OVERWEGINGEN:
De politierechter in de rechtbank MiddenNederland heeft de verdachte bij mondeling vonnis van 1 mei 2026 veroordeeld voor de eendaadse samenloop van openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt – op welk feit naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren is gesteld (artikel 141 lid 1 en lid 2, aanhef en onder 1o van het Wetboek van Strafrecht) – en opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel aan een ander toebehoort beschadigen, tot een gevangenisstraf van zes weken met aftrek waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte heeft op 4 mei 2026 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 1 mei 2026.
De politierechter heeft ter terechtzitting van 1 mei 2026 de gevangenneming bevolen van de verdachte, die op 28 april 2026 in verzekering is gesteld, en daarbij artikel 67a lid 2, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafvordering als grond voor voorlopige hechtenis gehanteerd.
Namens de verdachte is een onderbouwd verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis ingediend.
De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen opheffing van de voorlopige hechtenis.
De zogeheten snelrechtgrond van artikel 67a lid 2, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafvordering is ervoor bedoeld om de verdachte van bijvoorbeeld mishandeling of openlijke geweldpleging begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats dan wel gericht tegen personen met een publieke taak, waardoor maatschappelijke onrust is ontstaan, in voorlopige hechtenis te nemen met het oog op de toepassing van snelrecht binnen zeventien dagen en achttien uren na de aanhouding van de verdachte. Hiermee kan worden voorkomen dat verdachten van dergelijke feiten, wanneer wordt verwacht dat zij van de rechter een vrijheidsstraf krijgen opgelegd en geen andere grond voor voorlopige hechtenis van toepassing is, weer op vrije voeten komen voordat de snelrechtzitting heeft plaatsgevonden. Door het doel van berechting binnen deze termijn in de wettekst op te nemen, is er een waarborg dat de voorlopige hechtenis niet langer duurt dan deze bepaalde periode. Als het niet lukt de zaak op zitting te brengen binnen deze termijn, moet de voorlopige hechtenis worden beëindigd, tenzij andere gronden aanwezig zijn (Kamerstukken II 2011/2012, 33 360, nr. 3, p. 12 en p. 17). Gezien de ratio van artikel 67a lid 2, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafvordering, had het bevel gevangenneming van 1 mei 2026, toen de berechting van de verdachte heeft plaatsgevonden, naar het oordeel van het hof niet kunnen worden gebaseerd op de snelrechtgrond van artikel 67a lid 2, aanhef en onder 4o, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis niettemin moet worden afgewezen. Met de politierechter is het hof van oordeel dat er sprake is van ernstige bezwaren. De verdachte heeft de feiten ook bekend. Een gewichtige reden van maatschappelijk veiligheid vordert de vrijheidsbeneming van de verdachte en er dient ernstige rekening mee te worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan. De verdachte is, naar het zich laat aanzien, vanuit zijn woonplaats [plaats 2] naar [plaats 3] gekomen om onder invloed van alcohol bij het gemeentehuis “een punt te maken”. Blijkens de processtukken heeft de verdachte een half uur lang stoeptegels tegen de ruiten van het gemeentehuis gegooid, een betonnen voetplaat door de voordeur gegooid en met een losgerukte verkeerspaal op de voordeur geramd. Dat de verdachte het zorgelijke van zijn handelen niet inziet volgt uit zijn eigen verklaring waarin hij zijn gedrag enkel kwalificeert als “niet handig” en “ongelofelijk dom”. Deze kwalificaties doen op geen enkele manier recht aan het grove geweld dat de verdachte heeft toegepast om een democratisch debat, dat momenteel op tal van plaatsen in Nederland wordt gevoerd, op ernstige wijze te verstoren en naar een door hem gewenste uitkomst te sturen. Het hof houdt ernstig rekening ermee dat de verdachte – al dan niet onder invloed van middelen – opnieuw bij een dergelijke gewelddadige confrontatie betrokken zal raken. Het feit dat de verdachte een zekere binding met [plaats 3] heeft doordat zijn ex-vrouw en de (minderjarige) kinderen van de verdachte in [plaats 3] wonen, maakt hierbij voor het hof geen verschil.
De verdediging heeft ook een mondeling onderbouwd verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan.
De advocaat-generaal heeft zich over het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis niet uitgelaten.
Het hof is van oordeel dat na afweging van alle betrokken belangen, het maatschappelijk en strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van de verdachte bij schorsing daarvan, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de aard van de grond voor voorlopige hechtenis enerzijds en de gestelde persoonlijke omstandigheden (aan het werk kunnen en de zorg voor zijn gezin en zieke moeder) anderzijds.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof wijst de verzoeken af.
Aldus gegeven op 13 mei 2026 door mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter,
mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.I. Swinkels, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.