GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.016/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 187761
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. W.J. Leerink
en
Kimsma Bouwbedrijf B.V. (Kimsma)
die is gevestigd in Goutum
advocaat: mr. D.A. Westra
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) op 20 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- een brief met daarbij een usb-stick
- een akte overlegging producties
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 19 februari 2026 is gehouden.
Partijen hebben het hof om een uitspraak verzocht.
2. De kern van de zaak
Kimsma en [appellant] hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, op grond waarvan Kimsma in opdracht van [appellant] verbouwingswerkzaamheden aan diens (vakantie)woning heeft uitgevoerd. Tussen partijen is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden discussie ontstaan over (onder meer) de planning, onvoorziene omstandigheden en het uitblijven van meerwerkopdrachten die daaruit noodzakelijkerwijs zouden moeten voortvloeien volgens Kimsma en de betaling van de facturen van Kimsma. Partijen verschillen daarbij van mening over de vraag wie (als eerste) in verzuim verkeerde. Kimsma heeft op enig moment de werkzaamheden stilgelegd, wat voor [appellant] aanleiding is geweest de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. In geschil is wat de financiële gevolgen van deze gebeurtenissen zijn en hoe partijen met elkaar moeten afrekenen.
Kimsma heeft, verkort weergegeven, bij de rechtbank gevorderd (in conventie) te beslissen primair dat de aannemingsovereenkomst tussentijds is opgezegd door [appellant] , subsidiair de aannemingsovereenkomst te ontbinden en voor recht te verklaren dat [appellant] jegens Kimsma toerekenbaar tekort is geschoten en aansprakelijk is voor alle daaruit voortvloeiende schade. Verder is gevorderd [appellant] te veroordelen om € 103.220,80 inclusief btw aan Kimsma te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente over € 46.672,- vanaf 23 juni 2022 en over € 41.654,67 vanaf 11 augustus 2022, en € 1.807,21 voor buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente.
[appellant] heeft een tegenvordering ingesteld (vordering in reconventie). Hij heeft, verkort weergegeven, na wijziging van eis, gevorderd om te verklaren voor recht dat de aannemingsovereenkomst op 6 juli 2022 door [appellant] buitengerechtelijk en partieel – voor de niet-uitgevoerde werkzaamheden – is ontbonden, of die partieel te ontbinden. [appellant] heeft ook gevorderd te verklaren voor recht dat Kimsma een schadevergoeding is verschuldigd, die schadevergoeding op te maken bij staat in een schadestaatprocedure indien de primaire vordering om Kimsma te veroordelen tot betaling van € 83.176,45, althans een na verrekening resterend bedrag, met wettelijke rente vanaf 24 mei, 20 juni of 24 juni 2022 niet wordt toegewezen. Daarnaast vordert [appellant] dat Kimsma wordt veroordeeld tot betaling van € 1.760 (boete wegens vertraging in de oplevering) en van € 1.944,19 (vergoeding van buitengerechtelijke kosten) en daarnaast in de proceskosten, inclusief nakosten en wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vorderingen van Kimsma voor een deel toegewezen: de rechtbank heeft de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk ontbonden, te weten voor het niet uitgevoerde deel van de werkzaamheden. De rechtbank heeft ook voor recht verklaard dat [appellant] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst is tekortgeschoten en uit dien hoofde aansprakelijk is voor alle daaruit voortvloeiende schade van Kimsma. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om € 82.811,78 met wettelijke rente vanaf 4 januari 2023 tot aan de dag van volledige betaling aan Kimsma te voldoen. Verder zijn de vorderingen van Kimsma afgewezen, evenals de tegenvorderingen van [appellant] . [appellant] is in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld (€ 9.877,07 en € 2567,-, met nakosten). 2.5 De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen van Kimsma worden afgewezen en dat zijn vorderingen worden toegewezen.
Het hof zal beslissen dat de vordering van Kimsma tot een iets lager bedrag wordt toegewezen. Het grootste deel van de beslissing van de rechtbank blijft daarmee in stand. [appellant] heeft aldus beperkt succes met zijn hoger beroep. Het hof licht dat hierna toe.
3. De relevante feiten
Tussen Kimsma en [appellant] is op 15 februari 2022 een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen op grond waarvan Kimsma in opdracht van [appellant] uitbreidings- en verbouwingswerkzaamheden heeft verricht aan de (vakantie)woning van [appellant] in Grou (hierna: de woning).
Op de overeenkomst zijn de Consumentenvoorwaarden Verbouwingen 2010 van Stichting Bouwgarant (Covo 2010) van toepassing verklaard. In de Covo2010 is onder meer het volgende bepaald:
“ARTIKEL 5 - Verplichtingen van de ondernemer
(…)
5. Als de aard van het werk hiertoe aanleiding geeft, stelt de ondernemer zich voor de aanvang van het werk op de hoogte van de ligging van ondergrondse kabels en leidingen.
(…)
ARTIKEL 7 - Onvoorziene omstandigheden
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 5 lid 5, draagt de consument het risico van het door de ondernemer aantreffen van een zaak die een wezenlijke belemmering of bemoeilijking van de uitvoering betekent, behoudens voor zover de ondernemer redelijkerwijs van de aanwezigheid van de zaak op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn.2.Wanneer zich onvoorziene omstandigheden met betrekking tot de aanvang en uitvoering van het werk voordoen (…) treden ondernemer en consument met elkaar in overleg.
(…)
4.Eventuele extra kosten die de ondernemer moet maken in verband met een onvoorziene omstandigheid die onmiddellijk handelen vereist en die redelijk zijn ter beperking van de schade, zullen door de consument worden vergoed, tenzij de omstandigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening van de ondernemer komt.
5.Indien de onvoorziene omstandigheid niet onmiddellijk handelen vereist, kan de consument meer- en minderwerk opdragen.
ARTIKEL 8 - Meer- en minderwerk 1.Meer of minderwerk wordt (… ) schriftelijk of elektronisch overeengekomen. In geval van door de consument opgedragen meerwerk kan de ondernemer alleen aanspraak maken op een verhoging van de prijs indien hij de consument tijdig heeft gewezen op de daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de consument deze prijsverhoging zelf had moeten begrijpen.
(…)
ARTIKEL 14 - In gebreke blijven van de consument1.De consument is in verzuim vanaf het verstrijken van de betalingsdatum. De ondernemer zendt na het verstrijken van die datum een betalingsherinnering en geeft de consument de gelegenheid binnen 14 dagen na ontvangst van deze betalingsherinnering alsnog te betalen.
2.Als na het verstrijken van de termijn van de betalingsherinnering nog steeds niet is betaald, is de ondernemer gerechtigd rente in rekening te brengen (…). Bovendien kan de ondernemer het werk stilleggen, mits hij de consument na het verstrijken van de betalingsherinnering schriftelijk heeft aangemaand om alsnog binnen 7 dagen te betalen en die betaling is uitgebleven. (…)
(…)ARTIKEL 15 – In gebreke blijven van de ondernemer
(…)
2. De consument is bevoegd het werk door derden te doen uitvoeren of voortzetten, als de ondernemer na verloop van 10 werkdagen na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde aanmaning in gebreke blijft.
3. In het in het vorige lid bedoelde geval heeft de consument recht op vergoeding van de uit het in gebreke blijven van de ondernemer voortvloeiende schade en kosten.(…)
(…)
ARTIKEL 16 - Opschorting van de betaling
Indien het werk niet voldoet aan de overeenkomst, dan wel in het geval van niet nakoming, heeft de consument het recht de betaling op te schorten indien aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten is voldaan en het op te schorten bedrag in redelijke verhouding staat tot de geconstateerde tekortkoming. (…)
ARTIKEL 17 - Stillegging van het werk 1. De consument is bevoegd de uitvoering van het werk geheel of gedeeltelijk stil te leggen. 2. Op initiatief van de consument regelen partijen de gevolgen van de stillegging.
3. Als niet anders wordt afgesproken, geldt het volgende: − de kosten van voorzieningen die de ondernemer ten gevolge van de stillegging
- moet treffen worden aan hem vergoed; (…)
4. De in het tweede en derde lid omschreven gevolgen treden niet in als de stillegging het gevolg is van een tekortkoming in de nakoming door de ondernemer.
ARTIKEL 18 - Opzegging De consument is bevoegd de overeenkomst (…) op te zeggen. Tenzij het bepaalde in artikel 17 lid 4 of artikel 15 van toepassing is, heeft de ondernemer recht op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten tot behoud van het werk en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. (…).”
Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben partijen diverse besprekingen met elkaar gevoerd, waarbij [appellant] zich heeft laten bijstaan door een adviseur ( [naam1] ) en een architect. [naam1] is ook nadien steeds betrokken geweest bij de werkzaamheden. Op basis van deze besprekingen is een gedetailleerde open begroting opgesteld waarin de hoeveelheid materialen, de arbeidsuren evenals de prijzen en tarieven zijn vermeld. Ook zijn een aantal stelposten opgenomen. Een door [appellant] voorgestelde constructeur ( [naam2] ) heeft in opdracht van Kimsma constructietekeningen gemaakt.
De in de open begroting opgenomen aanneemsom bedroeg € 230.744,96 (inclusief btw). Partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de aanneemsom in zeven termijnen diende te voldoen, op basis van de stand van het werk.
Kimsma is op 7 februari 2022 gestart met de werkzaamheden. [appellant] wenste de (vakantie)woning uiterlijk voor de zomervakantie te betrekken. In de eerste weken na aanvang van de werkzaamheden heeft Kimsma te maken gekregen met uitval van personeel en stormmeldingen, waardoor zij de werkzaamheden enige tijd heeft moeten onderbreken.
Op 5 april 2022 heeft Kimsma zwamvorming in de woning geconstateerd. Kimsma heeft [appellant] hierover in een e-mail van 6 april 2022 geïnformeerd.
Vanwege de ontstane achterstand op de planning heeft op 2 mei 2022 een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Kimsma heeft daarbij een aangepaste planning overgelegd en heeft toegezegd dat twee extra werknemers op het werk zouden worden ingezet. Kimsma heeft verder aangegeven dat zij inmiddels een aantal werkzaamheden aan het verrichten was, die niet in de begroting zijn opgenomen. Volgens [appellant] waren deze zaken van te voren bekend bij Kimsma. Tot slot is aan de orde gekomen dat de isolatie in het dak door wijziging van de sporen naar een Rc waarde van 3,5 is gegaan en dat Kimsma de mogelijkheden om onder het dakbeschot extra te isoleren zou onderzoeken.
In een e-mail van 17 mei 2022 heeft Kimsma aan [appellant] geschreven dat zij de extra isolatielaag onder de dakvlakken begane grond heeft berekend en heeft zij [appellant] gevraagd of hij akkoord is met de berekende meerprijs. [naam1] heeft daarop op 18 mei 2022 geantwoord dat een dakpakket met isolatie van 240mm dikte is geoffreerd en dat de door Kimsma berekende meerprijs onder die afspraak valt, zodat geen sprake is van meerwerk.
Kimsma heeft [appellant] op 23 mei 2022 een e-mail gestuurd, waarin zij ingaat op de achterstand in de planning. Verder staat in de e-mail van Kimsma:
“Wij hebben aangegeven dat wij meerwerk hebben gemeld als gevolg van de geconstateerde zwamvorming en de constructieve wijzigingen. We hebben een overeenkomst gesloten waar de open begroting onderdeel van uitmaakt. Wat wel en niet in de oorspronkelijke aanneemsom begrepen is, volgt dus uit onze overeenkomst (de open begroting). Het aanpakken van de zwamvorming en de daaraan gerelateerde houtrot staat niet in de open begroting vermeld en betreft dus meerwerk. Ook de gewijzigde constructieve uitgangspunten zijn meerwerk, projectleider [naam3] heeft een uitgebreid overzicht voor u gemaakt inzake het meer- en minderwerk welke ik graag met u wil doornemen / bespreken.”
[appellant] reageert in een e-mail van 23 mei 2022 dat hij geen signaleringslijst of lijst met meer- of minderwerk heeft gehad en dat afgesproken is bij meerwerk vooraf een prijsopgave en schriftelijk akkoord te geven. Hij heeft daarbij aangegeven dat voortgang van de bouw prioriteit heeft. Verder schrijft [appellant] :
“Wat betreft de zwam, in de voorbespreking hebben wij duidelijk aangegeven dat bij regen delen van de wand van de boven etage nat werden. De reactie was “Dat zien wij bij de bouw wel”. Meerwerk kennen wij niet of het zou de extra metalen steunbalk zijn. Tijdens de voorbespreking hebben wij herhaaldelijk ook in aanwezigheid van de constructeur een filmpje van mijn overbuurman laten zien, waarbij er een metalen balk geplaatst werd onder de wand van de bovenverdieping. Wij hebben tijdens onze voorbesprekingen aan al onze informatieverplichtingen voldaan die nodig waren voor een adequate invulling uwerzijds”.
Kimsma heeft daarop op 24 mei 2022 het meer- en minderwerkoverzicht naar [appellant] gestuurd en [appellant] verzocht de meerwerkkosten zo snel mogelijk te bespreken omdat Kimsma inmiddels al met de uitvoering van het meerwerk begonnen is om de oplevering niet verder te laten uitlopen.
Kimsma heeft vervolgens in een e-mail van 25 mei 2022 aangegeven dat partijen geen opleverdatum zijn overeengekomen en dat zij haar werkzaamheden zal moeten staken indien het meerwerk niet wordt besproken. Ook heeft Kimsma aangegeven al druk met het meerwerk in uitvoering te zijn om de oplevering niet verder te laten uitlopen.
[appellant] reageert in een e-mail van 30 mei 2022 waarin hij nogmaals ingaat op de achterlopende planning en betwist dat sprake is van, door hem schriftelijk opgedragen, meerwerk.
Partijen hebben het in e-mails van 31 mei 2022 (onder andere) gehad over de isolatie onder de dakvlakken. Kimsma heeft daarbij gesteld dat het aanbrengen van de isolatie- en installatievoorziening onder het reeds aangelegde dakvlak meer kosten en arbeid met zich brengt en Kimsma een akkoord op dit meerwerk wenst. [naam1] antwoordt daarop dat [appellant] een oplossing wenst voor het geoffreerde 240mm isolatiepakket en er vanuit gaat dat dit volledig voor rekening van Kimsma is.
Op 2 juni 2022 schrijft de advocaat van Kimsma aan [appellant] :
“De discussie over het verrichtte meerwerk wordt zo nodig na afronding van het werk wel verder gevoerd. Gelet op uw houding brengt dit mijn cliënte er wel toe dat alvorens zij (nieuwe) meerwerkopdrachten nog uitvoert, daartoe een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke schriftelijke opdracht van u verlangd wordt. Bij gebreke daarvan zal mijn cliënte dat (nog niet uitgevoerde) meerwerk niet uitvoeren. Alle daarmee gemoeide stagnatiekosten komen voor uw rekening en risico. Thans is mijn cliënte in afwachting van meerwerkopdrachten die aan voornoemde eisen voldoen met betrekking tot de punten 14, 15 t/m 18, 21 t/m 23, 25, 26, 29 en 36 van de signaleringslijst. Indien een onvoorwaardelijke schriftelijke opdracht ontbreekt, zal dus niet tot uitvoering worden overgegaan.”
Kimsma heeft op 2 juni 2022 factuur 202200678 met vervaldatum 23 juni 2022 ter zake van de vierde termijn van de aanneemsom ad € 46.672,20 inclusief btw naar [appellant] verzonden. [appellant] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
Op 13 juni 2022 heeft Kimsma aan [naam1] gemaild dat het isolatie pakket zoals omschreven in de begroting niet haalbaar is om bouwfysische redenen en dat Kimsma met betrekking tot het na-isoleren van de dakvlakken niets doet zonder opdracht van [appellant] . Dat betekent volgens Kimsma dat enkele dagen later het werk niet zal kunnen worden voortgezet, omdat dan de stukadoorswerkzaamheden zouden worden verricht.
Op 20 juni 2022 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. Kimsma heeft tijdens deze bespreking voorgesteld om een onafhankelijke deskundige te benoemen die bindend kan beslissen over de meerwerkposten. [appellant] is hier niet mee akkoord gegaan.
[naam1] heeft op 23 juni 2022 aan Kimsma geschreven dat er na-geïsoleerd zal moeten worden aan de onderkant van de dakvlakken en dat dit onderdeel is van de geoffreerde isolatie van 24 cm glaswol. [naam1] meent dan ook dat Kimsma deze werkzaamheden zonder meerwerk dient uit te voeren.
In een e-mail van 24 juni 2022 schrijft de advocaat van Kimsma aan [appellant] :
“Eerder heb ik u namens mijn cliënte bericht dat indien onvoorwaardelijke meerwerkopdracht ontbreken, die meerwerken niet worden uitgevoerd. Nu die opdrachten nog immer ontbreken, leidt dat ertoe dat cliënte de ‘reguliere’ werkzaamheden ook niet verder kan vervolgen. U belet dat door geen meerwerkopdrachten te verstrekken. Dit betreft in ieder geval de nummers 7, 10, 14, 21, 23, 27 en 33 van de signaleringslijst (bijlage). Mijn cliënte schort per heden haar werkzaamheden dan ook op en zal materiaal en gereedschappen afvoeren.
Daarnaast schort mijn cliënte haar werkzaamheden ook op nu betaling van de vierde termijn ad € 46.672,20 is uitgebleven. Ik sommeer u hierbij alsnog om aan uw betalingsverplichtingen te voldoen.
Cliënte zal tijdelijke voorzieningen treffen in verband met de stillegging van het werk en zal niet eerder het werk weer kunnen hervatten dan nadat voldaan is aan voornoemde betalingsverplichting en onvoorwaardelijke schriftelijke meerwerkopdrachten zijn verkregen voor de hiervoor genoemde nummers (…).”
De advocaat van [appellant] heeft Kimsma in een brief van 27 juni 2022 aansprakelijk gehouden voor alle door [appellant] te lijden (vertragings)schade ten gevolge van de overschrijding van de initiële (en aangepaste) planning en de verdere vertraging als gevolg van het (onbevoegdelijk) stilleggen van de werkzaamheden.
De advocaat van [appellant] heeft Kimsma daarbij gesommeerd uiterlijk 4 juli 2022 de werkzaamheden te hervatten en het werk uiterlijk 22 juli 2022 op te leveren.
De advocaat van Kimsma heeft daarop op 1 juli 2022 aan de advocaat van [appellant] geschreven:
“Doordat uw cliënt geen onvoorwaardelijke meerwerkopdrachten verstrekt, belet hij mijn cliënte in de nakoming van de overeenkomst. Uw cliënte is daarmee in schuldeisersverzuim.
Daarnaast maak ik uit uw bericht op dat uw cliënt ook niet voornemens is tot betaling over te gaan van de openstaande termijn. De route van Covo om uw cliënte alsnog kansen te bieden tot betaling over te gaan voordat de werkzaamheden worden opgeschort, heeft in deze geen toegevoegde waarde.”
De advocaat van [appellant] heeft in een brief van 6 juli 2022 geschreven dat Kimsma de werkzaamheden onbevoegdelijk en op oneigenlijke gronden heeft stilgelegd, Kimsma daarmee tekortschiet in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en als gevolg daarvan in verzuim verkeert. In de brief staat voorts vermeld dat [appellant] daarom de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk en gedeeltelijk – te weten voor het nog niet uitgevoerde gedeelte – ontbindt. [appellant] houdt Kimsma daarbij aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg hiervan lijdt en beroept zich voor zover nodig op verrekening met hetgeen Kimsma nog van hem tegoed zou hebben.
De advocaat van Kimsma heeft op 29 juli 2022 aan de advocaat van [appellant] geschreven dat Kimsma de mededeling van [appellant] dat hij de overeenkomst gedeeltelijk ontbindt, kwalificeert als opzegging van de overeenkomst zodat afgerekend moet worden. In een e-mail van 9 september 2022 begroot de advocaat van Kimsma het vanwege de opzegging nog door [appellant] te betalen bedrag op € 105.798,44 inclusief btw.
[appellant] heeft de woning na de ontbinding van de overeenkomst laten afbouwen door een andere partij dan Kimsma.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen aanneemsom, die is gebaseerd op de open begroting, ‘vast’ is behoudens de verrekening van meer- en minderwerk, stelposten, onvoorziene omstandigheden en wettelijke wijziging in de omzetbelasting. De klacht van [appellant] dat de rechtbank dit niet heeft vastgesteld is in zoverre terecht, maar voor de beslissing niet relevant zodat dit verder geen bespreking behoeft. Uitgangspunt is verder dat partijen het er over eens zijn dat de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg heeft dat Kimsma in beginsel recht heeft op betaling voor de verrichte werkzaamheden en geleverde en verwerkte materialen naar de stand van het werk op de dag van de ontbinding. Kimsma heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van opzegging van de overeenkomst door [appellant] en de afwijzing van haar primaire vordering om dat voor recht te verklaren niet gegriefd. Dit staat dan ook vast, zodat niet hoeft te worden besproken of het werk moet worden afgerekend op basis van de systematiek van artikel 18 Covo2010 of artikel 7:764 BW.
Het hof zal eerst beoordelen of er een grondslag is voor aansprakelijkheid van Kimsma jegens [appellant] als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding (voor de toekomst) van de overeenkomst door [appellant] , en zal daarna eventueel de vorderingen van [appellant] beoordelen tot vergoeding van schade en de contractuele boete wegens te late oplevering. In dat kader komt ook het verweer van Kimsma aan de orde dat zij bevoegd was de uitvoering van de werkzaamheden op te schorten althans het werk stil te leggen en dat sprake is van (schuldeisers)verzuim van [appellant] . Daarna komt het hof toe aan de vorderingen van Kimsma in verband met de afrekening van het werk, voor zover aan de orde als gevolg van daartegen gerichte grieven door [appellant] . Tegen de afwijzing van een deel van de vorderingen door de rechtbank heeft Kimsma geen hoger beroep ingesteld, zodat die afwijzing niet meer beoordeeld hoeft te worden.
Is de ontbindingsverklaring van [appellant] gerechtvaardigd en is Kimsma aansprakelijk voor de schade als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding?
In geschil is of de ontbindingsverklaring van [appellant] op de daarvoor aangevoerde gronden gerechtvaardigd was en of die het rechtsgevolg heeft gehad dat Kimsma aansprakelijk is voor de schade die [appellant] door de ontbinding stelt te hebben geleden. Beide partijen gaan er gezien hun stellingen vanuit dat deze verklaring (toch) tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst heeft geleid, in die zin dat zij daaraan niet langer zijn gebonden, ook als de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was. Het gaat dus alleen om eventuele aansprakelijkheid van Kimsma voor ontbindingsschade van [appellant] .
Voor een gerechtvaardigd beroep op ontbinding is vereist dat sprake is van een tekortkoming van Kimsma, doordat zij in verzuim is geraakt ten aanzien van de niet-nakoming van de verbintenissen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. [appellant] kon echter niet ontbinden wanneer hij bijvoorbeeld eerder dan Kimsma in (schuldeisers)verzuim is geraakt (en dat schuldeisersverzuim op het moment van ontbinding nog niet was geëindigd) of indien Kimsma zich terecht op opschorting heeft kunnen beroepen waardoor Kimsma niet meer in verzuim kon raken. Daarvan kan sprake zijn als nakoming van de verbintenissen door Kimsma niet mogelijk is doordat [appellant] de medewerking daartoe niet verleent, of doordat een beletsel daartoe aan hem is te wijten (art. 6:58 BW), of als [appellant] toerekenbaar tekortschiet bij de nakoming van een verbintenis van hem jegens Kimsma en Kimsma daarom gebruik maakt van zijn opschortingsbevoegdheid (art. 6:59 BW). Op grond van art. 6:266 BW is het voor een schuldeiser niet mogelijk een overeenkomst te ontbinden als hij ten aanzien van de nakoming van zijn verplichtingen zelf in verzuim verkeert.
[appellant] heeft de (toerekenbare) tekortkoming van Kimsma gestoeld op het feit dat Kimsma het werk niet tijdig heeft opgeleverd, dat zij op 24 juni 2022 het werk heeft stilgelegd voordat het was afgerond en dat zij ondanks de schriftelijke sommatie daartoe van 27 juni 2022 het werk niet heeft willen hervatten. Kimsma heeft betwist dat sprake is van een tekortkoming, omdat zij op goede gronden het werk heeft stilgelegd (opgeschort) en heeft geweigerd de werkzaamheden te hervatten. Kimsma heeft ook betwist dat zij door het overschrijden van de bouwtermijn toerekenbaar is tekortgeschoten.
De bouwtermijn
[appellant] heeft gesteld dat Kimsma (toerekenbaar) is tekortgeschoten door het werk niet binnen de overeengekomen bouwtijd van twaalf weken op te leveren. Die termijn is volgens [appellant] opgenomen in verband met zijn wens de woning voor het begin van de zomervakantie te betrekken. Volgens [appellant] is Kimsma van rechtswege in verzuim komen te verkeren, zonder dat daarvoor nog een ingebrekestelling was vereist: de overeengekomen termijn was fataal waardoor het enkele overschrijden daarvan het verzuim deed intreden al voordat Kimsma het werk heeft stilgelegd. Kimsma heeft een en ander gemotiveerd betwist.
Het hof stelt vast dat partijen in het door hen ondertekende contract geen concrete datum voor oplevering hebben vermeld. In het contract is ook geen datum bepaald voor de aanvang van de bouw (die zal in overleg worden bepaald) en evenmin een termijn waarbinnen het werk moet zijn voltooid en opgeleverd. In zoverre biedt de tekst van het contract geen aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] . Ook de in het contract opgenomen regeling van de betaling van de aanneemsom biedt daarvoor onvoldoende houvast. Uit die, op de open begroting gebaseerde, regeling blijkt dat op 28 april 2022 de zesde termijn betaald zou moeten worden, ervan uitgaande dat dan 95% van het werk klaar zou zijn, maar de zevende slottermijn met betrekking tot de resterende 5% van aanneemsom is niet aan een concrete datum gekoppeld. Anders dan door [appellant] is betoogd volgt uit dit betalingsschema dan ook niet dat partijen daarmee niet alleen een regeling hebben getroffen voor de data waarop naar de stand van het werk door Kimsma gefactureerd kon worden, maar ook een fatale termijn zijn overeengekomen voor de bouwtijd. Voor het overige heeft [appellant] onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd dat daarvan sprake is. [appellant] is zelf ook nogal wisselend in zijn standpunt over wanneer de bouwtermijn verstreek: hij heeft niet alleen genoemd dat het werk binnen twaalf weken na aanvang gereed moest zijn, maar ook uiterlijk op 23 mei 2022, of voor de zomervakantie. Niet gesteld of gebleken is dat daarmee steeds hetzelfde is bedoeld. Voor bewijslevering door [appellant] , op wie de bewijslast rust, is vanwege de tekortschietende onderbouwing van zijn stellingen geen grond. Hij heeft overigens geen op zijn stelling dat sprake is van een fatale termijn toegespitst, voldoende concreet bewijsaanbod gedaan.
Van een tekortkoming van Kimsma in de nakoming van de overeenkomst wegens overschrijding van de bouwtermijn is dus onvoldoende gebleken. Daarop kon [appellant] de ontbinding van de overeenkomst dan ook niet baseren en aan Kimsma tegenwerpen dat die door termijnoverschrijding, eerder dan hijzelf, in verzuim is geraakt.
Het stilleggen en het niet afmaken en opleveren van het werk
[appellant] heeft als andere feitelijke grondslag voor de ontbinding gesteld dat Kimsma het werk heeft stilgelegd en ondanks een sommatie daartoe niet heeft hervat en opgeleverd.
Kimsma heeft als verweer aangevoerd dat zij het werk mocht stilleggen en verdere uitvoering van de overeenkomst mocht opschorten omdat [appellant] op 23 juni 2022 in verzuim is geraakt vanwege het niet betalen van de vierde termijn van de aanneemsom. Die termijn is met de factuur van 2 juni 2022 in rekening gebracht, toen – althans volgens Kimsma - 70% van het werk gereed was. Dat verweer faalt. Artikel 14 Covo2010 bepaalt weliswaar dat de consument ( [appellant] ) vanaf het verstrijken vanaf de betalingsdatum in verzuim is, maar uit wat verder in dit artikel is geregeld blijkt dat de ondernemer (Kimsma) eerst een betalingsherinnering, met een betalingstermijn van 14 dagen, en daarna, indien betaling nog steeds is uitgebleven, nog een termijn van 7 dagen moet geven om te betalen, alvorens het werk mag worden stilgelegd. Daarmee is een eventueel bestaande opschortingsbevoegdheid contractueel beperkt, althans aan voorwaarden verbonden. Het staat vast dat Kimsma dit stappenplan van artikel 14 Covo2010 niet heeft gevolgd: zij heeft een dag na het verstrijken van de betalingstermijn op de factuur het werk stilgelegd. In de e-mail van 24 juni 2024 heeft de advocaat van Kimsma weliswaar een sommatie tot betaling gedaan, maar ook daarin is geen termijn gegeven waarbinnen dat moest gebeuren overeenkomstig het stappenplan van artikel 14 Covo2010. Kimsma had dus niet de bevoegdheid om het werk vanwege het niet betalen van de termijnfactuur stil te leggen. Zij mocht er vanwege de discussie met [appellant] over meerwerk ook niet vanuit gaan dat het sturen van betalingsherinneringen conform het stappenplan bij voorbaat zinloos zou zijn. Uit die discussie volgt niet zonder meer dat [appellant] deze factuur voor reguliere werkzaamheden, niet zijnde meerwerk, niet zou willen betalen. Het hof ziet in het daartoe door Kimsma gestelde geen grond voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Kimsma wordt gehouden aan artikel 14 Covo2010.
Kimsma heeft verder aangevoerd dat zij het werk mocht stilleggen en niet hoefde te hervatten in verband met de discussie die met [appellant] ontstond over onvoorziene omstandigheden en meerwerk. Die discussie gaat vooral over de door Kimsma aangetroffen zwam in de gevels op de eerste verdieping, haar constatering dat de muren van de bovenbouw op het buitenmetselwerk steunden waardoor de constructie moest worden aangepast en het aanbrengen van een installatielaag onder het dak. Dat waren volgens Kimsma onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 7 Covo2010 althans meerwerk, waarvan de financiële gevolgen voor rekening van [appellant] dienen te komen.
Partijen zijn het erover eens dat het aantreffen van zwam op de eerste verdieping heeft geleid tot werkzaamheden die niet in de begroting zijn beprijsd en dat het noodzakelijk was die zwam te verwijderen. Dat deze noodzakelijke extra werkzaamheden (verwijderen zwam en vervanging kozijnen) € 4.328,94 hebben gekost is door [appellant] niet gemotiveerd betwist.
Het debat dat partijen hebben gevoerd is gericht op de vraag of [appellant] voor deze werkzaamheden een meerwerk opdracht had moeten geven of niet, maar in wezen gaat het om de vraag wie van partijen de kosten van deze extra werkzaamheden moet dragen. Het hof verwerpt het verweer van [appellant] dat erop neer komt dat Kimsma deze kosten voor haar rekening moet nemen. Zijn stelling dat Kimsma had kunnen weten dat sprake was van zwam omdat hij in de fase voor het sluiten van de overeenkomst heeft gezegd dat de wanden na regen nat waren is daarvoor onvoldoende. Er moet vanuit worden gegaan dat de zwam pas tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aan het licht is gekomen; dat dit anders was is gesteld noch gebleken. Zonder bijkomende omstandigheden rechtvaardigt die mededeling dan ook niet de conclusie dat geen sprake is van een onvoorziene omstandigheid, en dat de kosten van de extra werkzaamheden voor rekening van Kimsma moeten blijven zonder dat daarvoor door [appellant] betaald moet worden.
Kimsma heeft het overleg met [appellant] gezocht over betaling van de kosten, in de vorm van een meerwerkopdracht. [appellant] is echter op geen van de voorstellen van Kimsma ingegaan en verder overleg hierover uit de weg gegaan en heeft steeds vastgehouden aan zijn mening dat hij voor dit extra werk niet hoefde te betalen. Kimsma mocht daaruit redelijkerwijs afleiden dat [appellant] die kosten niet zou willen betalen, ook als het meerwerk pas bij de oplevering in rekening zou worden gebracht. Dat gaf Kimsma de bevoegdheid het werk stil te leggen en verdere werkzaamheden op te schorten.
Het staat niet ter discussie dat het aanpassen van de constructie, door verstevigingen met extra staal aan te brengen, noodzakelijk was om de overeenkomst deugdelijk uit te voeren. Dat de bovenverdieping op de buitenmuren steunde is volgens beide partijen onwenselijk, zo niet gevaarlijk. [appellant] is van mening dat de kosten die met de aanpassing gemoeid zijn ( € 8.599,78) voor rekening van Kimsma moeten blijven en niet door hem vergoed hoeven worden. Volgens hem mocht hij ervan uitgaan dat deze kosten in de open begroting en dus in de aanneemsom waren begrepen. Dat is feitelijk niet het geval, zodat het hof dat standpunt verwerpt. Iets anders is of Kimsma van de problemen met de constructie op de hoogte kon zijn (niet onvoorzien zijn), omdat [appellant] hem voor de aard van de constructie heeft gewaarschuwd, zodat Kimsma om die reden de kosten van de extra voorzieningen voor eigen rekening moet nemen. [appellant] verwijst daarvoor naar bouwtekeningen en een video.
Uit het fotofragment van de video waarop een deel van de constructie van de woning van een buurman van [appellant] is te zien, volgt naar het oordeel van het hof niet zonder meer dat de constructie van de woning van [appellant] dezelfde aanpassingen nodig had. Daarbij is van belang dat de constructie pas na destructief onderzoek (sloop) zichtbaar was. Verder is niet gesteld of gebleken is dat de buitenmuren zichtbare schade hadden bij aanvang van het werk die zou kunnen wijzen op een probleem met de constructie. Op de oorspronkelijke bouwtekening is te zien dat de bovenverdieping recht uitloopt op de buitenmuren, maar door [appellant] is niet betwist dat het ontbreken van een voorziening om de krachten van de bovenverdieping op te vangen (door een door Kimsma genoemde ‘schoen’ of iets anders) zeer ongebruikelijk is. De tekening als zodanig laat ruimte voor het gegeven, althans sluit dat niet uit, dat tijdens de bouw een voorziening is aangebracht. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een (voorziene) omstandigheid waarmee op voorhand bij het opstellen van de begroting rekening is of moest worden gehouden. Die omstandigheid noopte wel tot aanpassing van het werk en daarvan geldt dat de kosten voor rekening van [appellant] komen.
Ook voor de aanpassing van de constructie geldt dat [appellant] steeds heeft aangegeven de aanpassingskosten niet te zullen betalen en geen meerwerk opdracht heeft willen geven. Kimsma hoefde daarmee, net zoals voor de kwestie van de aangetroffen zwam, redelijkerwijs geen genoegen te nemen.
Het voorgaande brengt mee dat Kimsma gelet op de weigerachtige houding van [appellant] ten aanzien van deze twee kwesties de werkzaamheden heeft mogen stilleggen en verdere uitvoering van de aannemingsovereenkomst heeft mogen opschorten. Het hof acht in dit verband, anders dan [appellant] , de met de aanpassingen gemoeide bedragen niet zodanig gering dat Kimsma om die reden het werk had moeten afmaken en niet had mogen opschorten. De redelijkheid en billijkheid die partijen over en weer jegens elkaar in acht diende te nemen stond evenmin aan het uitoefenen van deze bevoegdheid in de weg. Toen [appellant] de overeenkomst ontbond was dat nog niet veranderd, zodat Kimsma op dat moment niet in verzuim was en [appellant] geen grond had om tot ontbinding over te gaan.
De ontbinding van de overeenkomst was niet gerechtvaardigd, zodat er geen grondslag is om Kimsma aansprakelijk te achten voor de schade die [appellant] stelt als gevolg van de ontbinding te hebben geleden. Doordat [appellant] ten onrechte de ontbinding heeft ingeroepen is hijzelf van rechtswege in verzuim geraakt. De rechtbank heeft dan ook terecht de vordering tot ontbinding van de overeenkomst toegewezen.
De discussie over de aanpassing van een installatielaag als gevolg van het aanbrengen van sporen van een ander formaat (waarvan de door Kimsma gevorderde meerkosten overigens zijn afgewezen), leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. Ook indien [appellant] gelijk heeft met zijn stelling dat geen sprake is van meerwerk omdat Kimsma eigener beweging een andere maat heeft toegepast en daarmee niet aan de overeenkomst kon voldoen. [appellant] heeft niet gesteld dat Kimsma daardoor in verzuim is geraakt en dat dit aan haar opschortingsbevoegdheid in de weg is komen te staan.
De vorderingen van [appellant]
Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [appellant] (verklaringen voor recht, schadevergoeding en boete wegens termijnoverschrijding) terecht zijn afgewezen door de rechtbank. Dat blijft zo.
De afrekening van het werk
Voor de bepaling en berekening van het bedrag dat [appellant] aan Kimsma is verschuldigd als tegenprestatie voor de uitvoering van de overeenkomst gelden de volgende uitgangspunten. Op Kimsma rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij aan haar vordering tot betaling van het verrichte werk ten grondslag heeft gelegd, althans het hof past de gewone regels van bewijslastverdeling toe voor het bepalen van de grondslag en de omvang van de vergoeding.
Niet in geschil is dat voor de eindafrekening moet worden uitgegaan van de tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden en verwerkte materialen, inclusief meerwerk (voorzover dat met instemming van [appellant] is verricht). Anders dan [appellant] gaat het hof niet uit van een berekening die uitgaat van “verschuldigdheid bij 100% gereedheid”. Die benadering verdraagt zich, zonder nadere toelichting, niet met het uitgangspunt dat moet worden afgerekend op basis van de stand van het werk op het moment van ontbinding van de overeenkomst.
[appellant] heeft gesteld dat de vergoeding moet worden beperkt tot de waarde die de prestatie in de gegeven omstandigheden daadwerkelijk voor hem heeft gehad, zodat rekening moet worden gehouden met gevolgen van ondeugdelijk verricht werk. Dat uitgangspunt is als zodanig door Kimsma niet bestreden. Het hof zal dat aspect bij de beoordeling betrekken; daarvoor geldt dat de bewijslast dat sprake is van ondeugdelijk werk op [appellant] rust.
De rechtbank heeft in de berekening een onderscheid gemaakt tussen de uitgevoerde reguliere werkzaamheden en meerwerk. Het hof zal dat ook doen en aldus de tegen de oordelen van de rechtbank gerichte grieven beoordelen.
Afrekening regulier werk
De rechtbank heeft in 5.30 van het eindvonnis de werkzaamheden benoemd waarvan partijen het volgens de rechtbank eens zijn dat Kimsma die heeft uitgevoerd. Volgens [appellant] is die opstelling onjuist voor zover het gaat om de posten 24.02, 24.06, 24.14 en KV. Die posten worden hierna beoordeeld, met tussen haakjes het bedrag (exclusief btw) dat door Kimsma daarvoor in rekening is gebracht.
hsb-gevels (€ 2.546,32).
Volgens Kimsma waren de gevels uitgevoerd tot een percentage van 32%. Dat percentage is toegepast op het in de open begroting voor gevels begrote bedrag. [appellant] heeft dit percentage betwist en aangevoerd dat het hooguit 20% kan zijn. Dat verweer is onvoldoende gemotiveerd om te worden gehonoreerd. Kimsma heeft in de afrekening, die als productie 39 is overgelegd, de werkzaamheden wat betreft de aangebrachte materialen gespecificeerd. [appellant] kon gelet daarop niet volstaan met zijn stelling over het percentage, zonder in te gaan op deze specificatie.
gevelbekleding verdieping (€1.664,54).
Volgens [appellant] heeft Kimsma twee maal een bedrag voor deze gevelbekleding in rekening gebracht, namelijk ook een bedrag van € 7.508,- in meerwerkpost 24. Die meerwerkpost heeft betrekking op de vervanging van de oorspronkelijke bekleding door Keralith. Toewijzing van deze post zou leiden tot dubbele betaling, aldus [appellant] . Kimsma heeft in zijn memorie van antwoord niet op deze stelling gereageerd. Wel heeft zij verwezen naar productie 2, zonder verdere toelichting. Uit wat in deze productie achter het betreffende nummer staat leidt het hof af dat inderdaad sprake is geweest van gevelbekleding van een ander materiaal, maar dat toch geen sprake is een dubbeltelling omdat nog steeds de oorspronkelijke (trespa) hoeken zijn berekend. Dat mist echter een onderbouwing, zodat deze post alsnog moet worden afgewezen.
hellend dak veranda dakbedekking (€ 1.342,55)
Kimsma heeft voor dit deel van het werk 43% van het begrote bedrag in rekening gebracht, volgens [appellant] moet dat hooguit 30 % zijn. Hij heeft daarbij gewezen op een foto (productie 2c bij memorie van grieven), waarop is te zien dat de bekleding niet is aangebracht. Kimsma heeft daarop in de eerder genoemde productie aangegeven dat enkel de hangers en montagelatten in rekening zijn gebracht. Op de foto zijn de latten te zien. Dat brengt het hof ertoe van de juistheid van de stelling van Kimsma uit te gaan en het verweer van [appellant] tegen deze post te verwerpen.
KV (€ 6.440, € 648,35, € 701,27)
Volgens de eindafrekening (productie 39) staat ‘KV’ voor [naam4] Installaties, kennelijk een door Kimsma ingeschakelde onderaannemer voor het electrawerk. Volgens [appellant] kan hij door een gebrek aan specificatie niet controleren of Kimsma/ [naam4] de in rekening gebrachte werkzaamheden heeft verricht, waarbij hij erop wijst dat volgens foto’s (productie 2f bij memorie van grieven) het electrawerk nog niet gereed was. Kimsma bevestigt dat laatste, en stelt dat daarom een percentage van het begrote bedrag in rekening is gebracht, te weten circa 65%. [appellant] is hierop niet nader ingegaan, zodat het hof uitgaat van de juistheid van de stelling van Kimsma, en het bedrag dat verschuldigd is schat op het in rekening gebrachte bedrag.
Overige werkzaamheden
De rechtbank heeft in 5.31 en 5.32 van het eindvonnis over een aantal door Kimsma in de afrekening genoemde posten, die overeenstemmen met de bedragen in de begroting, geoordeeld dat die tegen een percentage van 77% vergoed moeten worden (€ 34.142,06 exclusief btw), waarbij – in hoger beroep onbestreden - is geoordeeld dat het de rechter vrij staat de vermindering van de prestaties te schatten. Dat percentage is overeenkomstig de stellingen van Kimsma. [appellant] heeft hier bezwaar tegen: volgens hem is het percentage hooguit 60,78% (in geld: € 26.949,85 exclusief btw).
Kimsma heeft op het moment dat het werk is stilgelegd geen opname van het werk laten verrichten door een onafhankelijke partij, zodat geen sprake is van een rapport waarbij aan de hand van de posten in de begroting is vastgesteld hoeveel van die posten was verricht en dus niet meer hoefde te worden uitgevoerd. Er is alleen een eigen opstelling van Kimsma, die door [appellant] is betwist. Daar staat tegenover dat [appellant] op het moment dat de overeenkomst is ontbonden ook niet een dergelijk rapport heeft laten maken. Inmiddels is het werk door een andere aannemer afgemaakt, maar wat er door die partij na de ontbinding precies is uitgevoerd in vergelijking met het werk van Kimsma, is niet nader onderbouwd. Het financiële overzicht van [appellant] met facturen en kassabonnen is daarvoor niet toereikend. In deze omstandigheden ziet het hof geen grond voor een nadere instructie, bijvoorbeeld door een deskundigenbericht. Kimsma heeft geen bewijsaanbod gedaan dat betrekking heeft op de mate waarin het werk was gevorderd. Dat betekent dat het hof een schatting zal maken.
Kimsma heeft in de memorie van antwoord het gereedheidspercentage iets naar beneden bijgesteld, tot 76,24%. Dat op zich betekent al dat het toegewezen bedrag ook iets lager moet worden. Het hof gaat nog iets verder: de 4e termijn van de aanneemsom is op 2 juni 2022 in rekening gebracht, toen volgens Kimsma 70% van het werk gereed was. De stelling dat zij in de weken daarna – tot 24 juni 2022, toen zij met het werk is gestopt – nog bijna 10% meer heeft verricht (of 6,74, of 7%) is niet voldoende onderbouwd. Anderzijds heeft [appellant] niet voldoende gemotiveerd betwist dat op 2 juni 2022 het werk voor 70 % gereed was. Het hof zal daarom het gereedheidspercentage stellen op 70%, omdat dit percentage volgens het hof de werkelijkheid het dichtst benadert.
Dat betekent dat het door de rechtbank in 5.32 genoemde bedrag niet € 34.142,06 exclusief btw is (44.340,35 x 0,77) maar € 31.038,25 exclusief btw, een verschil van € 3.103,81.
Correctie in verband met ondeugdelijk werk?
[appellant] meent dat er een correctie op het aan hem in rekening te brengen bedrag moet plaatsvinden in verband met het niet deugdelijk uitvoeren van werkzaamheden. Dat betreft post 20.02, 24.22 en 24.23 van de eindafrekening.
Fundering
Kimsma heeft voor de fundering een bedrag van € 7.114,93 (exclusief btw) in rekening gebracht, terwijl dit volgens [appellant] € 6.047,89 moet zijn omdat de fundering anders is uitgevoerd dan op de tekening is aangeven (10 centimeter korter aan de zuidkant). Kimsma heeft de aanpassing erkend, maar aangevoerd dat dit niet tot meer- of minderwerk heeft geleid. Nu [appellant] dit verder niet heeft uitgewerkt, gaat het hof aan zijn berekening voorbij.
en 24.23 draaideur wijzigen en verplaatsen deur
Volgens [appellant] is de deur niet geplaatst en sloot de badkamerdeur niet goed, zodat de door Kimsma opgevoerde bedragen ( 2x € 257,58) niet volledig verschuldigd zijn. Tegen de gemotiveerde betwisting van Kimsma dat sprake is van ondeugdelijk werk heeft [appellant] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, zodat het hof die verwerpt en geen correctie toepast.
Het hof neemt verder over wat de rechtbank over deze posten heeft geoordeeld in 5.34 tot en met 5.37 van het eindvonnis.
Afrekening meerwerk?
De bezwaren van [appellant] dat de rechtbank de kosten voor de aanpassingen in het werk in verband met zwam en de constructie voor zijn rekening heeft laten komen zijn niet terecht. Uit wat hiervoor in het kader van de opschorting/ontbinding is geoordeeld volgt dat die kosten wel voor zijn rekening komen.
[appellant] heeft tegen de meerwerkpost 17 – gootaanpassing in verband met Rockpanel – aangevoerd dat door de aanpassing een gootbodem en spots niet zijn aangebracht zodat op post 24.06 van Kimsma een bedrag van € 700,- in mindering moet worden gebracht, naar het hof aanneemt exclusief btw (omdat partijen steeds daarvan uitgaan). Dat is door Kimsma niet gemotiveerd bestreden, zodat het hof van de juistheid van de stelling van [appellant] uitgaat. Voor het overige neemt het hof het goed gemotiveerde oordeel van de rechtbank over bij gebrek aan een nadere toelichting waarom dat onjuist is.
Tussenconclusie
Het door de rechtbank aan Kimsma toegewezen bedrag aan hoofdsom van € 81.224,53 inclusief btw moet worden verlaagd met € 1.664,54, € 3.103,81 en 700,- exclusief btw ( zie hiervoor 4.24, 4.28 en 4.32). Dat is in totaal € € 6.616,70 inclusief btw, zodat de toe te wijzen hoofdsom € 74.607,83 inclusief btw is, te vermeerderen met de als zodanig niet bestreden wettelijke rente vanaf 4 januari 2023.
Buitengerechtelijke incassokosten.
[appellant] heeft gegriefd tegen de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. Het hof stelt die kosten, getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vast op € 1.521,07 in plaats van € 1.587,25. Dat is € 66,18 minder.
Slotsom
[appellant] is ten onrechte veroordeeld om € 82.811,78 aan Kimsma te betalen. Dat moet zijn € 74.607, 83 + € 1.521,07 = € 76.128,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2023. Het hof zal daarom 6.3 van het eindvonnis van de rechtbank vernietigen en een nieuwe veroordeling uitspreken. Voor het overige zal dat vonnis worden bekrachtigd. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van wat hij ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald aan Kimsma is toewijsbaar voor zover het gaat om het teveel betaalde, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling.
Het hoger beroep slaagt voor een klein deel. [appellant] is nog steeds de overwegend in het ongelijk te stellen partij, zodat het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep zal veroordelen (tariefgroep IV per 1 februari 2026, op basis van het toe te wijzen bedrag). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Voor een andere proceskostenveroordeling in de procedure bij de rechtbank is geen grond.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 20 maart 2024, behalve de beslissing in 6.3 die hierbij wordt vernietigd en beslist opnieuw:
veroordeelt [appellant] om terzake van uitgevoerde werkzaamheden en meerwerk en buitengerechtelijke kosten aan Kimsma € 76.128,90 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 4 januari 2023 tot de dag van volledige betaling.
veroordeelt Kimsma tot terugbetaling aan [appellant] van wat [appellant] op grond van het vonnis van 20 maart 2024 teveel aan Kimsma heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Kimsma in hoger beroep:
€ 6.561 aan griffierecht
€ 4.704 aan salaris van de advocaat van Kimsma (2 procespunten x tarief IV)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, C.P. Lunter en H.M. Fahner, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.