ECLI:NL:GHARL:2026:3083

ECLI:NL:GHARL:2026:3083

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 21-001743-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof veroordeelt de voorman van Pegida voor groespbelediging van moslims tot een werkstraf van 20 uur. Het hof spreekt hem vrij voor belediging van de burgemeester en het overtreden van het aan hem door de burgemeester opgelegde noodbevel. Het hof acht wel bewezen dat de man met zijn uitdagende gedrag de oorzaak was van ordeverstoring, maar verklaart dat feit niet strafbaar. De verdachte wordt daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 9 januari 2026 (rolzitting) en 4 mei 2026 (inhoudelijke zitting) en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,

mr. A.P. Stipdonk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Gelderland heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Verdachte is voor deze feiten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van drie jaren. Aan deze proeftijd is naast de algemene voorwaarde dat verdachte in de proeftijd niet een nieuw strafbaar feit zal plegen, ook een bijzondere voorwaarde gekoppeld. Deze bijzondere voorwaarde houdt – kort gezegd – in dat verdachte een geldbedrag van € 500,00 euro zal storten op de rekening van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 21 december 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland en/of [plaats 2] , althans in Bondsrepubliek Duitsland, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst en/of levensovertuiging, door op het Facebook-account van [naam] een bericht te plaatsen en/of te delen met de volgende tekst: "Terwijl in naam van de PVV ideologie geen homo’s van flats worden gegooid, geen Joodse vrouwen worden verkracht, geen aanslagen worden gepleegd, geen vrouwenonderdrukking plaatsvindt etc etc, gebeurt dat door de geloofsgenote(n) van [slachtoffer] in naam van Allah tegenwoordig bijna dagelijks", althans woorden van gelijke aard en/of strekking; 2.hij op of omstreeks 23 maart 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland opzettelijk een ambtenaar, te weten [Beroep] [slachtoffer] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: " [slachtoffer] is geen bestuurder is een echte Islamist", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3. primairhij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats 1] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een noodbevel inhoudende een gebiedsverbod, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 175 Gemeentewet, gedaan door of namens de [Beroep] van [gemeente] , in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich gedurende 6 maanden (ingaande op 21 maart 2024 en eindigend op 22 september 2024 om 00:00 uur) niet mocht bevinden en ophouden in/op het gehele grondgebied van de gemeente [gemeente] anders dan indien dat noodzakelijk is voor het bijwonen van een zitting bij een rechterlijke instantie, door zich op voornoemde datum omstreeks 15:30 uur voor de rechtbank [plaats 1] op de [locatie] , althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied, te bevinden en daarbij een Koran vastgemaakt aan een hondenriem te slingeren en/of over de grond te slepen; 3. subsidiairhij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats 1] , opzettelijk niet heeft voldaan aan artikel 2.1.1.1 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor [gemeente] inhoudende het verbod door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden, door voor de rechtbank [plaats 1] op de [locatie] een Koran vastgemaakt aan een hondenriem te slingeren en/of over de grond te slepen hetgeen (kort erna) heeft geleid tot de aanhouding van een andere verdachte voor groepsbelediging en/of het ontstaan van een negatieve/grimmige sfeer onder een groep aanwezige jongeren;.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie voor feit 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het ten laste gelegde feit een klachtdelict betreft en de klacht niet op de juiste wijze in behandeling is genomen. De klacht is niet opgenomen door een (hulp)officier van justitie, maar door twee verbalisanten met de rang van brigadier.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte onder feit 2 belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening ten laste is gelegd (artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit is geen klachtdelict.

Het oordeel van het hof

Het ten laste gelegde betreft belediging als bedoeld in artikel 267 Sr. In afwijking van de hoofdregel dat belediging een klachtdelict is, volgt uit artikel 271, vierde lid, Sr, dat voor de vervolging van de in artikel 267 Sr bedoelde feiten geen klacht is vereist.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder feit 1 ten laste gelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de uitlatingen in het Facebook bericht op grond van de jurisprudentie als beledigend en strafbaar kunnen worden aangemerkt, nu de uitlatingen geen bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat en daarnaast onnodig grievend zijn. Door de plaatsing van de tekst op een openbaar Facebook-account zijn de uitlatingen ter kennis van het publiek gebracht en is voldaan aan het openbaarheidsvereiste. Verdachte had ook de vereiste opzet, nu hij in elk geval de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen beledigend zouden zijn voor moslims.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor zover de uitlatingen in het Facebook bericht als beledigend zouden kunnen worden gekwalificeerd, de context de strafbaarheid van de uitlatingen wegneemt, omdat deze uitlatingen een bijdrage leveren aan het publieke debat. De uitlatingen zijn ook niet onnodig grievend, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij als pleger op of omstreeks 21 december 2023 via het Facebookaccount van [naam] een bericht heeft geplaatst en/of gedeeld met een voor moslims beledigende inhoud.

In de tekst die is gedeeld op de Facebook-account van [naam] op 21 december 2023 staat onder meer: "Terwijl in naam van de PVV ideologie geen homo’s van flats worden gegooid, geen Joodse vrouwen worden verkracht, geen aanslagen worden gepleegd, geen vrouwenonderdrukking plaatsvindt etc etc, gebeurt dat door de geloofsgenote(n) van [slachtoffer] in naam van Allah tegenwoordig bijna dagelijks".

De tenlastegelegde tekst is onderdeel van een tekst waarin een demonstratie met een Koran verbranding wordt aangekondigd met als thema “De islam is geen haar beter dan het nazisme”.

Op 5 april 2024 is namens de heer [slachtoffer] , [Beroep] van [gemeente] en moslim aangifte gedaan van groepsbelediging.

Verdachte heeft de politierechter in eerste aanleg verklaard dat meerdere personen toegang hadden tot en gebruikmaakten van het betreffende Facebookaccount. Verdachte heeft verder verklaard dat hij een van de beheerders is van het account. Hij staat voor zijn mensen en neemt verantwoordelijkheid voor de inhoud van het geplaatste bericht. De inhoud is feitelijk juist. Hij heeft het betreffende bericht niet zelf geplaatst.

Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte degene is geweest die het bericht heeft geplaatst. Het hof zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken. Het hof komt wel tot bewezenverklaring van ‘delen’. Verdachte was één van de beheerders van het Facebook-account en verklaart achter de inhoud van het bericht te staan en neemt verantwoordelijkheid voor de geplaatste tekst. Nu verdachte heeft nagelaten de tekst te verwijderen, waartoe hij als beheerder wel de mogelijkheid had, heeft hij met dit nalaten de tekst gedeeld.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de gedeelde tekst een groepsbelediging inhoudt.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van strafbare belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c Sr heeft de Hoge Raad het volgende toetsingskader ontwikkeld: een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij een uitlating die in het algemeen op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796).

De strafbaarstelling van groepsbelediging als bedoeld in artikel 137c Sr botst met het recht op vrijheid van meningsuiting. Dat in de Grondwet en in het EVRM beschermde recht mag alleen worden beperkt op grond van de wet. In deze zaak is dat artikel 137c Sr, dat er onder andere toe strekt de goede zeden en de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, indien en voor zover dat noodzakelijk is in een democratische samenleving (artikel 10, tweede lid EVRM). Met name deze laatste maatstaf vergt steeds een afweging van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op het recht om een mening in vrijheid te uiten, dient het uitgangspunt te zijn dat een uiting is toegelaten, ook als die uiting shockeert, verontrust of beledigt (vgl. EHRM 23 april 1992, NJ 1994, 102, Castells vs Spanje, r.o. 42).

Een uiting is het kenbaar maken van gedachten of gevoelens, op welke wijze dan ook. Die gevoelens kunnen ook te maken hebben met de invloed van een bepaald geloof op de Nederlandse samenleving. Het recht om een mening te uiten, geeft echter geen onbeperkt recht op beledigen. In een specifieke context als het politiek maatschappelijk of maatschappelijke debat of bij kunstuitingen zal de democratische samenleving weliswaar een zekere mate van belediging moeten accepteren, maar als de belediging verder gaat dan noodzakelijk, onnodig grievend is, dan is de belediging strafbaar.

De tekst gaat onmiskenbaar over mensen die de Islam aanhangen. In de tekst wordt gesteld dat zij bijna dagelijks in de naam van Allah homo’s van flats gooien, Joodse vrouwen verkrachten, aanslagen plegen en vrouwen onderdrukken. De verdachte heeft ter zitting bij het hof gesteld dat niet gedoeld wordt op alle moslims. Dit volgt echter niet uit de tekst en evenmin uit de omstandigheid dat de Islam in zijn algemeenheid vergeleken wordt met het nazisme.

De verdachte heeft aangegeven dat de tekst een onderdeel is van het maatschappelijk debat dat [naam] wil voeren over de invloed van de Islam op de Nederlandse samenleving. Op zich mag gelet op artikel 10 EVRM dit debat gevoerd worden en daarbij mogen de uitlatingen best ver gaan. De grens ligt bij uitlatingen die als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat dit bij de tenlastegelegde tekst het geval is. Moslims worden in deze tekst over één kam geschoren en beschuldigd van het op bijna dagelijkse basis plegen van ernstige strafbare feiten. Waarbij in die context de Islam vergeleken wordt met het nazisme, een ideologie die aan de wieg stond van de Holocaust. Aldus is het hof met de politierechter van oordeel dat een inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is en dat deze in het onderhavige geval niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Een veroordeling voor het bewezenverklaarde handelen is naar het oordeel van het hof dan ook niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling.

De belediging is door de verdachte ook opzettelijk geuit. Hij heeft als beheerder kennisgenomen van de tekst en staat achter de tekst. Hij heeft op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het beledigende karakter van zijn uitlating. Daarnaast heeft de verdachte opzet gehad op de openbaarheid van zijn uitlating. De tekst is immers gedeeld op het openbare Facebook-account van [naam] dat op dat moment 21.000 volgers had. Gelet hierop en het feit dat de tekst staat opgenomen in een aankondiging van een demonstratie is het de bedoeling van verdachte dat deze tekst door zoveel mogelijk mensen gelezen wordt.

Op grond van voorgaande overwegingen in samenhang bezien met de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1.

Vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde feit

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de term “islamist” niet zonder meer beledigend is, maar de context waarbinnen de uitlating is gedaan maakt dat de uitlating wel als beledigend moet worden gekwalificeerd. Er is geen sprake van een bijdrage aan het publieke debat, nu de uitlating bedoeld is de geloofsovertuiging van [Beroep] [slachtoffer] te betrekken op zijn leiderschap/bestuur en dat tezamen met zijn geloofsovertuiging in een kwaad daglicht te stellen. Bovendien is de uitlating van verdachte onnodig grievend én dus strafbaar. Gezien de gebruikte bewoordingen in de betreffende context kan het ook niet anders dan dat verdachte zich bewust was van het beledigende karakter van de door hem gebezigde uitlating.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het woord “islamist” niet beledigend is geweest. Het was niet de bedoeling van verdachte om [Beroep] [slachtoffer] in zijn eer en goede naam aan te tasten. De uitlating is gedaan in het kader van het maatschappelijk debat. De uitlating valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het woord “islamist” is bovendien niet onnodig grievend.

Oordeel van het hof

Het hof stelt op grond van het dossier allereerst vast dat verdachte bekent de hem verweten uitlating te hebben gedaan. Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de uitlating van verdachte, inhoudende: " [slachtoffer] is geen bestuurder, is een echte islamist" in het filmpje op X op 23 maart 2024 een strafbare belediging oplevert.

Het, onder meer in artikel 10 EVRM opgenomen recht op vrijheid van meningsuiting, kan onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking is toegestaan als het gaat om een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke beperking. Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Aan de andere kant geldt dat het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM bescherming biedt aan uitlatingen die kunnen shockeren, kwetsen of verontrusten, en dat in het bijzonder bij uitlatingen over publieke functionarissen, waaronder een [Beroep] , een ruime mate van vrijheid bestaat.

Een belediging in de zin van artikel 266/267 Sr kan een toegestane beperking van artikel 10 EVRM met zich brengen. Een uitlating of gedraging in de zin van artikel 266, eerste lid, Sr moet als beledigend worden beschouwd, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Niet iedere uitlating die iemand als kwetsend of ongepast beschouwd, is een belediging in de zin van artikel 266 Sr.

De strafrechter moet bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uitlating wegens eenvoudige belediging in voorkomend geval rekening houden met (i) de bewoordingen van die uitlating en de vraag of sprake is van een waardeoordeel of een feitelijke beschuldiging, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, waaronder ook (de functie van) de persoon die de uitlating deed en (de functie van) de persoon op wie de uitlating betrekking heeft, (iii) de manier van openbaarmaking van de uitlating, (iv) de vraag of de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie, en (v) de vraag of de uitlating onnodig grievend is.

Het hof overweegt in deze specifieke zaak als volgt.

Met de term “islamist” wordt iemand aangeduid die – kort gezegd – de staatswetgeving in overeenstemming wil brengen met de regels uit de Koran, waarbij de Koran strikt wordt uitgelegd. Het is geen synoniem voor bijvoorbeeld moslimterrorist.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gedane uitlating, in het bijzonder de term “islamist”, op zichzelf beschouwd geen beledigende strekking heeft. De term “islamist” is niet zonder meer aan te merken als een scheldwoord of als een term die naar haar aard de eer en goede naam van de betrokkene aantast. De uitlating houdt naar haar aard geen concrete feitelijke beschuldiging in, maar geeft een mening over vermeende politieke of ideologische opvattingen. De uitlating bevat ook geen beschuldiging van strafbaar of anderszins laakbaar handelen.

Ook woorden die op zichzelf staand niet beledigend zijn, kunnen in de context waarin zij geuit zijn een beledigend karakter krijgen. Verdachte heeft de uitlating gedaan tegen de achtergrond van de door [naam] aangekondigde koranverbranding, de daaropvolgende bestuurlijke maatregelen (waaronder het in feit 3 genoemde noodbevel) en de openbare ordeproblematiek die daarmee gepaard ging. In het gewraakte filmpje laat verdachte zich uit over het optreden van de [Beroep] en de politie in dat verband.

Gelet op deze context is het hof van oordeel dat de uitlating niet de strekking heeft om de eer en goede naam van de betrokkene aan te randen. De uitlating kan worden opgevat als een mening over de [Beroep] in verband met diens optreden en de door hem genomen bestuursrechtelijke maatregelen rondom de aangekondigde demonstratie van [naam] . Het hof betrekt daarbij dat de uitlating “islamist” niet aanzet tot geweld, haat of discriminatie of anderszins strijdig is met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Dat de uitlating door de [Beroep] als ongepast en kwetsend wordt ervaren maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een strafbare belediging.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 2.

Vrijspraak van het onder feit 3 primair ten laste gelegde feit

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte met zijn gedraging (een Koran aan een hondenriem over de grond slepen en rondslingeren) het aan hem opgelegde noodbevel opzettelijk heeft overtreden. Het noodbevel was rechtmatig uitgevaardigd en een terechte beperking van het recht op demonstratie. Door de eerdergenoemde gedraging van verdachte gold de uitzondering op het noodbevel, te weten het bezoeken van het Paleis van Justitie voor het door verdachte aangespannen kort geding tegen het noodbevel, niet.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte het noodbevel niet strafbaar heeft overtreden, omdat sprake was van de expliciete uitzondering die genoemd staat in het noodbevel, te weten het bijwonen van een zitting in het Paleis van Justitie.

Oordeel van het hof

Aan verdachte is – kort gezegd – onder feit 3 primair ten laste gelegd dat hij opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 175 Gemeentewet gegeven noodbevel, strafbaar gesteld in artikel 184 Sr.

Het hof overweegt als volgt.

Het noodbevel hield in dat verdachte zich niet op het gehele grondgebied van de gemeente [gemeente] mocht bevinden en/of ophouden, behoudens voor zover dat noodzakelijk was voor het bijwonen van een zitting bij een rechterlijke instantie.

Uit het dossier volgt dat verdachte op 27 maart 2024 naar [plaats 1] is gekomen in verband met een zitting bij de rechtbank. Deze zitting betrof een kort geding over het aan hem opgelegde gebiedsverbod in het eerdergenoemde noodbevel. Uit het dossier volgt dat verdachte enige tijd voor de start van het kort geding met de auto bij de rechtbank aankwam en met versnelde pas naar de ingang van de rechtbank liep. Terwijl verdachte naar de ingang van de rechtbank liep, liet hij de Koran op de grond vallen en trok hij het boek aan een hondenriem achter zich aan en zwaaide hij het boek aan de riem in het rond om het vervolgens weer over de grond te slepen.

Het hof stelt vast dat verdachte binnen de in het noodbevel gegeven uitzondering is gebleven. Niet is gebleken dat hij zich langer dan noodzakelijk buiten de rechtbank heeft opgehouden.

Dat verdachte tijdens de gang naar de rechtbank een Koran vastgemaakt aan een hondenriem over de grond sleepte en daarmee in het rond slingerde, maakt dit niet anders. Het noodbevel bevatte geen beperking ten aanzien van de wijze waarop verdachte zich diende te gedragen tijdens een in het noodbevel gegeven uitzonderingssituatie.

Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat verdachte het noodbevel heeft overtreden. Verdachte zal daarom van het onder feit 3 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde feit

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, maar verdachte gelet op het recente arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:483) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het recht op vrijheid van demonstratie en het recht op vrijheid van meningsuiting kunnen alleen beperkt worden door een wet in formele zin. Artikel 2:1:1:1, eerste lid van de een Algemeen Plaatselijke Verordening (hierna: APV) [gemeente] is dit niet.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de tekst van artikel 2:1:1:1, eerste lid, APV [gemeente] is gericht op samenscholing. Het ging hier om een individuele wandeling van verdachte van de auto naar het Paleis van Justitie. Daarnaast valt de ten laste gelegde gedraging niet te kwalificeren als “uitdagend gedrag dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden”. Er is ook geen causaal verband tussen het gedrag van verdachte ende nadien volgende aanhouding van een ander persoon en het ontstaan van een grimmige sfeer.

Oordeel van het hof

Aan verdachte is – kort gezegd en zoals nader omschreven in de tenlastelegging – onder feit 3 subsidiair ten laste gelegd dat hij door zijn hiervoor genoemde gedraging in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1.1.1, eerste lid, van de APV [gemeente] .

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer dat de bepaling uitsluitend ziet op situaties van samenscholing wordt verworpen, nu uit de tekst van artikel 2.1.1.1, eerste lid, van de APV [gemeente] volgt dat ook individueel gedrag onder de reikwijdte van deze bepaling kan vallen.

Uit het dossier volgt dat verdachte op 27 maart 2024 op social media heeft aangegeven dat hij naar de voorzieningenrechter in [plaats 1] zou gaan om het aan hem opgelegde gebiedsverbod aan te vechten en dat hij gebruik zou maken van deze gelegenheid om een protestactie uit te voeren. Later die dag werd duidelijk dat die actie bestond uit het meeslepen en rondslingeren van een Koran aan een hondenriem, terwijl hij naar de ingang van het Paleis van Justitie liep. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat met deze actie sprake was van een eenmansprotest en dat hij wilde laten zien dat het demonstratierecht nog bestaat. Verdachte bekent de feitelijke handelingen die hem ten laste zijn gelegd.

Naar het oordeel van het hof is dit gedrag, gelet op de aard en de omstandigheden die ook beschreven staan in het noodbevel, aan te merken als provocerend en daarmee als “uitdagend gedrag” in de zin van artikel 2.1.1.1, eerste lid, APV [gemeente] .

Uit het dossier volgt voorts dat dit gedrag heeft geleid tot onrust en een grimmige sfeer onder aanwezigen, alsmede tot de aanhouding van een ander persoon. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, acht het hof voldoende aannemelijk dat tussen het gedrag van verdachte en het ontstaan van deze wanordelijkheden een causaal verband bestaat, reeds gelet op het tijdsverloop en de directe reactie van omstanders op het gedrag van verdachte.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte door uitdagend gedrag aanleiding heeft gegeven tot wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2.1.1.1, eerste lid, van de APV [gemeente] , zodat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring van het onder feit 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks 21 december 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland en/of [plaats 2] , althans in Bondsrepubliek Duitsland , zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst en/of levensovertuiging , door op het Facebook-account van [naam] een bericht te plaatsen en/of te delen met de volgende tekst: "Terwijl in naam van de PVV ideologie geen homo’s van flats worden gegooid, geen Joodse vrouwen worden verkracht, geen aanslagen worden gepleegd, geen vrouwenonderdrukking plaatsvindt etc etc, gebeurt dat door de geloofsgenote(n) van [slachtoffer] in naam van Allah tegenwoordig bijna dagelijks" , althans woorden van gelijke aard en/of strekking ;

3.subsidiair hij op of omstreeks 27 maart 2024 te [plaats 1] , opzettelijk niet heeft voldaan aan artikel 2.1.1.1 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor [plaats 1] inhoudende het verbod door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden, door voor de rechtbank [plaats 1] op de [locatie] een Koran vastgemaakt aan een hondenriem te slingeren en /of over de grond te slepen hetgeen (kort erna) heeft geleid tot de aanhouding van een andere verdachte voor groepsbelediging en /of het ontstaan van een negatieve/grimmige sfeer onder een groep aanwezige jongeren.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Feit 1

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst.

Feit 3, subsidiair

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bewezenverklaarde onder feit 3 subsidiair strafbaar is.

De gedraging van verdachte – het meeslepen en zwaaien met een Koran aan een hondenriem – moet worden aangemerkt als een uiting van zijn mening en daarmee als een vorm van betoging als bedoeld in artikel 9 van de Grondwet (het demonstratierecht).

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en de daarop betrekking hebbende rechtspraak volgt dat het demonstratierecht slechts kan worden beperkt krachtens een specifieke wettelijke grondslag. Beperkingen kunnen niet worden gebaseerd op de algemene verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet.

De strafbaarheid van het onder feit 3 subsidiair bewezenverklaarde is gebaseerd op artikel 2.1.1.1, eerste lid, van de APV [gemeente] , een bepaling die is vastgesteld op grond van voornoemde algemene verordenende bevoegdheid. Deze bepaling kan daarom niet dienen als grondslag voor een beperking van het demonstratierecht als bedoeld in artikel 9 van de Grondwet (vgl. HR 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:483).

Dit brengt mee dat het bewezenverklaarde onder feit 3 subsidiair niet strafbaar is. De gedragingen van verdachte zijn niet anderszins tenlastegelegd, zodat het hof niet toekomt aan het anderszins beoordelen van de gedragingen van verdachte.

Verdachte zal ter zake van het onder feit 3 subsidiair bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar voor het onder feit 1 bewezenverklaarde omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

In een democratische samenleving moet ruimte zijn voor het uiten van verschillende standpunten. Het recht van vrijheid van meningsuiting is een belangrijk recht. Verdachte voert al jaren het maatschappelijk debat op het scherpst van de snede. Dit brengt het risico met zich dat hij soms de strafrechtelijke grens overgaat, zoals bij feit 1 het geval is. Daar waar anderen onnodig grievend beledigd worden, stopt zijn vrijheid van meningsuiting. Het is aan verdachte om te zorgen dat hij de grenzen van zijn recht in acht neemt en buiten die grenzen rekening houdt met de belangen van andere(n) (groepen) in de samenleving.

Verdachte is op 24 juli 2024 door het hof Den Haag veroordeeld voor groepsbelediging gepleegd op 22 januari 2023 tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van 2 jaren. Artikel 63 Sr is van toepassing.

Verdachte heeft ter zitting bij het hof geen blijk gegeven te beseffen dat hij een strafrechtelijke grens is overgegaan. Het hof vindt het noodzakelijk dat verdachte een voorwaardelijke straf boven zijn hoofd heeft hangen, zodat verdachte zich in de nabije toekomst langer beraadt over de uitlatingen die hij doet. Daarnaast zijn de uitlatingen in het gewraakte Facebook bericht dermate grievend dat ook een onvoorwaardelijke straf passend is. Het hof is van oordeel dat de veroordeling door het hof Den Haag een afdoende stok achter de deur biedt. Voor het feit waarover nu geoordeeld wordt, legt het hof aan verdachte een werkstraf van 20 uur op, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder feit 3 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Zwartjes, mr. R.W. van Zuijlen en mr. E.C.M. Wolfert, in aanwezigheid van de griffier mr. I.H. Scharrenberg en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand