ECLI:NL:GHARL:2026:3107

ECLI:NL:GHARL:2026:3107

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 200.345.333/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

x

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.345.333/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 143572

arrest van 19 mei 2026

in de zaak van

[appellante]

die laatstelijk woonde in [woonplaats1] ,

die hoger beroep heeft ingesteld,

en bij de rechtbank optrad als eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R.H. Stam te Utrecht,

en

Stichting Isala Klinieken

die is gevestigd in Zwolle,

die ook hoger beroep heeft ingesteld,

en bij de rechtbank optrad als gedaagde,

hierna: Isala,

advocaat: mr. E.P. Ceulen te Arnhem.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 16 september 2025 (hierna: het tussenarrest) heeft [appellante] op 25 november 2025 een akte na tussenarrest (met producties) genomen. Isala heeft op 3 februari 2026 daarop bij antwoordakte na tussenarrest (met producties) gereageerd.

Partijen hebben vervolgens het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2. De toelichting op de beslissing van het hof

Waar gaat de zaak over?

[appellante] is in 2005 onder behandeling gekomen van een neuroloog verbonden aan het ziekenhuis van Isala in Zwolle. Nadien is [appellante] in 2010 door de huisarts verwezen naar een andere neuroloog van hetzelfde ziekenhuis. In 2016 stelt deze neuroloog bij haar de diagnose Multiple Sclerose (hierna: MS). [appellante] verwijt Isala dat de neurologen te kort zijn geschoten in haar medische behandeling.

Wat heeft het hof eerder beslist?

In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat

a. [naam1] (de eerste behandelend neuroloog) toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst door

-in zijn brief aan de huisarts van 25 mei 2005 ten onrechte te schrijven dat liquor- en bloedonderzoek geen aanwijzingen tonen voor ontstekingen, multiple sclerose of andere pathologie en aldus de huisarts onjuist dan wel onvolledig heeft geïnformeerd,

[naam2] (de tweede behandelend neuroloog) toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst door

- in/omstreeks 2010 de diagnose MS af te doen als ‘erg onwaarschijnlijk’ en na te laten een juiste differentiaal diagnose te stellen,

- met [appellante] na haar bezoek aan hem op 14 juli 2010, geen vervolgafspraak in te plannen dan wel via de huisarts zorg te dragen voor een monitoring van haar gezondheidstoestand,

- niet het volledig medisch dossier aan het VUmc toe te zenden in het kader van de gevraagde second-opinion, en

- de behandelrelatie plotseling te beëindigen.

Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat Isala voor deze tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens [appellante] uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Isala is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren.

Het standpunt van [appellante]

[appellante] heeft ter onderbouwing van haar schade verwezen naar een schadestaat die door de door haar ingeschakelde letselschadespecialist [naam3] is opgesteld. Het rapport van [naam3] is als productie door [appellante] in het geding gebracht. [naam3] heeft vooraf medisch advies ingewonnen bij [naam4] . Ook dat rapport, waarnaar [appellante] heeft verwezen, is door haar als productie in het geding gebracht.

Volgens [appellante] valt de schade als volgt uiteen:

1. Zorgschade en huishoudelijke hulp (mantelzorg)

- Periode medio 2009 t/m 9 dec. 2024, gem. 2 uur per dag

o Totaal: € 127.420,-

2. Medische kosten

- Kosten total body scan d.d. 13 maart 2013 € 1.268,-

- Kosten total body scan d.d. 16 maart 2011 € 1.204,-

- Kosten total body scan 2008 (geschat) € 1.100,-

- Kosten [naam5] / Upendo € 3.090,-

- Kosten MS Kliniek ( [naam6] ) / Upendo € 900,-

o Totaal: € 7.562,-

3.Smartengeld

- Complex reg. pijnsyndroom (waaronder aangezichtspijn) € 57.000,-

- Geestelijk letsel (psychische schade) € 79.000,-

- Hersenletsel (cognitieve beperkingen als gevolg dementie) € 105.000,-

o Totaal: € 241.000,-

4.Buitengerechtelijke kosten

- Onderzoek en advies [naam3] € 9.848,80

- Onderzoek en advies [naam4] € 3.000,-

o Totaal: € 12.848,80

TOTAAL: € 388.830,80

Een nieuw inhoudelijk stuk, dat om een reactie van [appellante] vraagt?

Isala heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. [appellante] heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. [appellante] wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof verwijst daarvoor kortheidshalve naar hetgeen hier volgt. Ook Isala wordt niet in haar belangen geschaad. Het hof verwijst in dat verband naar het slot van rechtsoverweging 2.13.

Toetsingskader

[appellante] beoogt in deze procedure een beslissing te krijgen over de aansprakelijkheid van Isala voor de door haar geleden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen/onzorgvuldige handelingen van de neurologen. De vastgestelde tekortkomingen brengen niet zonder meer mee dat de door [appellante] gestelde schadebedragen voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een toewijzing van de vergoeding daarvan is namelijk vereist dat het causale verband tussen de te onderscheiden tekortkomingen en de gestelde schade naar juridische maatstaven komt vast te staan, waarbij een onderscheid bestaat tussen het condicio sine qua non-verband (als minimum) enerzijds (artikel 6:74 BW) en de mate waarin de schade in redelijkheid aan de schadeveroorzaker kan worden toegerekend anderzijds (artikel 6:98 BW).

Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv is het in beginsel aan [appellante] om het condicio sine qua non-verband te stellen en bij tegenspraak te bewijzen. Beoordeeld moet worden of de in rechte vastgestelde tekortkomingen hebben geleid tot de door [appellante] gestelde schade. Er is sprake van causaal verband in de hier bedoelde zin, als de schade niet zou zijn ontstaan indien de zorgverlener de behandeling correct (‘lege artis’) had uitgevoerd. Voor het aannemen van een condicio sine qua non-verband is verder vereist dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de tekortkoming de schade van de patiënt heeft veroorzaakt.

Bij de redelijke toerekening staan doel en strekking van de geschonden norm centraal en het antwoord op de vraag of deze al dan niet een ruime toerekening rechtvaardigen. Niet gesteld en onvoldoende is gebleken dat de neurologen specifieke veiligheidsnormen hebben geschonden dan wel een norm is geschonden die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. De geconstateerde schendingen betreffen algemene professionele zorgvuldigheidsnormen. De schade moet het gevolg zijn van het niet naleven van deze algemene zorgvuldigheidsnormen.

Voor de beoordeling of tussen de gestelde schade en de tekortkoming een voldoende causaal verband bestaat, en vervolgens of die schade - gelet op alle omstandigheden - in redelijkheid aan de tekortkoming kan worden toegerekend, is relevant hoe de (hypothetische) situatie van [appellante] zich zou hebben ontwikkeld indien de betreffende tekortkoming wordt weggedacht oftewel: Zou de gestelde schade ook zonder de betreffende fout zijn ingetreden? [appellante] dient zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te worden gebracht in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd, indien de te onderscheiden tekortkomingen niet zouden hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid kan in bijzondere gevallen van één of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd. Ten aanzien van het in artikel 6:98 BW bedoelde causaal verband gelden in beginsel ook de gewone bewijsregels, waarbij de rechter op basis van artikel 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Deze bevoegdheden beletten niet om bij een geschil over feiten die in het debat over de schadeomvang worden gesteld en die de rechter relevant acht voor de schadebegroting, de gewone bewijsregels toe te passen. In deze zaak heeft [appellante] diverse schadeposten opgevoerd. Het is dan aan de rechter om deze schadeposten te onderzoeken. Schieten partijen tekort in de informatieverstrekking, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht op basis van artikel 21 Rv.

Tegen de achtergrond van het voorgaande zal het hof per opgevoerde schadepost beoordelen of en in hoeverre de daarin benoemde schade voortvloeit uit één (of meer) vastgestelde tekortkoming(-en). Het hof constateert dat in de akte na tussenarrest van de zijde van [appellante] per vastgestelde tekortkoming een onderbouwde stellingname ontbreekt over het antwoord op de vraag hoe de situatie zich zou hebben ontwikkeld indien de betreffende tekortkoming wordt weggedacht. Ook in de rapporten van [naam3] en [naam4] ontbreekt een dergelijk onderbouwde stellingname per vastgestelde tekortkoming. Dat is - gelet op de gelegenheid die het hof in het tussenarrest heeft gegeven (zie rechtsoverweging 3.85 en het dictum onder 4.1.) – op zijn minst genomen opmerkelijk. Daarbij komt dat partijen - dus ook [appellante] - duidelijk moeten maken op welke feiten zij zich beroepen die uit de door hun in het geding gebrachte stukken blijken. Het enkel in het geding brengen van rapporten met een algemene verwijzing daarnaar volstaat daartoe niet.

Zorgschade en huishoudelijke hulp (mantelzorg)

[appellante] heeft € 127.420,- gevorderd aan zorgschade en kosten van

huishoudelijke hulp over de periode van medio 2009 tot en met 9 december 2024. Bij de

berekening is, zo blijkt uit de door [naam3] opgestelde schadestaat, uitgegaan van gemiddeld 2 uur hulp per dag tegen een uurtarief van € 10,- overeenkomstig de richtlijn van de Letselschade Raad voor huishoudelijke hulp en dat voor 6371 dagen. Verder heeft [appellante] verwezen naar een e-mail van haar echtgenoot waarin hij verklaart dat de omstandigheden thuis het voor hem onmogelijk maakten om zijn arbeidsinkomen te blijven genereren omdat hij dagelijks uiteenlopende taken voor [appellante] verrichtte. Voor wat betreft zorg en huishoudelijke hulp ging het daarbij om werkzaamheden die zij eerder uitvoerde in en om het huis (waaronder tuinwerk), het doen van boodschappen maar ook de begeleiding naar het ziekenhuis, aangezien [appellante] niet langer zelfstandig kon reizen.

Het hof wijst deze schadepost af. Redengevend daarvoor is het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] leed aan Primair Progressieve MS (PPMS) die naar de aard van deze ziekte leidt tot toenemende beperkingen en daarmee tot een (toenemende) behoefte aan hulp in en om het huis. Dit ziekteverloop staat in beginsel los van de vastgestelde tekortkomingen van de neurologen. Weliswaar heeft [appellante] in de dagvaarding in eerste aanleg, in haar memorie van antwoord in incidenteel appel en in haar akte na tussen arrest in het algemeen gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien èn hoe die situatie zou verschillen voor wat beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat [appellante] als gevolg van één of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het punt dat Isala heeft willen maken met de door haar bij antwoordakte overgelegde producties over deze hypothetische situatie, behoeft geen bespreking meer omdat toewijzing van het gevorderde bedrag al afstuit op gebreken in de stelplicht.

Het hof merkt verder op dat door [appellante] ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. Nu [appellante] niet heeft gesteld dat de hier bedoelde schade is geleden als gevolg van één of meer te onderscheiden tekortkomingen, komt het hof aan een schatting daarvan niet toe, daargelaten dat [appellante] ook heeft nagelaten enige aanknopingspunten te geven voor de noodzaak, omvang en duur van de gestelde hulpbehoefte als gevolg van de vastgestelde tekortkomingen. Een algemene verwijzing naar passages uit de dagvaarding in eerste aanleg en haar Memorie van Antwoord in incidenteel appel maken het voorgaande niet anders omdat ook in deze processtukken enig verband tussen de te onderscheiden tekortkomingen en de (hoogte van de) schade zoals die hier aan de orde is, niet wordt gelegd.

Medische kosten

[appellante] heeft vergoeding van medische kosten gevorderd in verband met door haar in Duitsland uitgevoerde total body pre-scans in 2008, 2011 en 2013. [appellante] heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld dat zij deze scans heeft laten maken om ter zake de MS alsnog erkend, gehoord en begrepen te worden, gegeven de door haar ervaren onzekerheid.

Ten aanzien van de kosten voor de total body-scan uit 2008 acht het hof aannemelijk dat deze in voldoende causaal verband staan tot de toerekenbare tekortkoming van [naam1] daaruit bestaande dat hij in zijn brief aan de huisarts van 25 mei 2005 ten onrechte heeft geschreven dat liquor- en bloedonderzoek geen aanwijzingen tonen voor onder meer MS. In de stellingen van [appellante] ligt besloten dat zij met de inhoud van deze brief bekend was omdat deze met haar was besproken en omdat de huisarts na kennisname van de brief enkel uitging van een cardiovasculair probleem. Tegelijkertijd was zij bekend met de MRI-scan gemaakt in het Martini-ziekenhuis in Groningen, op basis waarvan door de neuroradioloog werd geconcludeerd dat ‘het gehele beeld uitermate suspect voor MS’ was. Onder die omstandigheden ligt het in de rede dat [appellante] is blijven zoeken naar antwoorden, zich binnen het reguliere zorgcircuit niet gehoord voelde en daarbuiten antwoorden is gaan zoeken, hetgeen zij niet had gedaan als in de brief de uitslagen van het liquor- en bloedonderzoek juist waren weergegeven. Dat zij daarbij ‘bij toeval’ in de gelegenheid was om in Duitsland een pre-scan te laten verrichten die screenend van aard is (en niet diagnosticerend), doet daaraan onvoldoende af. Daarmee dient Isala deze kosten à € 1.100,- waarvan de hoogte verder niet is weersproken, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten voor de total body-scan uit 2011 en 2013 à € 1.204,- en € 1.268,- acht het hof aannemelijk dat ook deze in voldoende causaal staan tot de toerekenbare tekortkomingen van [naam2] door in/omstreeks 2010 de diagnose MS af te doen als ‘erg onwaarschijnlijk’ en heeft nagelaten een juiste differentiaal diagnose te stellen en na haar bezoek aan hem op 14 juli 2010, geen vervolgafspraak in te plannen dan wel via de huisarts zorg te dragen voor een monitoring van haar gezondheidstoestand. Op dat moment waren er verschillende aanwijzingen die zouden kunnen duiden op MS. Dat onder deze omstandigheden [appellante] opnieuw is gaan zoeken naar antwoorden buiten het reguliere circuit omdat zij zich niet gehoord en gezien voelde hetgeen haar onzeker en moedeloos maakte, is aannemelijk en staat in voldoende causaal verband met beide tekortkomingen. Het hof zal Isala dan ook veroordelen tot vergoeding van deze kosten.

[appellante] heeft verder vergoeding van kosten gevorderd die zij heeft gemaakt voor het inschakelen van deskundigen, te weten [naam5] /Upendo à € 3.090,- en MS kliniek ( [naam6] )/Upendo à € 900,-. De kosten voor [naam5] zijn gemaakt in 2020 en 2021, in de aanloop naar de tuchtrechtelijke procedure. De kosten voor Upendo zijn van recentere datum en hangen samen met de onderhavige procedure.

Expertise kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn. De redelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de zogenaamde ‘dubbele redelijkheidstoets’. De toets houdt in (i) dat het in de gegeven omstandigheden redelijk moet zijn geweest de deskundige bijstand in te roepen/de kosten te maken en (ii) dat de kosten naar hun omvang redelijk zijn.

Weliswaar zijn de kosten voor het advies van [naam5] al gemaakt voor de tuchtrechtelijke procedure waarin het advies buiten beschouwing is gelaten, maar dat neemt niet weg dat het advies in deze procedure wel is meegewogen voor de vaststelling van aansprakelijkheid aan de zijde van Isala. De gemaakte kosten komen onder deze omstandigheden voor vergoeding in aanmerking als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Zij kunnen ook de ‘dubbele redelijkheidstoets’ doorstaan. Dat laatste is ook niet betwist. Het hof zal Isala dan ook veroordelen tot vergoeding van deze kosten à € 3.090,-.

Vergoeding van de kosten voor het raadplegen van [naam6] wijst het hof af. Zoals uit het advies van [naam4] valt af te leiden zijn aan [naam6] twee vragen voorgelegd, die hij bij brief van 28 oktober 2025 heeft beantwoord. Onduidelijk is of en zo ja, in welke mate het raadplegen van [naam6] heeft bijgedragen aan de door [appellante] ingenomen stellingen die betrekking hebben op de aansprakelijkheid en de omvang van de schade. Evenmin is duidelijk, bij gebrek aan nadere toelichting, waarom [appellante] in redelijkheid [naam6] meende te moeten raadplegen. Bij deze stand van zaken doorstaan de opgevoerde kosten niet de dubbele redelijkheidstoets.

Het hof zal op basis van het voorgaande Isala veroordelen tot vergoeding van in totaal (€ 1.100,- + € 1.204,- + € 1.268,- + € 3.090,-. =) € 6.662,- aan kosten, die door [appellante] onder ‘medische kosten’ zijn geschaard.

Immateriële schadevergoeding

[appellante] heeft een bedrag aan smartengeld gevorderd van € 241.000,-, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de zogenoemde Rotterdamse schaal. Ter onderbouwing heeft [appellante] drie componenten bij elkaar opgeteld: (i) een vergoeding voor (ernstig) complex regionaal pijnsyndroom (CRPS), waaronder aangezichtspijn, (ii) een vergoeding wegens psychische schade en (iii) een vergoeding wegens hersenletsel, bestaande uit cognitieve beperkingen die zij aan dementie relateert. [appellante] gaat daarbij uit van meervoudig letsel en neemt als uitgangspunt een ernstig CRPS met forse beperkingen, geestelijk letsel met een ongunstige prognose en aanzienlijke cognitieve problematiek. [appellante] heeft daarbij in haar akte na tussenarrest gesteld dat de lijdensperiode langer is dan dertien jaar en dat er onbehandeld lijden is geweest over een periode van 2005 tot 2018. Ook heeft zij gesteld dat er gederfde levensjaren in goede gezondheid zijn en er een progressie naar een ernstiger en progressievere actieve vorm van MS heeft plaatsgevonden, die mogelijk had kunnen worden voorkomen. Als verzwarende factoren noemt [appellante] medische verwijtbaarheid, een lange lijdensperiode, psychosociale schade, verlies van levensjaren en gemiste behandelkansen.

Isala heeft erkend, tegen de achtergrond van de vastgestelde tekortkomingen, dat monitoring vanaf 2010 ertoe had kunnen bijdragen dat [appellante] zich meer gesteund had gevoeld en dat dit positief had kunnen doorwerken in haar geestelijk welbevinden, doordat psychisch onbehagen en frustratie over het verloop van zaken mogelijk in zekere mate waren verminderd. Isala heeft echter aangevoerd dat niet aannemelijk is dat het ziektebeloop bij [appellante] de tekortkomingen weggedacht, daardoor wezenlijk anders zou zijn geweest. Isala heeft verder aangevoerd dat de door [appellante] gekozen benadering iedere proportie mist en acht, onder verwijzing naar de ANWB-Smartengeldgids een immateriële schadevergoeding van € 1.019,- meer proportioneel, ook al is de zaak waarnaar wordt verwezen niet volledig vergelijkbaar.

De hoogte van immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW wordt naar billijkheid vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard van de normschending, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde.

Het hof constateert in de context van artikel 6:106 BW allereerst dat, anders dan [appellante] lijkt te stellen, de neurologen weliswaar tekort zijn geschoten, maar dat dit nog niet betekent dat zij (mede) verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van PPMS (de meer zeldzame variant van MS waaraan [appellante] leed) en het verdere ziekteverloop dat inherent is aan PPMS tot aan het overlijden van [appellante] . Het hof wijst in dit verband op de immateriële schadevergoeding die door [appellante] wordt gevraagd voor het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS) -waaronder aangezichtspijn- à € 57.000,- en voor het hersenletsel, bestaande uit cognitieve beperkingen als gevolg van dementie à € 105.000,-. Dat de tekortkomingen de oorzaak zijn van en in causaal verband staan met het ontstaan van deze vormen van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW (‘voor het geval de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen’) kan zonder adequate en navolgbare toelichting die ontbreekt, niet worden aangenomen. Hetgeen [appellante] daartoe heeft aangevoerd ter onderbouwing van de hier aan de orde zijnde immateriële schade is onvoldoende om een andere conclusie te rechtvaardigen. Ook de stelling dat een progressie naar een ernstiger vorm van MS mogelijk had kunnen worden voorkomen, is onvoldoende (medisch) onderbouwd, zodat het hof ook daaraan voorbij gaat.

Het hof concludeert dat met het voorgaande de beoordeling resteert voor wat betreft een aanspraak op vergoeding van immateriële schade in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW (‘voor het geval de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast’). Daarvan is sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Het hof stelt vast dat [appellante] voor wat betreft haar vordering tot vergoeding van immateriële schade uitgaat van de Rotterdamse schaal voor de categorie geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld en komt aldus tot een te vergoeden bedrag van € 79.000,-. Dat [appellante] als gevolg van de tekortkomingen objectief vast te stellen geestelijk letsel heeft opgelopen is echter niet gesteld, laat staan adequaat onderbouwd door bijvoorbeeld te verwijzen naar het medisch dossier of een deskundigenbericht waaruit het bestaan van dit letsel bij [appellante] zou kunnen worden afgeleid. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is bijvoorbeeld niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Alleen al om deze reden biedt de verwijzing naar de Rotterdamse schaal voor objectief vastgesteld geestelijk letsel onvoldoende houvast.

Het voorgaande neemt niet weg dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband door [appellante] ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarvoor acht het hof het volgende van belang.

Het gaat hier om toerekenbare tekortkomingen van de neurologen zoals die hiervoor in rechtsoverweging 2.2. zijn weergegeven en betreffen schendingen van algemene professionele zorgvuldigheidsnormen. Ten aanzien van het niet volledig toezenden van het medisch dossier aan het VUmc overweegt het hof echter het volgende. Dat als gevolg van deze tekortkoming schade is ontstaan, is door Isala ook eerder in de procedure gemotiveerd betwist. Zij heeft gewezen op het feit dat de tekortkoming de uitkomst van het oordeel van het VUmc niet heeft beïnvloed. [appellante] is hierop niet meer expliciet ingegaan en uit haar stelling ter onderbouwing van de immateriële schade valt niet op te maken dat zij daarbij ook oog heeft gehad voor deze tekortkoming. Gelet op het een en ander oordeelt het hof dat het toesturen van een onvolledig dossier weliswaar een toerekenbare tekortkoming is, maar niet heeft geleid tot (immateriële) schade, zodat deze tekortkoming in het navolgende verder buiten beschouwing blijft.

Voor de overige vier en hier relevante tekortkomingen geldt het volgende. Hoewel er aanwijzingen waren die konden wijzen op MS, zijn die in 2005 niet juist doorgegeven aan de huisarts en daarmee aan [appellante] , werd in/omstreeks 2010 de diagnose MS als ‘erg onwaarschijnlijk’ afgedaan/ werd een juiste differentiaal diagnose niet gesteld, werd na 14 juli 2010 geen vervolgafspraak met [appellante] ingepland en werd de behandelrelatie plotseling beëindigd. Deze tekortkomingen weerspiegelen een terugkerend patroon over een aantal jaren waarin [appellante] op zoek was naar antwoorden op haar vragen, maar zich niet voldoende gehoord en gezien voelde door de behandelende neurologen. Zij was jarenlang op zoek naar een diagnose, maar wist zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend door de neurologen. Daar dragen deze neurologen schuld aan en is aan hen toe te rekenen. Door Isala is ook in zekere zin erkend dat het ontbreken van begeleiding vanaf 2010 ertoe zal hebben geleid dat [appellante] zich minder gesteund voelde en dat dit effect zal hebben gehad op haar geestelijk welbevinden, waardoor psychisch onbehagen en frustratie over het verloop van zaken in zekere mate (op zijn minst genomen) niet zijn verminderd. Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de tekortkomingen - ook die uit 2005 - ieder voor zich in meer of mindere mate en zeker in onderling verband gezien hebben geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en aan een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen. Deze gevolgen liggen in het licht van de normschending zozeer voor de hand dat in dit geval een persoonsaantasting kan worden aangenomen.

Het voorgaande neemt niet weg dat ook (het voortschrijden van) de ziekte PPMS bij [appellante] zal hebben geleid tot gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, en mogelijk tot verwerkingsproblemen. Hoe de aan de ziekte toe te schrijven gevolgen zich verhouden tot de gevolgen van de te onderscheiden tekortkomingen, laat zich niet duidelijk vaststellen. Dat geldt ook voor het antwoord op de vraag welke invloed iedere tekortkoming afzonderlijk op het ontstaan van de in rechtsoverweging 2.31 omschreven gevolgen heeft gehad. Het hof zal daarom, alles afwegend, de immateriële schade die in causaal verband staat met de vier toerekenbare tekortkomingen afzonderlijk en in onderlinge samenhang gezien, naar billijkheid schatten op een totaal van € 10.000,-. Daarbij neemt het hof, naast hetgeen is overwogen in 2.31, mede in aanmerking de weerslag van de gevolgen op het sociale leven van [appellante] en de kwetsbaarheid waarin [appellante] zich als gevolg van de ziekte in toenemende mate bevond. Het hof volgt [appellante] niet in haar stelling dat sprake is van onbehandeld lijden over een periode van 2005 tot 2018, dat er gederfde levensjaren in goede gezondheid zijn en een progressie naar een ernstiger en progressievere actieve vorm van MS heeft plaatsgevonden, die mogelijk had kunnen worden voorkomen. Dat sprake is van onbehandeld lijden vanaf 2005 tot 2018 als gevolg van de tekortkomingen kan niet worden vastgesteld, alleen al niet omdat niet in rechte is komen vast te staan dat in 2005 of 2010 de diagnose MS had moeten worden gesteld. Daar komt bij dat tot op heden, daargelaten de beperkte mogelijkheden vanaf 2018, nog geen effectieve medicamenteuze behandeling van de ziekte PPMS is gevonden. Dat dit anders is, is ook niet door [appellante] voldoende eenduidig en gemotiveerd gesteld.

Buitengerechtelijke kosten

[appellante] heeft verder gevorderd vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van in totaal € 12.848,80 bestaande uit kosten van LSA-advocaat [naam3] en advieskosten van [naam4] . Het hof wijst deze kosten af.

Buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 c BW komen eveneens voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn. De redelijkheid dient eveneens te worden beoordeeld aan de hand van een ‘dubbele redelijkheidstoets’. Het dient te gaan om redelijke kosten en het dient te gaan om werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te krijgen. Naar het oordeel van het hof is aan deze toets niet voldaan omdat in de rapporten van [naam3] en [naam4] voorbij wordt gegaan aan het tussenarrest van 16 september 2025 waarin het hof onder randnummer 3.85 overweegt dat over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen partijen nog geen uitvoerig debat hebben gevoerd. Daartoe heeft het hof partijen vervolgens uitgenodigd. Noch in het rapport van [naam3] , noch in dat van [naam4] is hierop concreet gerespondeerd. De rapporten sluiten daarmee onvoldoende aan bij de door het hof vastgestelde tekortkomingen en daarmee onvoldoende op de door het hof vastgestelde grondslag voor de schadevergoeding.

De conclusie

Het hof zal voor recht verklaren dat de behandelende neurologen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarvoor Isala aansprakelijk is . Verder zal het hof Isala veroordelen tot betaling van (€ 6.662,- + € 10.000,- =) € 16.662,- aan begrote schadevergoeding als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen. De gevorderde wettelijke rente over € 6.662,- zal worden toegewezen vanaf betaling van de onderliggende facturen en de wettelijke rente over € 10.000,- zal worden toegewezen vanaf de datum van dit arrest.

Het principaal hoger beroep slaagt grotendeels. Omdat het hof de vordering tot verklaring voor recht op ten dele andere gronden toewijst dan de rechtbank en het hof zelf tot begroting van de schade is overgegaan, zal het hof uit pragmatische overweging het vonnis van de rechtbank vernietigen, behoudens de beslissingen onder 5.3 tot en met 5.5. Het hof ziet in de uitkomt van de procedure aanleiding om de kostenveroordeling die in het vonnis is uitgesproken in tact te laten. Omdat Isala in het principaal hoger beroep wat de aansprakelijkheidsvraag betreft grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof gezien de hoogte van het toewijsbare bedrag haar tot betaling van de proceskosten in principaal hoger beroep veroordelen conform tarief II. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

Het incidenteel hoger beroep slaagt ten dele. In de uitkomst van het incidenteel hoger ziet het hof aanleiding de kosten daarvan te compenseren. Het hof zal bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 10 april 2024, behalve de beslissingen onder 5.3 tot en met 5.5 die hierbij worden bekrachtigd, en beslist voor het overige als volgt;

verklaart voor recht dat de behandelende neurologen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarvoor Isala aansprakelijk is;

veroordeelt Isala tot vergoeding van de daardoor door [appellante] geleden schade die is begroot op

- € 6.662,- aan materiele schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de betaling door [appellante] van de verschillende onderliggende facturen tot aan de dag van de algehele voldoening door Isala en

- € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dit arrest tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Isala tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in principaal hoger beroep:

€ 349 aan griffierecht

€ 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Isala

€ 3.225,- aan salaris van de advocaat van [appellante] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290,-);

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

bepaalt dat iedere partij in incidenteel hoger beroep de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Wichers, M.M.A. Wind en H. Mollema - de Jong, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand