ECLI:NL:GHARL:2026:3089

ECLI:NL:GHARL:2026:3089

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 200.348.600/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

x

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.348.600/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9616315

arrest van 12 mei 2026

in de zaak van

[appellant] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. A. Visser

en

Zee van Tijd Holwerd B.V. (Zee van Tijd)

die is gevestigd in Holwerd

advocaat: mr. R.D. Woltinge

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het verloop van het geding na het arrest van 28 januari 2025 blijkt uit:

- de memorie van antwoord en memorie van grieven in incidenteel appel;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Daarna heeft op 19 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak

[appellant] is met Zee van Tijd overeengekomen troffelvloeren te zullen leggen in het hotel van Zee van Tijd, waaronder in doucheruimten. Zee van Tijd vindt dat het werk in (enkel) de doucheruimten niet goed is verricht. Zij vordert schade in verband daarmee. [appellant] wenst betaling van zijn factuur. Het geschil ziet in de kern op de vraag of [appellant] ten aanzien van de troffelvloeren ondeugdelijk werk heeft geleverd en daarom tegenover Zee van Tijd schadeplichtig is.

Het geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.

[appellant] heeft zich onder de naam [woonplaats1] beziggehouden met de afwerking van vloeren en wanden. Zee van Tijd exploiteert een hotel-restaurant in Holwerd.

Op 29 april 2021 heeft Zee van Tijd een aannemingsovereenkomst gesloten met

[appellant] , inhoudende het aanleggen van troffelvloeren in een zevental badkamers en in de

saunaruimte van haar toentertijd nog te openen hotel.

In de offerte van [appellant] van 29 april 2021 staat onder meer:

“Voor evt uitvoering had ik de volgende data in gedachten. Vrijdagavond, Zaterdag 15 mei en zondag 16 Mei.

De afwerkvloer word dan op woensdag 19 mei, donderdag 20 mei, vrijdag 21 mei en zaterdag 22 mei gelegd en afgewerkt.

Vanaf 25 mei mag je de vloer weer gebruiken.”

[appellant] heeft zijn werkzaamheden op 22 mei 2021

voltooid. [appellant] heeft vervolgens aan Zee van Tijd deze werkzaamheden gefactureerd ter

grootte van een bedrag van € 12.281,50.

Op 25 mei 2021 heeft Zee van Tijd een WhatsAppbericht aan [appellant] gestuurd

waarin zij schrijft:

“De vloeren zien er prachtig uit (…). Ik zal de factuur van de week overmaken. Tot wellicht een andere keer. Groetjes van ons”

Na klachten nadien over het afschot in het natte gedeelte van de badkamers heeft

[appellant] in een e-mail van 26 juni 2021 geschreven:

“Afgesproken planning naar aanleiding van ons gesprek op donderdag 24 juni jl.:

Woensdagmiddag/avond 30 juni start met het eruit halen van de vloeren

Vrijdagmiddag/avond 2 juli verder met uit halen van de vloeren en primer aanbrengen

Zaterdag 3 juli leggen van de troffelvloeren incl. de plinten.

Zondag 4 juli 1ste seallaag aanbrengen

Maandag 5 juli 2de seallaag aanbrengen

Dinsdag 6 juli matte laklaag aanbrengen

Vrijdag 9 juli samen de oplevering doen van de vloeren, (tijd ntb)"

Naar aanleiding van een vraag van Zee van Tijd, in een e-mail van 29 juni 2021, of er ten tijde van de oplevering op 9 juli 2021 ook water op de vloeren kan, schrijft [appellant] in een e-mail van diezelfde dag: “Vrijdag 9 juli kan er water op de vloeren”.

[appellant] heeft deze herstelwerkzaamheden uitgevoerd en afgerond op 9 juli 2021.

Zee van Tijd heeft haar hotel op 16 juli 2021 geopend en de vloeren in gebruik genomen.

Naar aanleiding van een betalingsverzoek van [appellant] liet Zee van Tijd op 2

augustus 2021 weten dat de vloeren “wederom dramatisch zijn”.

Op 25 augustus 2021 heeft [appellant] Zee van Tijd in gebreke gesteld wegens het

uitblijven van betaling.

In een e-mail van 17 september 2021 heeft de gemachtigde van Zee van Tijd aan [appellant] geschreven:

"De vloeren voldoen in ieder geval op grond van de volgende punten niet aan de

aannemingsovereenkomst/eisen van goed en deugdelijke werk:

• De vloeren liggen veel te hoog:

• De vloeren liggen niet waterpas;

• Er blijft op veel plekken veel water liggen;

• Doordat sommige vloeren er niet meer in zijn geheel uit konden, moesten (als

tijdelijke oplossing voor het feit dat de vloeren niet goed gelegd waren) dorpels

geplaatst worden om enigszins afschot te kunnen creëren richting de

afvoerputten. Deze zijn door uw cliënt besteld en dienen voor zijn kosten te

komen. Echter heeft hij de factuur op naam van cliënte laten zetten;

• De nieuwe dorpels zijn niet goed gelegd. Er was teveel ruimte, die (slordig) is

opgevuld met een hoeveelheid aan kit;

• Cliënte heeft een aantal afvoerputten moeten (laten) voorzien van een

verhoogde RVS rand, omdat de vloeren veel te hoog gelegd zijn;

• Na ingebruikneming is gebleken dat de holplinten niet goed zijn aangebracht,

waardoor de vloeren niet waterdicht aansluiten op de wanden en sanitaire

wanden beginnen los te raken;”

Zee van Tijd heeft door ing. [naam1] van onderzoeksbureau SGS INTRON een onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van het werk van [appellant] ,. [naam1] scheef als eindconclusie in zijn rapport van 29 oktober 2021 het volgende.

“Meerdere waarnemingen wijzen op een niet-vakbekwame uitvoering tijdens het aanbrengen van de vloerafwerkingen in de sanitaire ruimtes. In dit verband worden vooral het plaatselijk onvoldoende afschot (plassen water blijven staan), het plaatselijk niet verdichte/gesealde oppervlak van de troffelvloer en de zich daarin aftekenende kleurverschillen vermeld. Ook de keuze om bij enkele ruimtes, juist aan de zijde van de doucheruimte, bij de aansluiting tussen

dorpel en de troffelvloer een voeg aan te brengen en het gegeven dat al kort na ingebruikname gevolgschade aan de onderzijde van de gestucte wanden is ontstaan kunnen hierbij worden aangehaald. Daarnaast lijken de hoogte-dikteverschillen tussen de nieuw aangebrachte vloeren te wijzen op een onzorgvuldige maatvoering. Maar tegelijkertijd zijn hierbij enkele relevante vragen onbeantwoord gebleven:

• Waarom breng de aannemer een grotere dikte aan, terwijl dit direct een groter materiaalverbruik en daarmee hogere kosten impliceert?

• Hoe is het verhogen van een put tot 105 mm te verklaren, terwijl de vloerdikte ter plaatse circa 40 mm is?

Door het ontbreken van duidelijke antwoorden op deze vragen kan SGS INTRON over de hoogte-/dikteverschillen geen objectief waardeoordeel geven.

Het plaatselijk herstel van de onvolkomenheden in de laag troffelmortel is niet mogelijk. Alleen mogelijk door het aanbrengen van een nieuwe troffelvloer kunnen de onvolkomenheden in het afschot en de kleurverschillen in het uiterlijk van de vloeren worden gecorrigeerd.”

[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat Zee van Tijd wordt veroordeeld tot betaling van € 12.281,50, vermeerderd met rente en kosten. Zee van Tijd heeft verweer gevoerd en van haar kant gevorderd voor recht te verklaren dat haar overeenkomst met [appellant] is ontbonden, dan wel die te ontbinden. Daarnaast heeft Zee van Tijd schadevergoeding van [appellant] gevorderd, die zij deels begroot op € 162.140, en ten aanzien waarvan zij voor het overige een verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade van Zee van Tijd als gevolg van zijn toerekenbare tekortkoming. Die schade heeft de kantonrechter begroot op € 21.500 inclusief btw. Verrekend met het in conventie gevorderde factuurbedrag is de toe te wijzen schade € 9.218,50. Voor wat betreft de toekomstige schadepost dat het hotel van Zee van Tijd, althans delen daarvan, gesloten moet worden gedurende de periode van de nog uit te voeren herstelwerkzaamheden, heeft de kantonrechter geoordeeld dat de zaak naar de schadestaatprocedure moet worden verwezen (rov. 2.27). Overige schadeposten heeft de kantonrechter afgewezen.

De vordering ter zake van de ontbinding wees de kantonrechter echter af, omdat Zee van Tijd niet heeft onderbouwd dat zij de overeenkomst al heeft ontbonden, en omdat Zee van Tijd vervangende schadevergoeding vordert waardoor een beroep op ontbinding volgens de kantonrechter uitgesloten is.

Ten aanzien van de vordering van [appellant] in conventie heeft de kantonrechter overwogen dat die weliswaar toewijsbaar zou zijn, maar dat Zee van Tijd die vordering heeft verrekend met haar schadevergoedingsvordering. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] dan ook afgewezen.

Het hof zal, evenals de kantonrechter, tot het oordeel komen dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst met Zee van Tijd, zij het deels op andere gronden. Daarnaast zal het hof de schadevergoedingsvordering van Zee van Tijd in dezelfde zin toewijsbaar oordelen als de kantonrechter (maar dan wel met rente daarover). Het hof licht dat hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

Er heeft geen aanvaarding van het werk plaatsgevonden

[appellant] komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen oplevering heeft plaatsgehad. Evenals de kantonrechter komt het hof tot het oordeel dat Zee van Tijd het werk niet heeft aanvaard en dat er geen oplevering in de zin van artikel 7:758 BW heeft plaatsgevonden. Dat legt het hof hierna uit.

[appellant] heeft op 23 mei 2021 in de avond aan Zee van Tijd een appbericht gestuurd met de mededeling dat die dag de laatste laag is aangebracht, en gevraagd of hij de volgende dag de vloeren kan opleveren. Zee van Tijd reageert daarop met de mededeling dat men een paar dagen weg is en dinsdag (dat zou 25 mei zijn) weer terug is. Die dinsdag 25 mei 2021 stuurt Zee van Tijd in de avond onder meer dat de vloeren er prachtig uitzien en de factuur later zal worden overgemaakt (zie rov. 2.6 van dit arrest). Op 25 mei 2021 heeft [appellant] ook zijn factuur aan Zee van Tijd gemaild. Daaraan voegt hij de mededeling toe “als er iets is met de vloer, graag gelijk bellen”. De afvloeiing van de vloeren is op dat moment nog niet gecontroleerd, zoals ook [appellant] in ieder geval op 27 mei 2021 duidelijk is, wanneer hij per appbericht van Zee van Tijd de vraag krijgt of er eigenlijk al water op de vloeren mag. [appellant] heeft zich dan bewust moeten zijn van de omstandigheid dat zijn opdrachtgever Zee van Tijd tot dan toe alleen iets van het uiterlijk van de vloeren heeft kunnen vinden, maar niet van de waterafvloeiingseigenschappen daarvan, gelet op zijn antwoord op het appje van 27 mei 2021, op diezelfde dag: “morgen mag je er water op doen”. Zee van Tijd appt [appellant] op 1 juni 2021 vervolgens: “Hoi Ruben, ik vind het heel vervelend om te zeggen maar geen enkele sanitair vloer loopt waterpas & geen enkele vloer loopt vervolgens naar de put (waar afschot gecreëerd zou worden). Water loopt naar de wanden en blijft daar liggen door verlaging of richting het slaapvertrek of droge gedeelte badkamer. Afwerking holplinten is ook niet mooi. (…) Hoor graag hoe dit opgelost gaat worden.” Tussen partijen is vervolgens afgesproken dat [appellant] op 11, 12 en 13 juni 2021 werkzaamheden aan de vloeren gaat verrichten, bestaande uit onder meer uit het afschuren van een laag. Bij het bevestigen van die afspraak meldt Zee van Tijd aan [appellant] : “Wij zullen dan wanneer het kan (maw dat er water op mag) testen of de vloeren er goed in liggen & hun werk doen zoals ze moeten doen, de factuur 20210525 met een bedrag van € 12.281,50 direct aan jou overmaken.” [appellant] voegt daaraan op 1 juni 2021 toe dat er op 16 juni 2021 water op de vloeren kan, zodat getest kan worden. Deze afspraken zijn vervolgens nader aangepast. Op 24 juni 2021 heeft er een gesprek tussen partijen plaatsgevonden, waarover het volgende is geschreven in een e-mail van [appellant] aan Zee van Tijd van 26 juni 2021:

“Naar aanleiding van ons gesprek op 24-6-2021 te Holwerd, stuur ik jullie even een mail over de gemaakte afspraken die met wederzijdse goedkeuring gerepareerd gaan worden. (…). Afgesproken planning naar aanleiding van ons gesprek op donderdag 24 juni jl.:

Woensdagmiddag/avond 30 juni start met het eruit halen van de vloeren

Vrijdagmiddag/avond 2 juli verder met uit halen van de vloeren en primer aanbrengen

Zaterdag 3 juli leggen van de troffelvloeren incl. de plinten.

Zondag 4 juli 1ste seallaag aanbrengen

Maandag 5 juli 2de seallaag aanbrengen

Dinsdag 6 juli matte laklaag aanbrengen

Vrijdag 9 juli samen de oplevering doen van de vloeren, (tijd ntb)

Als alles naar wens is dan gelieve binnen 2 dagen de factuur betalen.

Graag hoor ik van jullie, voor dinsdagmiddag 29 juni, of jullie hier mee akkoord gaan. Via een replay op deze mail.”

Zee van Tijd heeft hierop aan [appellant] gemaild: “En jij geeft aan dat er op 9 juli een gezamenlijke oplevering plaatsvindt. Kan er dan ook al water op de vloeren?”, waarop [appellant] van zijn kant weer bevestigend antwoordde. De herstelwerkzaamheden zijn vervolgens verricht en op 9 juli 2021 afgerond. Zee van Tijd gaf toen aan dat er nog geen water op de kraan zat, en dat zij de vloer op enig moment nog wel wilde testen met water. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft [appellant] aangegeven dat er op 9 juli 2021 contact is geweest tussen hemzelf en mevrouw [naam2] van Zee van Tijd ([naam2]). Dit contact verliep gehaast, maar [naam2] gaf toen aan dat de vloeren er niet uitzagen en dat zij op dat moment verder geen tijd had. Er waren op dat moment meerdere werklieden aanwezig in verband met de naderende opening van het hotel. [appellant] is na deze korte discussie met [naam2] weggegaan. Op 2 augustus 2021 heeft [appellant] per e-mail om betaling van zijn factuur gevraagd. Nog diezelfde dag reageerde Zee van Tijd met de mededeling dat de vloeren “wederom dramatisch” waren, er nog een nadere inhoudelijke reactie zou komen, en dat betaling van de factuur niet zou plaatsvinden.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat de troffelvloeren die [appellant] zou leggen, zijn opgeleverd in de zin dat Zee van Tijd dit aangenomen werk heeft aanvaard als bedoeld in artikel 7:758 BW: om te beginnen niet op 25 mei 2021, omdat voor hem duidelijk heeft moeten zijn dat de opmerking van Zee van Tijd dat de vloeren er prachtig uitzagen toen of de dagen erna geen onvoorwaardelijke aanvaarding van de vloeren kon inhouden. Het was immers duidelijk dat de vloeren nog niet op afwatering konden zijn getest. Toen daarvan wel sprake was, heeft Zee van Tijd prompt aangegeven niet tevreden te zijn. Daarbij: [appellant] is er zelf ook vanuit gegaan dat hij herstelwerkzaamheden aan de vloeren moest verrichten voordat die voor Zee van Tijd konden worden aanvaard. Precies daarover gingen die afspraken uit juni 2021, die resulteerden in de herstelwerkzaamheden van begin juli 2021.

Ook op 9 juli 2021 heeft geen aanvaarding van het werk plaatsvonden, nu uit de houding en opmerkingen van [naam2] zonder meer duidelijk heeft moeten zijn dat het werk aan de vloeren al op het eerste gezicht niet aanvaard werd. In de correspondentie van drie weken later is dat ook onomwonden opgemerkt.

Dat op enig ander moment sprake is geweest van aanvaarding, is naar het oordeel van het hof evenmin verenigbaar met deze gang van zaken

De vloeren zijn dus niet als opgeleverd te beschouwen. Dat brengt mee dat [appellant] niet vóór 25 mei of 9 juli 2021 betaling van Zee van Tijd mocht verlangen, hetgeen dan weer betekent dat haar beroep op opschorting en schuldeisersverzuim niet opgaat.

[appellant] heeft zijn werk niet naar behoren gedaan

Het hof is het ook met de kantonrechter eens dat uit het rapport van deskundige [naam3] kan worden opgemaakt dat ook na 9 juli 2021 water bleef staan op de douchevloeren en wel in een mate die door Zee van Tijd niet hoefde te worden geaccepteerd. Daarnaast heeft de deskundige in zijn rapport inzichtelijk gemaakt dat en waarom de troffelvloeren in esthetisch opzicht sterk te wensen overlieten, waarbij de deskundige wijst op “(een) ongelijkmatig verdichte laag, wellicht onvoldoende gemengde componenten), plaatselijk zijn spaanslagen / afdrukken zichtbaar in de troffelvloer. Als ook gebreken in de transparante afwerklaag. Sinasappel effect, locaties met te veel afwerk lak en vlakken met te weinig lak.” Wat [appellant] ten opzichte van deze duidelijke en onderbouwde bevindingen van de deskundige heeft aangevoerd, acht het hof van onvoldoende gewicht om de bevindingen van de deskundige in twijfel te trekken. De conclusie is dan ook dat [appellant] de troffelvloeren in de douchegedeelten niet deugdelijk heeft gelegd en dus jegens Zee van Tijd werk van onvoldoende kwaliteit heeft geleverd.

Was [appellant] in verzuim? Niet op grond van een fatale termijn

Daarmee komt het toe aan de vervolgvraag of [appellant] in verzuim is geraakt ten aanzien van een verplichting tegenover Zee van Tijd. Die partij heeft allereerst gesteld dat sprake was van een fatale termijn die meebracht dat [appellant] uiterlijk op dat moment een deugdelijke vloer had moeten leveren. Voor 25 mei 2021 geldt dat [appellant] die datum noemde in de context van data die hij “in gedachten” had (zie rov. 2.4). Daaruit blijkt niet dat tussen partijen over die datum iets is besproken waaruit [appellant] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat uitloop na die datum voor Zee van Tijd niet aanvaardbaar was. Datzelfde geldt voor 9 juli 2021, al kwam die datum ter sprake in het kader van afspraken over de planning van werkzaamheden (zie rov. 2.7). Naar het oordeel van het hof kan niet daarom worden gesproken van uitlatingen en gedragingen over en weer waaruit partijen hebben mogen afleiden dat sprake was van een uiterste datum voor oplevering, waarvan het niet halen in verzuim van [appellant] zou resulteren.

Was [appellant] in verzuim? Ja, ook zonder ingebrekestelling

Vast staat dat geen ingebrekestelling aan [appellant] is gestuurd, zoals de kantonrechter al overwoog. Dit was naar het oordeel van het hof ook niet nodig. Uit de in rov. 3.2 weergegeven omstandigheden blijkt namelijk dat [appellant] op 23 mei 2021 Zee van Tijd te kennen heeft gegeven dat het werk wat hem betreft klaar was om in gebruik te nemen. Dat bleek echter niet het geval, en partijen waren het daar in zoverre over eens dat zij afspraken dat [appellant] nogmaals de gelegenheid kreeg om het werk naar behoren af te ronden en af te leveren. Naar het oordeel van het hof kon van Zee van Tijd niet gevergd worden dat zij [appellant] nog een derde maal in de gelegenheid zou stellen om de vloer te herstellen, nu al sprake is geweest van meerdere vruchteloze herstelpogingen van [appellant] , ook gelet op de inmiddels ontstane tijdsdruk bij Zee van Tijd in verband met de opening van haar hotel. Gelet hierop is het hof het met Zee van Tijd eens dat op grond van de (aanvullende) redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kon blijven en dat [appellant] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.

Schade

Beide partijen stellen de vraag aan de orde welke schade redelijkerwijs aan de tekortkoming kan worden toegerekend. Het hof oordeelt daarover als volgt.

De kantonrechter heeft acht geslagen op de bevinding van de deskundige. Die was van mening dat de gebreken aan de troffelvloeren dusdanig zijn dat de vloeren niet hersteld kunnen worden zonder deze geheel te verwijderen en opnieuw aan te brengen. De kantonrechter constateerde echter ook dat dat gepaard zou gaan met enorme kostenposten en met het beschadigen van allerlei andere materialen en werken die met de troffelvloeren in verbinding staan. De kosten van volledige herstel door het opnieuw leggen van troffelvloeren, zouden zelfs het dertienvoudige zijn van het bedrag dat [appellant] aan Zee van Tijd in rekening heeft gebracht. Daarom werd een dergelijke ingrijpende vorm van herstel onverenigbaar geacht met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Diezelfde eisen brachten de kantonrechter tot het oordeel dat voor de kosten van herstel uitgegaan moet worden van de suggestie van de deskundige om een epoxylaag over de vloeren aan te brengen. De kantonrechter heeft er daarbij op gelet dat de bezwaren van Zee van Tijd tegen die vorm van herstel volgens de deskundige grotendeels konden worden ondervangen.

Het hof verenigt zich met deze beslissing en de motivering daarvan. Daaraan voegt het hof nog toe dat [appellant] erop heeft gewezen het door Zee van Tijd gevorderde bedrag bij lange na niet te kunnen dragen of financieren, en dat hij ook niet verzekerd is. Deze schadepost van Zee van Tijd begroot het hof in redelijkheid op de raming van de deskundige van € 21.500. Het hof heeft namelijk geen aanwijzingen dat moet worden uitgegaan van wezenlijk andere bedragen dan de deskundige heeft genoemd. De wettelijke rente die Zee van Tijd eerst in hoger beroep over deze schadevergoeding vordert, is inderdaad toewijsbaar, en wel vanaf 9 juli 2021.

Zee van Tijd heeft ook vergoeding gevorderd van schade die het gevolg is van de sluiting van haar hotel in de periode tussen 25 mei 2021 en 16 juli 2021. De kantonrechter heeft deze schadepost afgewezen. Daartegen grieft Zee van Tijd. Deze grief faalt. Voor wat betreft de periode tot en met 9 juli 2021 is dat omdat [appellant] tot die tijd niet in verzuim verkeerde, zoals eerder in dit arrest al is geoordeeld. Voor de periode tussen 9 juli en 16 juli 2021 is [appellant] ook niet schadeplichtig, maar dat komt omdat Zee van Tijd niet aannemelijk heeft gemaakt dat het openen van het hotel op 16 juli 2021 het gevolg is van het tekortschieten van [appellant] . [appellant] heeft er immers terecht op gewezen dat er op 9 juli 2021, maar ook daarna, in het hotel nog verschillende andere werkzaamheden gaande waren die meebrachten dat een opening op 9 juli 2021 in ieder geval niet mogelijk was. Dat heeft Zee van Tijd niet voldoende gemotiveerd weersproken.

Het voorgaande brengt mee dat [appellant] eveneens aansprakelijk is voor het nadeel dat Zee van Tijd lijdt doordat haar hotel (deels) gesloten moet worden tijdens het verrichten van die herstelwerkzaamheden. De kantonrechter heeft ten aanzien van deze schadepost een verwijzing naar de schadestaatprocedure uitgesproken. Hetgeen Zee van Tijd in dit kader heeft betoogd over het geheel vervangen en opnieuw leggen van troffelvloeren, stuit af op hetgeen het hof daarover hiervoor heeft geoordeeld.

De conclusie van het voorgaande is dat het hof de door Zee van Tijd geleden schade op eenzelfde bedrag begroot als de kantonrechter. Ook in hoger beroep houdt stand de afwijzing van de vordering van [appellant] , omdat de hogere schadevergoedingsvordering van Zee van Tijd die door verrekening teniet doet gaan. De toewijzing van de schadevergoedingsvordering van Zee van Tijd betreft dan ook een zelfde bedrag als bij de kantonrechter, namelijk € 9.218,50, zij het dat daarover (anders dan bij de kantonrechter) ook wettelijke rente verschuldigd is.

Buitengerechtelijke kosten

In hoger beroep vordert Zee van Tijd ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 2.396,40. De hoogte van dit bedrag is door haar niet feitelijk onderbouwd, terwijl [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat aan de kant van Zee van Tijd werkzaamheden ten belope van dit bedrag zijn verricht. Bij deze stand dient deze vordering van Zee van Tijd bij gebrek aan onderbouwing te worden afgewezen.

De conclusie

Het hof zal de vonnissen van de kantonrechter dan ook bekrachtigen, behalve dan op het punt van de wettelijke rente over de schadevergoeding. Dat betekent dat de grieven van [appellant] in zijn hoger beroep (principaal hoger beroep) falen. Het hoger beroep van Zee van Tijd (incidenteel hoger beroep) slaagt, maar enkel op het punt van de wettelijke rente (wijziging van eis in hoger beroep).

Bij deze stand van zaken constateert het hof dat [appellant] in het principaal appel de partij is die in het ongelijk wordt gesteld, en Zee van Tijd de partij die in het incidenteel appel – grotendeels – in het ongelijk wordt gesteld. [appellant] zal dus worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel, en Zee van Tijd in de kosten van het incidenteel appel. Daarnaast zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het incident, waarover het hof in het arrest van 28 januari 2025 overwoog dat daarover in het eindarrest zou worden beslist. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 november 2022, 25 april 2023 en 5 november 2024, behalve de beslissing in het eindvonnis van 5 november 2024 onder 3.4, die hierbij wordt vernietigd en beslist:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Zee van Tijd van een bedrag van € 9.218,50 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 9 juli 2021 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Zee van Tijd in het principaal beroep:

€ 6.561 aan griffierecht

€ 5.695,50 aan salaris van de advocaat van Zee van Tijd (1,5 procespunten x het toepasselijke tarief V van € 3.797)

veroordeelt Zee van Tijd tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in het incidenteel beroep:

€ 5.695,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (1,5 procespunten x het toepasselijke tarief V van € 3.797)

veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Zee van Tijd in het incident:

€ 3.797 aan salaris van de advocaat van Zee van Tijd (1 procespunt x het toepasselijke tarief V van € 3.797)

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand