GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.615
zaaknummer rechtbank Overijssel 11360099
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van
Deltaborgh Investeringen B.V.
die is gevestigd in Enschede
hierna: Deltaborgh
advocaat: mr. R.F.A. Rorink
en
[geïntimeerde]
met gekozen woonplaats in [woonplaats]
hierna: [geïntimeerde]
niet verschenen
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Deltaborgh heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede op 25 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven.
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. Het hof heeft arrest bepaald op heden.
2. De kern van de zaak
Deltaborgh verhuurde van mei 2014 tot september 2023 een woning aan [naam] , de toenmalige echtgenote van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] was in ieder geval tot 29 december 2021 van rechtswege medehuurder. In deze procedure spreekt Deltaborgh [geïntimeerde] aan voor een huurachterstand over de periode van september 2021 tot en met augustus 2023 (in totaal € 30.206,51).
De kantonrechter heeft de vordering van Deltaborgh over de periode van september 2021 tot en met december 2021 toegewezen (€ 5.291,71), vermeerderd met wettelijke rente, € 773,90 aan buitengerechtelijke kosten en de helft van de proceskosten van Deltaborgh.
In hoger beroep vraagt Deltaborgh om [geïntimeerde] alsnog te veroordelen tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2023, vermeerderd met wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten (berekend over het toe te wijzen bedrag) en alle proceskosten. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep niet geantwoord, maar bij de kantonrechter heeft hij betwist dat hij gehouden is om de huurachterstand te betalen.
Het hof zal [geïntimeerde] alsnog veroordelen tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2023. Daarom zal ook een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten en aan proceskosten worden toegewezen. Hierna zal het hof uitleggen waarom het tot die beslissing komt.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
de achtergrond van het geschil
[geïntimeerde] en [naam] woonden met hun kinderen in de woning waarvan [naam] huurder en [geïntimeerde] wettelijk medehuurder was. Vanaf juni 2021 is [geïntimeerde] opgenomen geweest in verschillende instanties voor geestelijke zorg en verslavingszorg. De huurovereenkomst is per 1 september 2023 opgezegd en per die datum heeft ook [naam] , met de kinderen, de woning verlaten.
Deltaborgh heeft [naam] volledige kwijtschelding van de huurachterstand verleend en wil de huurachterstand op [geïntimeerde] verhalen. Deltaborgh voert daartoe allereerst aan dat [geïntimeerde] in augustus 2021 aan haar directeur, [naam2] , heeft toegezegd dat hij de huur tot de einddatum van de huurovereenkomst zou voldoen.
toezegging [geïntimeerde]
Deltaborgh heeft bij de kantonrechter gesteld dat [geïntimeerde] na zijn vertrek uit de woning aan [naam2] heeft toegezegd dat hij de huurachterstand tot de einddatum van de huurovereenkomst volledig aan Deltaborgh zou voldoen; hij zou de nog te vervallen huurpenningen voor zijn rekening nemen tot de datum waarop [naam] met de kinderen het gehuurde zou verlaten. Tot dan toe was het ook altijd [geïntimeerde] geweest, die de huur had betaald. Volgens Deltaborgh heeft [geïntimeerde] bij de toezegging benadrukt dat het ook voor hem niet wenselijk was dat [naam] met de kinderen op straat zou komen te staan en heeft hij geen limiet gesteld aan het aantal maanden dat [naam] de woning kon blijven bewonen. Deltaborgh stelt dat zij begaan was met de situatie en [naam] , mede op verzoek van [geïntimeerde] , in de gelegenheid heeft gesteld om andere woonruimte te zoeken, waartoe zij meermaals de verkoop van het gehuurde heeft uitgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft [naam2] nader toegelicht dat hij rond de zomer 2021, nadat [geïntimeerde] op 4 augustus 2021 zijn telefoonnummer had doorgegeven, telefonisch contact met [geïntimeerde] heeft gehad. In dat gesprek heeft [geïntimeerde] volgens [naam2] de toezegging gedaan dat hij alles zou oplossen bij wijze van ‘gentlemen’s agreement’.
In zijn conclusie van antwoord staat dat [geïntimeerde] de intentie heeft gehad om huurachterstanden te voldoen en te voorkomen, maar dat dit niet betekent dat hij aan Deltaborgh heeft gemeld alle huurschulden van toen en in de toekomst te gaan betalen. Meer heeft [geïntimeerde] in deze procedure niet over de (inhoud van de) toezegging opgemerkt.
De kantonrechter heeft overwogen dat [naam2] ter zitting heeft aangegeven dat beide partijen er niet vanuit gingen dat het niet betalen van de huur zo lang zou duren. Daarom mocht Deltaborgh/ [naam2] er naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer vanuit gaan dat de betalingstoezegging een open eind had en zou gelden tot aan het moment dat [naam] het gehuurde zou verlaten. Om die reden heeft de kantonrechter het beroep van Deltaborgh op de toezegging verworpen.
In haar memorie van grieven komt Deltaborgh op tegen dit oordeel van de kantonrechter. Deltaborgh herhaalt dat [geïntimeerde] duidelijk tegen [naam2] geeft gezegd dat hij de huur(achterstand) tot aan de einddatum van de huurovereenkomst met [naam] zou voldoen. Verder voert Deltaborgh in hoger beroep aan dat zij geen enkele reden had om te vermoeden dat deze uitlating niet met [geïntimeerde] ’s wil overeenstemde. Hij betaalde als hoofdkostwinner immers al geruime tijd de huurpenningen. Deltaborgh wijst er verder op dat [geïntimeerde] pas in aanloop naar deze procedure tegen zijn advocaat heeft gezegd dat hij de toezegging niet had gedaan als hij had voorzien dat de huurovereenkomst nog zo lang zou voortduren. Dat hij dit niet had voorzien komt echter voor [geïntimeerde] ’s rekening en risico, aldus Deltaborgh. Bovendien merkt zij op dat [geïntimeerde] zijn toezegging in tijd had kunnen begrenzen en dat hij op een later moment op het gesprek had kunnen terugkomen, wat hij heeft nagelaten.
Dit alles heeft [geïntimeerde] niet betwist. Daarmee zijn de onder 3.6 aangehaalde stellingen van Deltaborgh komen vast te staan. Het gevolg daarvan is dat Deltaborgh [geïntimeerde] kan houden aan zijn (onbegrensde) toezegging dat hij de huur tot het einde van de huurovereenkomst zou betalen. Deltaborgh mocht erop vertrouwen dat [geïntimeerde] die toezegging zou nakomen.
[geïntimeerde] zal dus alsnog worden veroordeeld om de gehele huurachterstand van € 30.206,51 te betalen. Ook de door Deltaborgh gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.002,63 zijn toewijsbaar. De door haar gevorderde btw over dat bedrag kan niet worden toegewezen omdat Deltaborgh niet heeft gesteld dat zij niet btw-plichtig is.
conclusie
Het hoger beroep slaagt. De overige grondslagen kunnen onbesproken blijven. Omdat [geïntimeerde] geheel in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van alle proceskosten in hoger beroep en bij de kantonrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak zijn uitvoerbaar bij voorraad.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 25 maart 2025, en:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Deltaborgh € 30.206,51 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de opeisbaarheid van de huurtermijnen (september 2021 tot en met augustus 2023) en vermeerderd met € 1.002,63 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van Deltaborgh tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 1.409 aan griffierecht
€ 137,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 678 aan salaris van de advocaat van Deltaborgh (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 339)
en tot betaling van de volgende proceskosten van Deltaborgh in hoger beroep:
€ 2.255 aan griffierecht
€ 120,21 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 1.670 aan salaris van de advocaat van Deltaborgh (1 procespunt x het toepasselijke tarief III);
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, L.A. de Vrey en M.J.P. Heijmans en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.