ECLI:NL:GHARL:2026:3081

ECLI:NL:GHARL:2026:3081

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 21-002043-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Hof veroordeelt net als rechtbank vader voor doodslag op 4,5 maand oude baby. Op basis van deskundigenrapporten blijkt dat het fatale letsel van het slachtoffer gevolg is van een forse krachtsinwerking van forse repeterende acceleratie-deceleratie en/of stomp botsende krachtsinwerking(en) op het hoofd van het slachtoffer. Het hof acht -mede gelet op de bevindingen van en de beantwoording van vragen door deskundigen het door verdachte naar voren gebrachte scenario dat hij met de baby op de arm van de trap gevallen is niet aannemelijk.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 april en 19 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank Overijssel vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De rechtbank heeft, kort gezegd, verdachte voor doodslag (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.

Het hof komt tot andere bewijsoverwegingen en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1. primair

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 12 december 2020 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zijn kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door:

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] uit te oefenen;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 12 december 2020 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan zijn kind [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten zeer ernstig hersenletsel heeft toegebracht door

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] uit te oefenen en/of

- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] uit te oefenen, terwijl het feit op 13 december 2020 de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 12 december 2020 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig - meermalen, althans, eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgeoefend,

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer heeft geschud, in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] heeft uitgeoefend en/of

- die [slachtoffer] de trap op heeft gedragen en/of daarbij (gladde) slippers en/of pantoffels heeft gedragen en/of daarbij zich onvoldoende heeft vastgehouden en/of is uitgegleden en/of met haar van de trap is gevallen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Inleiding

[slachtoffer] , het dochtertje van verdachte, is op 12 december 2020 na een melding aan de spoedpost per ambulance van haar huis naar het ziekenhuis in [plaats 2] gebracht, vanwaar zij is overgebracht naar het Universitair Medisch Centrum in [plaats 3] (hierna: [ziekenhuis] ). In het [ziekenhuis] werd dermate ernstig (hersen)letsel geconstateerd, dat - in combinatie met het klinische beeld - sprake was van een situatie zonder mogelijkheden tot zinvolle behandeling. In overleg met de ouders is op 13 december 2020 besloten de behandeling van [slachtoffer] te staken. Op die dag is zij om 22:50 uur overleden in het [ziekenhuis] . [slachtoffer] was toen vier en een halve maand oud. Het overlijden van [slachtoffer] heeft tot een strafrechtelijk onderzoek geleid.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. Nu uit deskundigenrapportages volgt dat er geen medische oorzaak is voor het letsel bij [slachtoffer] en dat een val van de trap gezien de combinatie van letsels niet aannemelijk is, moet worden geconcludeerd dat het letsel is toegebracht. Nu verdachte in het tijdsbestek dat het letsel moet zijn toegebracht alleen in de woning was met [slachtoffer] , moet verdachte degene zijn die dat heeft gedaan. Het geweld dat verdachte moet hebben verricht kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 december 2020 met zijn dochtertje [slachtoffer] op de arm de trap opliep en is uitgegleden. Hij is toen zo hard onderuit gegaan dat hij daarna op zijn buik voor de trap lag, als een banaan met zijn benen omhoog tegen de meterkast op en zijn hoofd op de eerste tree. Zijn dochtertje lag toen half onder hem. Door deze val van de trap is het letsel bij zijn dochtertje ontstaan. De verdediging meent dat dit alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten. Weliswaar blijkt uit deskundigenrapporten dat een val van de trap zelden fatale gevolgen heeft voor een kind, maar uit dezelfde rapporten volgt niet dat dit onmogelijk is. Deskundige [deskundige1] stelt dat de dood van [slachtoffer] niet kan worden veroorzaakt door de val van de trap, maar baseert deze stelling op interpretatie van de wijze waarop een mens van de trap valt en welke krachten daarbij vrijkomen, hetgeen zijn deskundigheid te buiten gaat. Daar komt bij dat deskundige [deskundige2] niet uitsluit dat er tijdens de beschreven val een draaibeweging is ontstaan die tot het fatale hersenletsel heeft geleid. Alle omstandigheden, zoals het verloop van de ochtend, het tijdsbestek dat verdachte in de woning was en zijn aard en betrokkenheid als vader, duiden erop dat verdachte een ongeluk heeft gehad terwijl hij zijn dochtertje op zijn arm had. Het was daarnaast niet te voorzien dat het met gladde sloffen de trap oplopen zou leiden tot een val die op zo’n fatale manier af zou lopen. Verdachte kan daarom ook geen grove onvoorzichtigheid worden verweten.

Het oordeel van het hof

Het hof neemt de hierna cursief opgenomen bewijsmiddelen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Waar nodig heeft het hof taalkundig ondergeschikte aanpassingen in de tekst aangebracht. Waar het hof deze overwegingen heeft aangevuld, is dat duidelijk gemaakt door die aanvulling niet cursief maar vetgedrukt weer te geven.

Wat is de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] ?

Direct na het overlijden van [slachtoffer] op 13 december 2020 heeft een schouw plaatsgevonden.

De schouwarts heeft in de hersenen convulsies en een inklemmingsbeeld bij uitgebreide

intracerebrale bloedingen geconstateerd en ziet aanwijzingen voor traumatisch

schedelhersentrauma. Door de oogarts zijn retinabloedingen geconstateerd. De schouwarts

heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor een niet-natuurlijk overlijden als gevolg

van het hersenletsel.

Op 15 december 2020 werd een sectie uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut

(hierna: NFI) en werd aanvullend onderzoek ingezet. Drs. [deskundige3] (hierna: [deskundige3] ),

forensisch patholoog en verbonden aan het NFI, heeft zijn bevindingen opgetekend in het

rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 12 april 2021, waarin onder meer het volgende wordt geconstateerd:

“Bij sectie waren er bloeduitstortingen in de schedelholte. Aan het voorhoofd en de

hoofdhuid waren enkele onderhuidse bloeduitstortingen. Er was een bloeduitstorting onder

het harde hersenvlies ter hoogte van beide hersenhelften, als ook een grote bloeduitstorting

in de rechterhersenhelft met doorbraak naar het oppervlak (bloeduitstorting onder het

spinnenwebvlies). De bloeduitstorting rond het ruggenmerg past bij een uitbreiding van de

bloeduitstorting in de schedelholte (onder het harde hersenvlies).

Neuropathologisch onderzoek toonde traumatische beschadiging van zenuwceluitlopers en

veralgemeende beschadiging van zenuwcellen door zuurstoftekort. Hierbij was ernstige

hersenzwelling met tekenen van inklemming. Bij deze bevindingen zijn hersenfunctiestoornissen (met overige orgaanfunctiestoornissen tot gevolg) te verwachten op basis waarvan de onwelwording, de noodzaak tot ziekenhuisopname en het ontstaan van een uitzichtloze situatie zondermeer kan worden verklaard.

De bloeduitstorting onder het harde hersenvlies toont volgens de neuropatholoog

tekenen van organisatie, passend bij een ouderdom van circa twee weken ten tijde

van het overlijden. Er waren verder tekenen van bijkomende bloeduitstorting in de

vorm van recente bloedmassa’s zonder tekenen van celverval en/of organisatie. (...)

Bij de mate van hersenletsel is niet te verwachten dat betrokkene nog ‘normaal’

gefunctioneerd zou hebben.

Bij oog pathologisch onderzoek werden zeer uitgebreide bloeduitstortingen

gezien in het netvlies van beide ogen, met omvatting van meer dan 95% van het

netvliesoppervlak en aanwezigheid in alle netvlieslagen. Ook waren er bloedingen in

het glasvocht en rond de oogzenuwen (met uitbreiding in het omliggende

vetweefsel). Het netvlies toonde beiderzijds een plooi ter hoogte van de gele vlek

(macula). In het netvlies van het linkeroog en in beide oogzenuwen was neerslag

van ijzerpigment, passend bij een of meerdere (al dan niet bijkomende) incident(en)

van mogelijk meer dan twee dagen voor het overlijden. (...)

De bevindingen in de schedelholte en rond de oogzenuwen zijn ontstaan door:

Niet-accidenteel ofwel toegebracht letsel: schudtrauma ofwel repeterend

acceleratie-deceleratie trauma (voorheen ‘shaken baby syndrome’ genoemd), in

combinatie met stomp botsende krachtinwerking (zoals stompen en slagen al

dan niet met of tegen structuren).

Accidenteel letsel: stomp botsende krachtinwerking op het hoofd in de vorm van

hoogenergetisch trauma (zoals een zwaar verkeersongeval of een val van grote

hoogte). Simpele ‘huis-, tuin- en keukenongevallen’ (geringe accidenten) zijn

alleszins onvoldoende om het vastgestelde letselbeeld te verklaren.

Gezien de onderhuidse bloeduitstortingen aan het hoofd is sprake geweest van

meervoudige stomp botsende krachtinwerking op het hoofd. (...)

Gezien de (combinatie van de) sectiebevindingen kan een ziekelijke en/of geboorte

gerelateerde oorzaak voor de traumatische letsels uitgesloten worden”.

[deskundige3] heeft geconcludeerd:

Bij [slachtoffer] , 4 maanden oud, wordt de onwelwording en het uiteindelijke

overlijden verklaard door de gevolgen van ernstig hoofdletsel, ontstaan door stomp

botsende krachtinwerking in combinatie met dynamische krachtinwerking (passend

bij schudtrauma ofwel repeterend acceleratie-deceleratie trauma). Er waren voorts

aanwijzingen voor een bijkomend incident circa twee weken voor het overlijden.

Op 16 februari 2021 heeft dr. [deskundige2] (hierna: [deskundige2] ), forensisch arts KNMG, zijn

voorlopige interpretatie van het letsel opgesteld naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie. [deskundige2] schrijft dat de sectiebevindingen passen bij een forse krachtsinwerking, zoals bijvoorbeeld een val van grote hoogte of een verkeersongeval. Geringe ongevallen, zoals de val van een bed, bank of commode genereren te weinig krachten om het letsel bij [slachtoffer] te kunnen verklaren.

Op 21 juni 2021 is in opdracht van de rechter-commissaris een rapport uitgebracht door prof. Dr. [deskundige4] (hierna: [deskundige4] ) en prof. Dr. [deskundige5] (hierna: [deskundige5] ), beiden forensisch radioloog en verbonden aan het Maastricht Universitair Medisch Centrum, afdeling forensische radiologie. In het rapport ‘Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ hebben [deskundige4] en [deskundige5] het aangetroffen letsel beschreven als (onder meer): uitgebreide ischemische en hemorragische hersenafwijkingen (verwikkelingen van zuurstoftekort in de hersenen en bloedingen in de hersenen), subdurale bloederige vochtcollecties (chronische subdurale hematomen),

(bloedingen tussen het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies), subarachnoïdale

bloedstolsels (tussen het spinnenwebvlies en het zachte hersenvlies) en retina afwijkingen (in het netvlies van het oog). [deskundige4] en [deskundige5] beschrijven meerdere scenario’s uit de

forensische literatuur waaruit blijkt dat kinderen jonger dan 1 jaar relatief veel vallen terwijl ze gedragen worden en daarbij relatief ernstiger letsel oplopen dan oudere kinderen of kinderen die niet gedragen worden. Echter, ernstige intracraniële afwijkingen zoals

vastgesteld bij [slachtoffer] zijn zeldzaam en fatale gevallen zijn uiterst zeldzaam. [deskundige4] en

[deskundige5] concluderen dat de letsels bij [slachtoffer] veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese

non-accidental injury (toegebracht letsel) dan onder de hypothese accidental injury (letsel als gevolg van een ongeval).

In opdracht van de rechter-commissaris heeft dr. [deskundige1] (hierna: [deskundige1] ), forensisch arts

KNMG en verbonden aan het NFI, een medisch forensisch onderzoek verricht.

In het rapport ‘Forensisch-medisch onderzoek naar aanleiding van het overlijden van een

circa 4,5 maand oud meisje’ van 12 augustus 2022 heeft [deskundige1] de onderzoeksresultaten

geïnterpreteerd en de vraagstellingen als volgt beantwoord.

Uit het neuropathologisch onderzoek is gebleken dat op een aantal plaatsen in de hersenen

sprake was van traumatische axonale schade (door krachtsinwerkingen veroorzaakte

beschadiging van de zenuwceluitlopers), hetgeen wijst op grote doorgemaakte

krachtsinwerkingen. Daarnaast is er, naast een recente subdurale (onder het harde hersenvlies gelegen) bloeduitstorting, ook een eerdere subdurale bloeduitstorting geconstateerd, die gedateerd werd op circa twee weken voor het overlijden. Er is een subarachnoïdale (onder het zachte hersenvlies gelegen) bloeduitstorting geconstateerd, die vermoedelijk het gevolg was van een bloeduitstorting rechts in de hersenen met uitbreiding naar het hersenoppervlak.

[deskundige1] schrijft dat de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies een aanwijzing kunnen zijn voor het ontstaan van het hersenletsel. Uit onderzoek blijkt dat voor het ontstaan van deze subdurale bloedingen veel krachtsinwerking nodig is. De combinatie van bevindingen in hoofd, zoals die bij [slachtoffer] zijn beschreven, zijn in algemene zin het gevolg van fors

repeterende acceleratie-deceleratie en/of stomp botsende krachtsinwerking(en) op het hoofd.

[deskundige1] concludeert dat het aantreffen van subdurale bloeduitstortingen iets waarschijnlijker is onder de hypothese niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht letsel) dan bij accidenteel trauma.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden in de medische gegevens voor aanlegstoornissen en/of

ziekelijke afwijkingen in de hersenen.

Uit het oogpathologisch onderzoek bleek beiderzijdse aanwezigheid van een plooi in het

netvlies, glasvochtbloeding en bloedingen in de oogzenuwschedes en in het aangrenzende

vetweefsel. [deskundige1] beschrijft dat netvliesbloedingen een medische oorzaak kunnen hebben of

kunnen zijn ontstaan door een forse krachtsinwerking. Netvliesbloedingen als gevolg van een krachtsinwerking ontstaan direct en passen ook bij het type krachtsinwerking waarbij

subdurale bloedingen ontstaan. [deskundige1] concludeert dat het aantreffen van de

netvliesbloedingen, afzonderlijk bezien, waarschijnlijker is onder de hypothese niet -

accidentele krachtsinwerking dan bij accidentele krachtsinwerking.

Bij [slachtoffer] is geen medische oorzaak geconstateerd voor de netvliesbloedingen. De

netvliesbloedingen passen voorts niet bij eigen toedoen of gedragingen van het kind en/of bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen.

Bij [slachtoffer] zijn drie onderhuidse bloedingen aangetroffen, één op het achterhoofd en twee op het voorhoofd. De aangetroffen blauwe plekken, kunnen passen bij stomp botsende en/of

samendrukkende krachtsinwerking op het hoofd. [deskundige1] concludeert dat deze blauwe plekken

op het hoofd bij een jong premobiel kind iets waarschijnlijker zijn onder de hypothese niet-

accidentele krachtinwerking dan bij een accidentele krachtsinwerking.

Er zijn geen medische oorzaken gevonden, zoals een stollingsstoornis of een andere

medische (ziekelijke) oorzaak, die de bloeduitstortingen zouden kunnen verklaren.

[deskundige1] concludeert dat de combinatie van medische bevindingen en dan met name de

traumatische axonale schade, die wijst op grote doorgemaakte krachtsinwerkingen op het

hoofd met ‘shearing forces’ (afschuifkrachten) en ‘rotational forces’ (krachten met een

draaimoment) inwendig in de hersenen, de schade aan de ogen en de drie blauwe plekken op het hoofd bewijswaarde toevoegen richting niet-accidentele krachtsinwerkingen. [deskundige1]

concludeert verder dat de likelihood ratio voor het aantreffen van de combinatie van

medische bevindingen (hersenletsel) voor niet-accidentele versus accidentele veroorzakende

krachtsinwerking circa 50 bedraagt.

Op de zitting van de rechtbank van 11 april 2023 is [deskundige1] als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft daar onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Het aantreffen van oedeem wijst op veel kracht op het hoofd met veel beschadiging van hersenweefsel. Een midline shift wijst in het algemeen op forse krachtsinwerking op het hoofd. Het komt niet zo vaak voor. In de netvliezen is naast veel bloedafzetting een perimaculaire plooi (een gedeeltelijke netvliesloslating) aangetroffen aan beide kanten. Ook dat wijst op forse doorgemaakte krachtsinwerking op het hoofd. De neuropatholoog spreekt over traumatische axonale schade, dat is een beschadiging van de zenuwceluitlopers. De neuropatholoog kan met het blote oog en licht microscopisch

onderzoek door middel van kleuringen, dateringen doen en heeft vastgesteld dat de uitlopers van de zenuwen beschadigd zijn op meerdere plekken in de hersenen. De krachtsinwerking heeft plaatsgevonden door afschuifkrachten en krachten met draaimoment, waardoor de zenuwceluitlopers zijn beschadigd. Een afschuifkracht is een kracht waardoor een zenuw als het ware uit elkaar wordt getrokken op microscopisch niveau. Dat vergt veel kracht en het gaat niet vanzelf, want het kost veel kracht. De essentie is dat het gaat om grote afschuifkrachten en naar wordt vermoed ook rotatiekrachten. Als het hoofd van een klein kind heen en weer gaat, gaan de hersenen iets later heen en weer. Omdat je iets ruimte in het hoofd hebt is er niet alleen sprake van na-ijlen, maar ook een soort draai-effect. Door te schudden of een ander impacttrauma kan hetzelfde letsel ontstaan.

Er is aanvullende bewijswaarde door de afwijkingen rondom de oogzenuwen en de

netvliesloslatingen. Dat wordt niet gezien bij een ongeval. Ik heb de likekihood ratio

terughoudend bepaald op 50. Dat betekent dat het aantreffen van de combinatie van letsels en klinische verschijnselen bij een kind dat voorheen gezond was, ordegrootte 50 keer waarschijnlijker is als sprake is van toegebracht letsel dan wanneer sprake is van een ongeval. Een likelihood ratio van 50 is voor dit type afwegingen een substantiële bewijswaarde. Omdat in dit type onderzoek en nooit een hoog aantal kinderen wordt onderzocht, zal er ook nooit een hoge likelihood ratio zijn.

Op grond van conclusies van de forensisch radiologen [deskundige4] en [deskundige5] , de NFI -

rapportages van [deskundige3] en [deskundige1] en de toelichting van [deskundige1] als deskundige ter terechtzitting

van de rechtbank op 11 april 2023, met inachtneming van de rest van het dossier, is het hof van oordeel dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van een voorafgaand aan haar overlijden opgetreden ernstig hersenletsel dat is ontstaan door een hevige niet-accidentele krachtinwerking (toegebracht letsel).

Wanneer is het letsel aan [slachtoffer] toegebracht?

Het precieze tijdstip van het ontstaan van het letsel is niet vastgesteld door de deskundigen.

[deskundige1] schrijft daarover dat op basis van studies waarin bekennende daders een directe aanvang van klinische symptomen bij een kind aangeven en de medisch logisch verklaarbare directe aanvang van de klinische verschijnselen, geconcludeerd kan worden dat het zeer aannemelijk is dat de klinische symptomen bij ernstig toegebracht hersenletsel direct na een forse krachtsinwerking op het hoofd ontstaan. [deskundige1] benoemt als klinische verschijnselen bijvoorbeeld bleekheid, ademhalingsstoornissen, slapte, trekkingen, hartslagproblemen en/of bewustzijnsverlies.

Op de zitting van de rechtbank van 11 april 2023 heeft [deskundige1] dit bevestigd. [deskundige1] heeft toen gezegd dat de effecten van een hevige krachtsinwerking op het hoofd zich meteen openbaren als niet normaal functioneren zoals bewustzijnsdaling/verlies, bleekheid, trekkingen, hartslagproblemen en ademhalingsproblemen.

[naam1] (de vrouw van verdachte, hierna: [naam1] ) heeft verklaard dat het gezin op 12 december 2020 om 10:00 uur ’s ochtends wakker werd en na een half uur is

opgestaan. [naam1] heeft [slachtoffer] een flesje gegeven en haar op het roze speelkleed in de

woonkamer gelegd. Daarna hebben [naam1] , [naam2] en verdachte buiten de kerstverlichting opgehangen. [slachtoffer] bleef ondertussen op het speelkleed in de woonkamer liggen. [naam1] heeft verklaard dat ze meerdere malen naar binnen in de huiskamer heeft gekeken en zag dat [slachtoffer] gewoon normaal was.

Uit onderzoek van de telefoongegevens van [naam1] blijkt dat [naam1] om 12:54 uur de

verbinding met de thuis-wifi verliest. [naam1] heeft verklaard dat ze met [naam2] naar de

[supermarkt] is gereden om mayonaise te kopen. Op camerabeelden van de [supermarkt] is te zien dat

[naam1] en [naam2] om 13:00 uur de [supermarkt] inlopen en er om 13:12 uur weer uitlopen.

[naam1] wordt om 13:13 uur gebeld door verdachte dat het niet goed gaat met [slachtoffer] .

Om 13:22 uur hebben verdachte en [naam1] contact met de huisartsenpost opgenomen waarbij verdachte vertelt dat [slachtoffer] opeens wegviel en stopte met ademen, ze helemaal bleek werd en een blauwe tong had en dat haar ogen wegdraaiden. Tijdens dit gesprek is op de achtergrond het gekreun van [slachtoffer] hoorbaar. Als de ambulance om 13:29 uur arriveert, treft ambulanceverpleegkundige [naam3] [slachtoffer] in de woning aan. [naam3] heeft verklaard dat [slachtoffer] bleek was en heel onregelmatig ademde, dat ze apathisch was en een slap hoofd en nekje had.

Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat [slachtoffer] op 12 december 2020 om

12:54 uur nog normaal functioneerde en er geen sprake was van klinische verschijnselen, en dat om 13:13 uur wel het geval was. Het fatale letsel moet dan ook op die dag tussen 12:54 uur en 13:13 uur aan [slachtoffer] zijn toegebracht.

Tussenconclusie: verdachte heeft het letsel bij [slachtoffer] toegebracht

Het hof stelt vast dat het letsel van [slachtoffer] geen medische oorzaak heeft, maar dat het letsel is ontstaan door een forse krachtsinwerking van forse repeterende acceleratie- deceleratie en/of stomp botsende krachtsinwerkig(en) op het hoofd van [slachtoffer] . Het letsel moet zijn ontstaan op 12 december 2020 tussen 12.54 uur en 13.13 uur, toen verdachte als enige (in huis) bij [slachtoffer] aanwezig was. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte het fatale letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht.

Verklaring verdachte over ontstaan letsel [slachtoffer]

Op 13 januari 2021 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij buiten was toen hij [slachtoffer] ineens stevig hoorde huilen. Hierop is hij naar binnen gegaan, heeft hij zijn schoenen uitgedaan en heeft hij zijn gele pantoffels aangedaan. Hij zag dat [slachtoffer] een nat handje en een nat gezichtje had door het sabbelen. Hij heeft [slachtoffer] opgepakt en op zijn linkerschouder gelegd om met haar naar boven te lopen om een doekje te pakken. Toen hij de trap opliep, gleed hij op de zesde trap trede uit en probeerde hij met zijn rechterhand de leuning te grijpen. Hij greep mis en viel met [slachtoffer] naar beneden en kwam op [slachtoffer] terecht onderaan de trap. Verdachte heeft verklaard dat hij niet eerder heeft durven verklaren over de val van de trap, omdat hij bang was voor de reactie van [naam1] . Zij had hem immers al eerder gewaarschuwd dat hij voorzichtig moest doen op de trap. Op 18 februari 2021 heeft een reconstructie plaatsgevonden om dit scenario te onderzoeken.

De verdediging heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat het letsel bij [slachtoffer] accidenteel letsel betreft en is ontstaan door een val van de trap.

Bevindingen van de deskundigen over het door verdachte geschetste scenario

Naar het oordeel van het hof wordt het scenario van verdachte ontkracht door de bevindingen en conclusies van de deskundigen [deskundige2] , [deskundige4] en [deskundige5] , en [deskundige1] .

[deskundige2] heeft in zijn voorlopige bevindingen geconcludeerd dat in het door verdachte

beschreven incident op de trap onvoldoende krachten beschreven zijn om de combinatie van

letsels en het overlijden van [slachtoffer] te kunnen verklaren. Hij schrijft dat de afstand tussen het hoofd van [slachtoffer] en de trap ruimschoots minder dan 100 centimeter zal zijn geweest.

Valpartijen van die afstand komen op jonge leeftijd geregeld voor en leiden zeer zelden tot

ernstig hersenletsel. Mocht het hersenletsel van [slachtoffer] door de val zijn veroorzaakt dan zou

sprake moeten zijn van complicerende factoren, zoals een hoge startsnelheid van verdachte

of een draaibeweging van het hoofd van [slachtoffer] .(…) In het beschreven incident op de trap lijken onvoldoende krachten beschreven te zijn die de combinatie van letsels en het overlijden van [slachtoffer] kunnen verklaren.

[deskundige4] en [deskundige5] hebben in hun rapportage geconcludeerd dat de letsels van [slachtoffer] veel

waarschijnlijker zijn bij de hypothese toegebracht letsel dan bij een ongeval als de val van de trap zoals door verdachte geschetst.

[deskundige1] concludeert dat het zeer ernstige hersen- en oogletsel bij [slachtoffer] niet past bij de val van

de trap. [deskundige1] baseert dat op de verklaring van verdachte dat hij met een normale snelheid de

trap op is gelopen en dat uit die verklaring niet blijkt van een substantiële rotatiecomponent

voor het hoofd van [slachtoffer] vlak voor het eerste botsend contact met de trap. De initiële

valhoogte van [slachtoffer] was 1 tot 1,5 meter en na het eerste botsend/schuivend contact met de

trap volgden meerdere bots-/schuifcontacten met de trapdelen. De combinatie van de lage

snelheid en de geringe hoogte van de val maakt dat de krachtsinwerking te beperkt is om het

letsel van [slachtoffer] te hebben veroorzaakt. [deskundige1] constateert daarbij dat het opvallend is dat

[slachtoffer] geen oppervlakkige huidbeschadigingen, kras/schaafletsel of botbreuken door de val

heeft opgelopen. De toedracht zoals geschetst door verdachte past niet bij het letsel van

[slachtoffer] .

Op de zitting van de rechtbank van 11 april 2023 is [deskundige1] als getuige-deskundige gehoord en uit zijn verhoor volgt dat hij de reconstructie heeft gezien.

[deskundige1] heeft toen verklaard: “De reconstructie gaf meer inzicht. Het was een val van geringe hoogte met een lage snelheid. Het was meer een soort uitglijden. Dat is maar een beperkte krachtsinwerking. Daarom kan de val van de trap niet de enige oorzaak zijn van het letsel, er moet meer of iets anders zijn geweest. Hetzij schudden, hetzij een impact trauma of beiden, met andere woorden een hevige krachtsinwerking op het hoofd”.

Op verzoek van de verdediging zijn in hoger beroep de beelden van de reconstructie aan het dossier toegevoegd. Ook zijn de beelden van de reconstructie aan de forensische artsen [deskundige1] (NFI) en [deskundige2] (LOEF) toegezonden. Na ontvangst van de reconstructievideo is een aanvullend rapport opgesteld door zowel [deskundige1] als door [deskundige2] .

[deskundige1] geeft in het aanvullend rapport van 21 november 2024 aan dat de eindpositie van verdachte anatomisch gezien een opvallende houding betreft. [deskundige1] concludeert, na beoordeling van de reconstructiebeelden en het beantwoorden van vragen van de verdediging, dat hieruit geen nieuwe bevindingen met relevantie voor voorgaande eerdere rapporten volgen, vanwege (qua grootte en mechanisme) niet passende krachtsinwerkingen, waaronder het ontbreken van een forse rotatie- en crushcompenent met/op het hoofd van [slachtoffer] . De eerdere bevindingen en conclusies van [deskundige1] blijven derhalve ongewijzigd.

[deskundige2] geeft in zijn aanvullend rapport van 15 februari 2025 aan dat samengevat bij [slachtoffer] sprake was van zeer fors hersenletsel, als gevolg van een forse krachtsinwerking op het hoofd en/of een hevige schudbeweging. De val van de trap, die verdachte beschrijft, mogelijk geleid kan hebben tot een vrij forse krachtsinwerking op het achterhoofd en/of tot een krachtinwerking op de vloer. [deskundige2] merkt echter op dat valpartijen van kleine kinderen zeer zelden tot fataal hersenletsel leiden. Mocht de val van de trap tot hersenletsel en de bloedingen in- en achter het hoofd geleid hebben, dan moet sprake zijn geweest van een kracht die zeer duidelijk de kracht van een ongecompliceerde val overstegen heeft. [deskundige2] kan niet uitsluiten dat er tijdens de beschreven val door de snelheid van vader een draaibeweging is ontstaan die tot een zeer forse impact op het achterhoofd van [slachtoffer] heeft geleid, met fataal hersenletsel tot gevolg. Dat neemt – aldus [deskundige2] - niet weg dat de uitgebreide netvliesbloedingen ondersteuning geven voor een fors schudincident en dat de combinatie van bevindingen zeer uitzonderlijk is bij een accidentele krachtinwerking.

Oordeel van het hof ten aanzien van het door verdachte naar voren gebrachte scenario

Het hof overweegt – naar aanleiding van een daarop betrekking hebbend verweer - dat [deskundige1] een NFI-deskundige Forensische Geneeskunde (Minderjarigen) is, die als gerechtelijk deskundige is ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen voor Forensisch Medisch Onderzoek – minderjarigen. [deskundige1] heeft in zijn rapport van 23 januari 2024 bij beantwoording van een vraag van de raadsvrouw laten weten dat het tot de taak en deskundigheid van een forensisch arts behoort om op basis van kennis/ervaring, onderbouwd met relevante literatuurgegevens, een relatie te leggen tussen (combinatie van) letsels en, al dan niet gemelde, mogelijke veroorzakende krachtsinwerkingen. Het hof is van oordeel dat hieruit de deskundigheid van [deskundige1] om een oordeel te geven over het door de verdachte naar voren gebrachte scenario, zonder meer volgt.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen [deskundige1] en [deskundige2] over. Daarbij weegt het hof mee dat [deskundige1] , in reactie op de vraag of de combinatie van medische bevindingen past bij de gemelde val van de trap, heeft opgemerkt dat het opvallend is dat er bij [slachtoffer] geen huidafwijkingen of botbreuken zijn vastgesteld. Verpleegkundige [naam3] , die op 12 december 2020 met de ambulance bij [slachtoffer] thuis kwam, heeft [slachtoffer] helemaal uitgekleed en bekeken maar geen buil, rode schrammetjes of plekjes gezien. Het hof concludeert hieruit dat de val van de trap niet de (enige) oorzaak van het ontstane dodelijke letsel kan zijn.

Dat [deskundige2] , zoals de verdediging terecht stelt, niet kan uitsluiten dat het hersenletsel van [slachtoffer] het gevolg is van een (gecompliceerde) val van de trap, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders, nu [deskundige2] daar ook bij heeft vermeld dat de uitgebreide netvliesbloedingen die bij [slachtoffer] zijn geconstateerd ondersteuning geven aan een fors schudincident en dat de combinatie van bevindingen zeer uitzonderlijk zijn bij een accidentele oorzaak.

Het hof acht, gelet op het voorgaande het door verdachte aangedragen scenario als (enige) oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] niet aannemelijk en zal dit scenario dan ook terzijde schuiven.

Tussenconclusie

Gelet op het vorenoverwogene en dan met name de inhoud van de verschillende deskundigenrapporten stelt het hof vast dat het ernstige hersen- en oogletsel dat bij [slachtoffer] is vastgesteld, ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden, een gevolg is geweest van toegebracht (niet-accidenteel) letsel bij [slachtoffer] . Eerder had het hof al vastgesteld dat het verdachte is geweest die dat letsel heeft toegebracht. Het hof kan op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen wat exact de geweldshandelingen van verdachte zijn geweest die het fatale letsel bij [slachtoffer] hebben veroorzaakt. Wel stelt het hof vast, zoals hiervoor al weergegeven, dat het fatale letsel bij [slachtoffer] is ontstaan door een forse krachtsinwerking van forse repeterende acceleratie-deceleratie en/of stomp botsende krachtsinwerking(en) op het hoofd van [slachtoffer] , waarvoor verdachte verantwoordelijk is geweest.

Opzet

Het hof moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Er is niet vast komen te staan dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Vol opzet op de dood kan daarom niet worden bewezen. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van [slachtoffer] , is aanwezig als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging die aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Het hof overweegt dat onduidelijk is gebleven welke geweldshandelingen verdachte precies heeft verricht. De bij [slachtoffer] geconstateerde letsels en de conclusies van de deskundigen wijzen op krachtig schudden dan wel het uitoefenen van stomp botsend geweld, dan wel een combinatie van beide, waarbij sprake moet zijn geweest van een forse krachtinwerking.

Deze krachtsinwerking(en) was/waren dermate ernstig dat het leven van [slachtoffer] niet meer kon worden gered en heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .

Het hof acht het een algemene ervaringsregel dat (een) dergelijke krachts-inwerking(en) bij een vier en een halve maand oude baby de aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept. Er bestaat immers een aanmerkelijke kans dat het krachtig schudden van het hoofd of het uitoefenen van stomp botsend geweld (met als gevolg schade aan de nek of in de hersenen) dan wel een combinatie van beide, kan leiden tot de dood van een baby. Uit de verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep blijkt dat hij en zijn vrouw door de kraamzorg zijn voorgelicht over hoe kwetsbaar een babyhoofdje is en dat hij weet hoe een baby moet worden vastgehouden .

Het hof is van oordeel dat de krachtige en daarmee gewelddadige handelingen die verdachte moet hebben verricht naar hun aard kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van relevante contra-indicaties is het hof niet gebleken. Het hof acht het voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] , en daarmee het primair ten laste gelegde, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primairhij op in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 12 december 2020 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zijn kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door:

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/op het hoofd te slaan en/of te stompen, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of - meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en/of (met kracht) door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval samendrukkend en/of anderszins (zeer heftig) geweld op het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] uit te oefenen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren en negen (9) maanden met aftrek van het voorarrest. In principe zou een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren passend zijn, maar gelet op de schending van de redelijke termijn dient een strafkorting van drie (3) maanden toegepast te worden.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van [slachtoffer] , zijn vier en een halve maand oude dochtertje, door haar met kracht te schudden en/of door botsend en/of stompend geweld uit te oefenen op haar hoofdje. Door dit geweld heeft [slachtoffer] ernstig hersenletsel opgelopen, waaraan zij uiteindelijk de volgende dag na vergeefse medische hulp is komen te overlijden. Het doden van iemand is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Dit recht heeft verdachte zijn dochtertje ontnomen. Een kindje van de leeftijd van [slachtoffer] is volledig weerloos en afhankelijk van de zorg van zijn of haar ouders. Als vader had verdachte [slachtoffer] zorg, geborgenheid en bescherming moeten bieden. Verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze zijn ouderlijke plicht geschonden. Het overlijden van [slachtoffer] brengt onherstelbaar leed en intens verdriet teweeg voor de nabestaanden. Door geen openheid van zaken te geven over wat er precies is gebeurd, blijven er vragen rond haar overlijden bestaan. Ook heeft hierdoor geen adequaat onderzoek naar het gedrag van verdachte kunnen plaatsvinden. Tegelijkertijd ziet het hof dat verdachte veel verdriet heeft en verder moet leven met de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van zijn dochtertje.

Het hof heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van enig strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen. Dit weegt in het voordeel noch nadeel van verdachte.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd en zal uitgaan van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof realiseert zich dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf ingrijpende gevolgen voor verdachte (en zijn gezin) zal hebben, maar gelet op de ernst van het feit en uit oogpunt van generale preventie kan een andere straf(modaliteit) niet aan de orde zijn.

Verder heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van 7 april 2026.

Sinds 24 maart 2021 staat verdachte onder toezicht van de reclassering. Volgens de reclassering stelt verdachte zich meewerkend op, komt hij zijn afspraken trouw na en is hij open tijdens de gesprekken. Na het overlijden van hun dochtertje hebben verdachte en zijn vrouw geprobeerd het ‘normale’ leven weer op te pakken. Dit verliep de eerste jaren moeizaam omdat verdachte getraumatiseerd is geraakt door alle gebeurtenissen. Verdachte heeft hiervoor therapieën gevolgd en inmiddels heeft hij zijn leven weer opgepakt. Het gemis van hun dochtertje blijft echter en verdachte is hier dagelijks mee bezig. Hij voelt zich schuldig, schaamt zich en is in perioden somber. Na het overlijden van hun dochtertje hebben verdachte en zijn vrouw nog twee kinderen gekregen. Inmiddels is verdachte van werkplek veranderd en sinds januari 2026 heeft hij een fulltime baan. De reclassering acht een gevangenisstraf niet wenselijk vanwege de gevolgen die dit kan hebben voor de stabiliteit van de leefgebieden (huisvesting, werk en inkomen).

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit inmiddels ruim vijf jaren geleden heeft plaatsgevonden en dat een veroordeling naar alle waarschijnlijkheid grote gevolgen voor het persoonlijk leven van verdachte en voor de stabiliteit van zijn gezin zal hebben, zoals ook uit het eerder genoemde reclasseringsadvies naar voren komt.

Verder heeft het hof geconstateerd dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof niet gebleken.

Met betrekking tot het procesverloop in eerste aanleg overweegt het hof het volgende. Verdachte is op 5 januari 2021 in verzekering gesteld. Op 25 april 2023 is verdachte door de rechtbank veroordeeld. Verdachte heeft vervolgens op 25 april 2023 hoger beroep ingesteld. De inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep stond gepland op 21 april 2026 en het hof doet uitspraak op 19 mei 2026.

Het hof stelt vast dat de berechting in deze zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat deze termijnoverschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft aanvullend onderzoek plaatsgehad. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van het hof wel enige, maar onvoldoende rechtvaardiging voor de volledige overschrijding van de redelijke termijn.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden passend en geboden is en zal het hof verdachte die straf opleggen. Het voorarrest zal hierop in mindering worden gebracht.

Het hof heeft hierbij 6 maanden minder gevangenisstraf opgelegd dan wanneer de redelijke termijn niet overschreden zou zijn. Ook heeft het hof in strafverminderende zin rekening gehouden met het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte in totaal vijf jaar is geschorst en dat verdachte zich al die tijd altijd netjes aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Daarom komt het hof tot een lagere straf dan geëist door de advocaat-generaal en opgelegd door de rechtbank.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. K. Gilhuis, mr. S. Bek en mr. D.J. Stahlie, in aanwezigheid van de griffier mr. J.P. Fuchs-van Dis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand