven niet tevreden te zijn over de voortgang en heeft hij Hammerfang een levertermijn tot 2 maart 2024 gegeven, met de opmerking dat als die termijn niet gehaald zou worden hij de opdracht zou intrekken en de aanbetaling terug wilde. Per e-mail van 16 februari 2024 heeft Hammerfang erkend dat er fouten zijn gemaakt en aangegeven dat, gelet op de productietijd van twee weken, de miniaturen op 2 maart 2024 klaar zouden zijn. Op 27 februari 2024 heeft Hammarfang laten weten dat de termijn van 2 maart 2024 niet gehaald zou worden, maar dat dit naar schatting een week later, op 9 maart 2024 zou zijn. [geïntimeerde] heeft daar op 29 februari 2024 mee ingestemd. Toen Hammerfang op 5 maart 2024 liet weten dat ook 9 maart 2024 niet zou worden gehaald, heeft [geïntimeerde] op 6 maart 2024 per e-mail opdracht gegeven de productie stop te zetten en de aanbetaling terug te willen. In een e-mail van 14 maart 2024 heeft Hammerfang onder meer geschreven: “Toch kunnen we de borg helaas niet in 1x terugbetalen aangezien we dat wel hebben geïnvesteerd. Graag bespreken we een betalingsregeling zodat we wel het complete bedrag kunnen teruggeven. We snappen ook dat er alsnog een haast is om de productie af te ronden. De optie dat we productie hervatten staat nog steeds open.” [geïntimeerde] heeft op 19 maart 2024 laten weten niet in te stemmen met een betalingsregeling en heeft Hammerfang tot uiterlijk 2 april 2024 gegeven om tot betaling van het volledige bedrag over te gaan. Hammerfang heeft daarop in een e-mail van 31 maart 2024 gereageerd met: “We vinden het jammer dat jullie er zo in staan omdat wij zeker van plan waren de volledige aanbetaling terug te betalen. Echter moeten wij nu ook zakelijk zijn aangezien jullie niet op ons aanbod zijn ingegaan. Wij kunnen de opdracht niet meer annuleren omdat wij al ver in de productie zijn. Ondanks dat onze indicatie van het tijdsframe niet gehaald is, zijn wij nog steeds van plan om de miniaturen te leveren.”
4. De toelichting op de beslissing van het hof
Beëindiging van de overeenkomst
Bij de beantwoording van de vraag of tussen Hammerfang en [geïntimeerde] (nadere) afspraken zijn gemaakt over de beëindiging van de tussen partijen op 7 september 2023 gesloten overeenkomst, komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende onderbouwd dat hij redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat tussen partijen is afgesproken dat de op 7 september 2023 gesloten overeenkomst werd beëindigd en dat Hammerfang de door [geïntimeerde] gedane aanbetaling van € 4.985,20 zou terugbetalen. Het hof acht hierbij het volgende van belang.
[geïntimeerde] schrijft in zijn e-mail van 6 maart 2024 onder meer: “Jullie zullen begrijpen dat wij er helaas geen vertrouwen meer in hebben dat jullie deze opdracht kunnen voltooien. Daarom geven wij hierbij aan dat jullie de productie kunnen stopzetten. Wij willen niet met jullie door. Daarnaast willen wij de aanbetaling van € 5.000,- zo spoedig mogelijk terug.” Hammerfang heeft hierop in haar e-mail van 14 maart 2024 (weergegeven onder 3.2) geantwoord dat zij de borg helaas niet in één keer kan terugbetalen en dat zij graag een betalingsregeling wil bespreken. [geïntimeerde] heeft in zijn reactie op 19 maart 2024 geschreven: “Er zijn zoveel beloftes gedaan, waarvan geen enkele is nagekomen. (…) Daarom willen we geen betalingsregeling met jullie afspreken. Wij willen het volledige bedrag in één keer terugbetaald krijgen”. Daarop reageert Hammerfang op 31 maart 2024 als volgt: “We vinden het erg jammer dat jullie er zo in staan omdat wij zeker van plan waren de volledige aanbetaling terug te betalen. (…) Echter moeten wij nu ook zakelijk zijn aangezien jullie niet op ons aanbod zijn ingegaan. (…)”.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [geïntimeerde] uit deze correspondentie gerechtvaardigd heeft mogen afleiden dat er (wils)overeenstemming was tussen partijen over het feit dat de overeenkomst werd beëindigd en dat het bedrag van de aanbetaling zou worden terugbetaald. Partijen waren het er alleen niet over eens of die terugbetaling in termijnen zou mogen plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft in ieder geval de e-mail van 14 maart 2024 niet in die zin hoeven te begrijpen dat Hammerfang de terugbetaling van het “complete bedrag” afhankelijk stelde van de voorwaarde dat dit in termijnen kon. Een dergelijke voorwaarde blijkt daar niet uit. Dat Hammerfang vervolgens in haar e-mail van 31 maart 2024 alsnog lijkt te suggereren dat de betalingsregeling onderdeel was van haar “aanbod”, maakt niet dat [geïntimeerde] de e-mail van 14 maart 2024 niet in de door haar verdedigde zin heeft mogen begrijpen. Ook de opmerking namens Hammerfang tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter “ik kon het toen niet betalen” wijst er op dat Hammerfang het aanbetaalde bedrag wel wilde terugbetalen, maar dat niet in één keer kon. Op 19 maart 2024 heeft [geïntimeerde] een betalingsregeling afgewezen en Hammerfang een betalingstermijn gesteld voor het volledige bedrag, uiterlijk op 2 april 2024. Hammerfang heeft niet terugbetaald en is daardoor in verzuim geraakt, want zij had dat gelet op het voorgaande wel moeten doen. Overigens heeft [geïntimeerde] Hammerfang eind april 2024 om een gerechtelijke procedure te voorkomen alsnog in de gelegenheid gesteld om in maandelijkse termijnen te betalen, maar ook toen bleef betaling uit. De grieven I tot en met III falen daarmee.
Ontbinding
Ook als er vanuit wordt gegaan dat geen sprake was van een afspraak over de beëindiging van de overeenkomst van 7 september 2023 (zoals Hammerfang aanvoert in haar memorie van grieven), faalt het hoger beroep omdat is voldaan aan alle voorwaarden van een buitengerechtelijke ontbinding. [geïntimeerde] heeft in de e-mail van 15 februari 2024 Hammerfang een redelijke termijn van twee weken (uiterlijk 2 maart 2024) gegeven om alsnog na te komen. Het hof acht deze termijn redelijk tegen de achtergrond dat Hammerfang daarvoor meerdere keren had aangegeven dat de productietijd twee weken bedroeg. Ook heeft Hammerfang zelf in haar antwoord (op de genoemde e-mail van 15 februari 2024) van 16 februari 2024 geschreven: “wat betreft de deadline van 2 maart, we geloven zeker dat deze te halen is. De mallen zijn al voor meer dan helft af op dit moment en onze gok is dat het gieten ongeveer 2 weken duurt (…)”. Bovendien is [geïntimeerde] vervolgens op verzoek van Hammerfang akkoord gegaan met nog een extra week tot 9 maart 2024, daarbij de hoop uitsprekend dat dit de “definitieve termijn” zou zijn. Daarna volgde het bericht van Hammerfang op 5 maart 2024 dat ook deze deadline niet gehaald zou worden. Daarop heeft [geïntimeerde] bij de e-mail van 6 maart 2024 uitgesproken dat zij niet meer met Hammerfang door wilde. [geïntimeerde] heeft Hammerfang op de juiste manier in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig presteren, zodat Hammerfang door het (opnieuw) niet halen van de deadline in verzuim is komen te verkeren. [geïntimeerde] mocht, gelet op deze feiten en omstandigheden, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Door de ontbinding van de overeenkomst is Hammerfang op de voet van artikel 6:271 BW gehouden tot terugbetaling van het aanbetaalde bedrag van € 4.985,20. Dat [geïntimeerde] van Hammerfang al enige prestatie had ontvangen is door Hammerfang onvoldoende onderbouwd. De stelling van Hammerfang dat er deels is geproduceerd en dat zij daartoe kosten heeft gemaakt (voor de ontwerpen en de mallen) betekent nog niet dat [geïntimeerde] een prestatie heeft ‘ontvangen’ in de zin van artikel 6:271 BW. Grief IV faalt.
Buitengerechtelijke incassokosten
Hammerfang betoogt dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, omdat de inhoudelijke brieven waarin wordt aangedrongen op betaling of nakoming en waarin gepoogd wordt om met Hammerfang tot een oplossing te komen, door [geïntimeerde] zelf zijn verstuurd en niet door een derde. Dit betoog gaat niet op. Ook als een partij zelf werkzaamheden uitvoert met als doel buiten rechte betaling van zijn vordering te verkrijgen, dan zijn deze interne kosten (in beginsel) als buitengerechtelijke kosten aan te merken, die voor vergoeding in aanmerking komen. [geïntimeerde] heeft Hammerfang onder meer in de e-mails van 19 maart 2024, 23 april 2024 en 27 april 2024 gesommeerd om tot betaling over te gaan. Hiermee is voldoende gebleken dat er daadwerkelijk buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Grief V faalt daarmee eveneens.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Hammerfang in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Hammerfang tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 4 december 2024;
veroordeelt Hammerfang tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van [geïntimeerde] :
€ 362,00 aan griffierecht
€ 912,00 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x het toepasselijke tarief I)
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, G.R. den Dekker en M.P.M. Hennekens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.