ECLI:NL:GHARL:2026:3158

ECLI:NL:GHARL:2026:3158

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer 21-001092-22
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

18-jarige man veroordeelt voor seksueel binnendringen bij 14-jarig meisje. Het hof ziet (anders dan de rechtbank) voldoende bewijs voor twee incidenten en legt om die reden een hogere straf op dan de rechtbank. Ook wijst het hof een hoger bedrag aan smartengeld toe aan de benadeelde partij.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 15 april 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. J.C.H. Pronk, en namens de benadeelde partij [benadeelde] door haar advocaat, mr. M.J. Ellenbroek, is aangevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis. Daarnaast is beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

Het hof komt in dit arrest tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2005) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen van zijn penis tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [benadeelde] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Uit de verklaring van aangeefster afgelegd bij de politie volgt dat op twee verschillende momenten seksueel contact heeft plaatsgevonden. Deze verklaring vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De verklaring van aangeefster is niet consistent in de details, onbetrouwbaar en vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Voorgaande sluit aan bij het alternatieve scenario, dat mede is gegrond in de verklaring van verdachte, dat verdachte en aangeefster geen seksueel contact hebben gehad en dat aangeefster hierover heeft gelogen.

Oordeel van het hof

Bewijsmiddelen

Aangeefster [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2005, heeft verklaard dat zij met verdachte bij haar thuis in [plaats] in haar bed samen een film aan het kijken was. Verdachte ging toen de hele tijd aan haar zitten. Hij ging half op aangeefster zitten en zei toen: “Ik ga hem erin steken hoor.” Verdachte heeft toen de trainingsbroek van aangeefster en zijn eigen broek naar beneden gedaan en hij deed zijn ‘ding’ erin. Hij ging er weer uit en er daarna weer in. Verdachte ging daarna naar de wc en aangeefster voelde toen iets. Ze zag heel veel bloed en ze zag een snee boven haar kut.

Getuige [getuige 1] , de moeder van aangeefster, heeft verklaard dat op een avond in juli 2020 aangeefster met verdachte naar de slaapkamer van aangeefster was geglipt. De volgende ochtend heeft aangeefster geappt of [getuige 1] naar boven wilde komen. [getuige 1] heeft toen gezien dat er bloed uit de vagina van aangeefster bleef druppelen. Er was bloed op de vloer en op het bed van aangeefster. Aangeefster heeft toen aan [getuige 1] verteld dat ze seks had gehad en dat verdachte ‘erin was gegaan’.

In de telefoon van verdachte is een aantal chatberichten gevonden tussen aangeefster en verdachte. Op 3 augustus 2020 stuurt verdachte aan aangeefster: “(...) je zou [dokter] toch gister”. Aangeefster antwoordt daarop: “me moeder zei niet is nee meer dat nodig” en “het bloed niet meee”. Verdachte reageert: “erna had je moeder gekeken dan”. Aangeefster schrijft dan: “nee ik zelf’.

Aangeefster heeft verder verklaard dat zij in augustus 2020 bij een speeltuintje in [plaats] seks heeft gehad met verdachte terwijl zij dit niet wilde. Aangeefster is in de avond met verdachte meegegaan. Het was al donker. Verdachte ging staan en tilde aangeefster op van het bankje en draaide haar om. Hierdoor kwam zij met haar rug tegen verdachte te staan. Daarna heeft verdachte zijn hand op haar nek gelegd en haar naar voren geduwd. Hij trok haar trainingsbroek ongeveer tot aan de knieën naar beneden. Hij zei: “Ik ga het doen” of “Ik steek hem erin.” Aangeefster zei toen: “Ik wil het niet.” Verdachte zei dat ze een relatie hadden en dat het erin hoort. Aangeefster zei toen weer dat ze het niet wilde. Aangeefster voelde dat verdachte met zijn piemel bij haar kut naar binnen ging. Hij ging iets van twee keer erin en eruit. Verdachte kon niet verder, omdat aangeefster aan het slaan was naar achteren. Ze zei de hele tijd dat ze het niet wilde en ze sloeg met haar hand. Aangeefster begon toen te huilen.

In de telefoon van verdachte zijn chatberichten gevonden tussen aangeefster en verdachte. Op 20 augustus 2020 stuurt aangeefster aan verdachte: “T gaat rond he (...) van ons neuken”. Verdachte heeft hierop gereageerd met: “Wie zegt het dan”. Aangeefster zegt dan: “ [naam 1] snapte me” en “Mensen zeggen het” en “Denk [naam 2] rn [naam 2] [naam 3] en [naam 3] [naam 4] en [naam 4] [naam 1] ”. Verdachte stuurt dan: “Jaklopt sws alleen […] hun”. Aangeefster hierop: “Wat?”. Verdachte antwoordt: “Dat alleen hun weten”.

Verdachte heeft – nadat de verklaring van aangeefster over het seksuele contact in het speeltuintje is voorgehouden – verklaard dat hij één keer met aangeefster op die plek is geweest en met haar op het bankje heeft gezeten in het speeltuintje in [plaats] .

Juridisch kader

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Getuigen van het misbruik zelf zijn er meestal niet. Als de verdachte ontkent, staan die verklaringen lijnrecht tegenover elkaar. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken.

Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet dus altijd steunbewijs zijn en dit steunbewijs mag niet uit dezelfde bron komen. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval er geen ander bewijs is dat de verklaring van de aangever voldoende ondersteunt.

Uit deze jurisprudentie volgt verder dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de belastende verklaring, meestal: het misbruik zelf) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op concrete punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De andere bron moet dan het bewijs opleveren van de specifieke omstandigheden of concrete context waarbinnen het misbruik zou zijn gebeurd.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

Het hof stelt vast dat de verklaringen die aangeefster op 18 september 2020 bij het informatief gesprek zeden en op 6 oktober 2020 bij de politie heeft afgelegd consistent, gedetailleerd en authentiek zijn. Aangeefster heeft consistent verklaard over wat er tussen haar en verdachte heeft plaatsgevonden. Zij heeft gedetailleerd verklaard over hoe en welke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en zij heeft verklaard over specifieke details, bijvoorbeeld waar zij waren, wat ze daarvoor aan het doen waren, wat verdachte tegen haar heeft gezegd en over het niet gebruiken van een condoom. Ook heeft zij over bepaalde dingen gezegd dat zij zich dat niet meer kan herinneren of dat zij dat niet exact weet, waardoor haar verklaring authentiek overkomt. Anders dan de verdediging, beoordeelt het hof haar verklaring als betrouwbaar. Het hof ziet in het dossier en in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door haar afgelegde verklaring te twijfelen. De verklaring van aangeefster vindt bovendien voldoende steun in ander bewijsmateriaal en komt op belangrijke onderdelen overeen met wat zij hierover heeft verteld aan anderen.

Het hof vat het verweer van de verdediging (om de verklaringen van aangeefster niet te gebruiken voor het bewijs) zo op dat niet om formele bewijsuitsluiting wordt verzocht, maar dat het hof bij de waardering van het bewijs geen waarde dient te hechten aan de verklaringen van aangeefster wegens haar onbetrouwbaarheid. Nu het hof aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig acht, verwerpt het hof dit verweer van de verdediging.

Slaapkamer (eerste incident)

Op grond van de hiervoor weergegeven verklaring van aangeefster dat verdachte met zijn “ding erin is geweest”, stelt het hof vast dat verdachte met zijn penis tussen de schaamlippen en in de vagina van aangeefster is gegaan toen zij in haar bed lagen. Deze verklaring vindt onder andere steun in de verklaring van de moeder van aangeefster. De moeder heeft verklaard dat aangeefster met verdachte naar haar slaapkamer was geglipt en dat aangeefster haar de ochtend erna vertelde dat seksueel contact had plaatsgevonden en dat getuige daarbij zag dat er bloed druppelde. De moeder van aangeefster heeft haar eigen waarnemingen gedaan die aansluiten op de verklaring van aangeefster. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij na het seksueel contact iets voelde en dat zij zag dat zij bloedde en een snee boven haar vagina had.

Het voorgaande wordt bovendien ondersteund door de app-berichten die aangeefster en verdachte naar elkaar hebben gestuurd. Uit die berichten leidt het hof af dat verdachte ervan op de hoogte was dat aangeefster bloedde en dat aangeefster en verdachte klaarblijkelijk hebben besproken dat zij daarvoor mogelijk naar de dokter zou gaan.

Speeltuin (tweede incident)

Op grond van de hiervoor weergegeven verklaring van aangeefster dat verdachte met zijn piemel bij haar naar binnen is gegaan in het speeltuintje terwijl zij dit niet wilde, stelt het hof vast dat verdachte – andermaal – seksueel bij aangeefster is binnengedrongen. Deze verklaring van aangeefster vindt onder andere steun in de verklaring van verdachte, aangezien hij heeft verklaard dat hij samen met aangeefster in het door aangeefster beschreven speeltuintje is geweest. Het hof leidt verder uit de app-berichten die aangeefster en verdachte op 20 augustus 2020 naar elkaar hebben gestuurd af dat verdachte en aangeefster hebben gesproken over “ons neuken” en dat daarover door anderen werd gesproken. In de bevestigende reactie van verdachte in dat gesprek ziet het hof steun voor de verklaring van aangeefster dat seksueel contact heeft plaatsgevonden.

Alternatieve scenario

Het alternatieve scenario van de verdediging is gestoeld op de verklaring van verdachte dat verdachte en aangeefster op geen enkel moment seksueel contact met elkaar hebben gehad in de vorm van seksueel binnendringen. Het hof verwerpt dit verweer om de volgende redenen. Ten eerste leidt het hof uit de berichten tussen aangeefster en verdachte af dat verdachte en aangeefster hebben gesproken over “ons neuken”. Gelet op de bevestigende reactie van verdachte ziet het hof hierin een erkenning van verdachte dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster. Bovendien heeft verdachte in een gesprek met getuige [getuige 2] verklaard dat hij seksueel contact heeft gehad met aangeefster. Op basis van deze twee bronnen stelt het hof vast dat verdachte erkent dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden. Dit maakt zijn latere verklaring dat dit niet het geval zou zijn ongeloofwaardig. Het alternatieve scenario van de verdediging is daarmee niet aannemelijk geworden.

Ontucht

Het hof is tevens van oordeel dat het handelen van verdachte als ontuchtig is aan te merken. Er was geen sprake van een gering leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte; aangeefster was 14 jaar en verdachte was 18 jaar. Een dergelijk leeftijdsverschil is aanzienlijk in deze leeftijdsfase: aangeefster is een puber en verdachte is een jongvolwassene. Dat aangeefster en verdachte een affectieve relatie met elkaar hadden (gehad), maakt het voorgaande niet anders. Bovendien was er geen sprake van een gelijkwaardige relatie nu verdachte de nodige druk op aangeefster uitoefende in de relatie, wat onder andere blijkt uit de gesprekken tussen aangeefster en verdachte die de moeder van aangeefster heeft gehoord, de appberichten tussen verdachte en aangeefster en de waarnemingen van een vriendin van aangeefster ( [naam 5] ). De feitelijke ongelijkwaardigheid volgt verder uit de wijze waarop de twee incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte duidelijk de overhand had en een duidelijk overwicht had op aangeefster. Met name de wijze waarop het tweede incident in de speeltuin heeft plaatsgevonden onderstreept deze ongelijkwaardigheid, nu aangeefster daar steeds tegen verdachte zei dat ze het niet wilde en zelfs naar achteren richting verdachte heeft proberen te slaan, maar hij dat negeerde en toch doorging. Verdachte stopte pas toen zij begon te huilen.

Op grond van de voorgaande bewijsmiddelen en -overwegingen acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien geen gehele vrijspraak volgt, een psycholoog en een psychiater te benoemen teneinde onderzoek te laten verrichten naar verdachte. Dit onderzoek dient gericht te zijn op – zakelijk weergegeven – het volgende:

Het hof overweegt dat de raadsvrouw het verzoek baseert op de onderbouwing die zij eerder ook aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag heeft gelegd en waarvan het hof heeft geoordeeld dat die onderbouwing feitelijke grondslag mist. Ook anderszins is het hof de noodzaak tot het verrichten van het verzochte onderzoek niet gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland met [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2005) die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen van zijn penis tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [benadeelde] .

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit om in het geval van een veroordeling een korte voorwaardelijke straf of een taakstraf op te leggen. Hierbij heeft zij gewezen op het tijdsverloop en de gevolgen van de strafzaak voor verdachte.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een minderjarig meisje. Daarbij is verdachte op twee momenten seksueel bij haar binnengedrongen. Op die manier is verdachte over seksuele grenzen gegaan van iemand die daar nog niet aan toe was. Daar komt nog bij dat het hof – in tegenstelling tot de rechtbank – ook het tweede incident bewezen verklaart en dit incident feitelijk dicht in de buurt komt van een verkrachting. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van aangeefster. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later nadelige, psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster tot op heden nadelige gevolgen ondervindt van het handelen van verdachte. Verdachte heeft bovendien door zijn ontkennende houding geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen ten opzichte van aangeefster en voorts geen blijk gegeven van inzicht in de strafwaardigheid van zijn handelen. Het hof rekent dit verdachte aan.

De vraag is aan de orde of het jeugdstrafrecht of het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. Ten tijde van het bewezenverklaarde was verdachte achttien jaar en ongeveer één maand oud. Uitgangspunt is dat ten aanzien van de groep van 18- tot 23-jarigen in beginsel het volwassenenstrafrecht wordt toegepast, tenzij de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding geven voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Uit het reclasseringsrapport en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet gebleken dat sprake is van concrete aanknopingspunten die aanleiding geven om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het hof zal dus het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel zal bij de hoogte van de op te leggen straf nadrukkelijk rekening worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, zowel nu als ten tijde van de bewezenverklaarde periode.

Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 17 maart 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is verdachte sinds het onderhavige feit opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie voor verschillende feiten. Het hof kan deze nieuwe feiten niet meewegen in de strafmaat, maar vindt dit gedrag wel zorgelijk. Het hof ziet aldus in het strafblad van verdachte geen aanleiding om dit in strafverzwarende of strafmatigende zin mee te wegen.

Op basis van de ernst van het feit, waarbij het hof nadrukkelijk wijst op het tweede incident, is een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer gerechtvaardigd. Het hof neemt op basis van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, als uitgangspunt.

Vanwege de jeugdige leeftijd van verdachte en het tijdsverloop ziet het hof voldoende (pedagogische) redenen die maken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Om die reden zal het hof (met uitzondering van hetgeen in de volgende alinea is opgenomen) geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. In plaats daarvan zal het hof een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren opleggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het taakstrafverbod ex artikel 22b, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Het betreft immers een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld (namelijk: acht jaren) en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Verdachte heeft in onderhavige zaak geen voorlopige hechtenis ondergaan. Hoewel het hof (zoals hiervoor overwogen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak niet passend acht zal het hof om uitvoering te geven aan het taakstrafverbod, inhoudende dat in dit soort zaken alleen een taakstraf mag worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen.

Wat betreft het tijdsverloop moet de behandeling op zitting met een eindarrest zijn afgerond binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte heeft op 21 maart 2022 hoger beroep ingesteld en dit arrest is van 29 april 2026. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaren. Deze aanzienlijke overschrijding is deels te wijten aan de verdediging, maar niet zodanig dat het de mate van overschrijding kan verklaren. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding enige matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Het hof acht, alles afwegende een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf van 240 uren passend. Het hof zal deze straf gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen in die zin dat de op te leggen taakstraf 180 uren bedraagt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 6.867,94 ingediend, bestaande uit € 1.867,94 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. Daarnaast is ook € 6.300,- aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.874,-, bestaande uit € 374,- aan proceskosten (conform het liquidatietarief voor kantonzaken) en € 1.500,- aan immateriële schade. De vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft per e-mailbericht voorafgaand aan de zitting en ter zitting aangegeven dat het in eerste aanleg ingediende verzoek tot schadevergoeding uitsluitend wordt gehandhaafd voor wat betreft de gevorderde immateriële schade (dus tot een bedrag van € 5.000,-) en de proceskosten conform het liquidatietarief, zoals de rechtbank heeft beslist (dus tot een bedrag van € 374,-). De gevorderde materiële schade wordt niet gehandhaafd en behoeft derhalve geen beslissing van het hof.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft – voor zover hier van toepassing – volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Uit de jurisprudentie volgt dat dit laatste in zedenzaken, zeker als daarbij sprake is van seksueel binnendringen, vaak het geval is.

Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze. Daarnaast is blijkens een behandelplan van 5 maart 2026 bij de benadeelde partij PTSS gediagnosticeerd, waarbij uit het behandelplan concreet blijkt dat deze diagnose verband houdt met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Verdachte is dan ook op grond van voornoemd artikel gehouden tot vergoeding van die schade.

Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen: tamelijk ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal, omdat het gaat om ontucht op twee verschillende momenten in een relatief korte periode waarin verdachte en benadeelde een relatie hadden (gehad). De in beginsel aangewezen bandbreedte voor schadevergoeding binnen deze categorie betreft € 1.500,- tot € 6.000,-. Relevante factoren voor de omvang van het smartengeld zijn onder andere (III) handelswijze van de dader (manipulatief, de mate van dwang, geweld, etc.), (VII) kwetsbaarheid en leeftijd en het leeftijdsverschil met de dader en (VIII) aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde. Gelet op de toelichting namens de benadeelde partij en de relevantie van voorgaande factoren acht het hof het gevorderde bedrag van € 5.000,- als smartengeld billijk en zal de vordering tot immateriële schade dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade door de benadeelde partij is geleden. Het hof kan in dit geval echter niet vaststellen wanneer de schade precies is geleden. Het hof zou daarvoor het onderzoek moeten heropenen en daarmee vormt het exact vaststellen van de ingangsdatum van de rente een onevenredige belasting van het strafgeding. Het hof zal daarom ten aanzien van de aanvangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente uitgaan van de einddatum van de bewezenverklaarde periode: 31 augustus 2020.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Proceskosten

Bij begroting van de door de benadeelde partij gemaakte kosten moet aansluiting worden gezocht bij de maatstaf die wordt gehanteerd in civiele procedures. In artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat alleen de kosten genoemd in de artikelen 237 tot en met 240 Rv voor vergoeding in aanmerking komen. Deze artikelen bevatten een limitatieve en exclusieve regeling ten aanzien van de proceskosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld.

Namens de benadeelde partij is ter zitting toegelicht dat enkel de proceskosten van eerste aanleg worden gevorderd. De advocaat van de benadeelde partij in hoger beroep, mr. M.J. Ellenbroek, vordert geen proceskosten wegens de aan haar verstrekte toevoeging. Er was geen toevoeging afgegeven in eerste aanleg, waardoor de proceskosten in eerste aanleg wel worden gevorderd. Gelet daarop zal het hof de proceskosten voor de procedure in hoger beroep vaststellen op nihil.

Het hof zal conform de rechtbank een bedrag voor proceskosten in eerste aanleg toewijzen op grond van het liquidatietarief voor kantonzaken. Deze kosten komen op grond van artikel 238, tweede lid, Rv voor vergoeding in aanmerking. Aangezien enkel de proceskosten in eerste aanleg worden gevorderd zal het hof het tarief hanteren dat overeenkomt met de in eerste aanleg toegewezen vordering. In dit tarief wordt ten aanzien van vorderingen tot € 2.500,- ieder punt gewaardeerd op € 187,-. De advocaat van de benadeelde partij in eerste aanleg, mr. K. Henkelman, heeft de vordering ingediend en ter zitting de vordering toegelicht. Dat betekent dat het hof een bedrag van in totaal € 374,- (2 punten) voor proceskosten zal toewijzen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de proceskosten voor de eerste aanleg niet kunnen worden toegewezen, omdat de benadeelde partij recht had op een toevoeging, maar deze niet heeft aangevraagd. In strafzaken wordt, net zoals in civiele zaken, van het bestaan van een toevoeging aan de zijde van de in het gelijkgestelde partij geabstraheerd en kan begroting van de kosten van rechtsbijstand plaatsvinden op basis van het liquidatietarief (ECLI:NL:HR:2019:87). De vraag of aan een partij die proceskosten vordert al dan niet een toevoeging is verstrekt en de vraag of een dergelijke partij recht had op verstrekking daarvan, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt, is daarbij niet van belang.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 179 (honderdnegenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 374,- (driehonderdvierenzeventig euro).

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,- (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2020.

Aldus gewezen door

mr. O.G. Schuur, voorzitter,

mr. J.L.F. Groenhuijsen en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,

en op 29 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. O.G. Schuur
  • mr. J.L.F. Groenhuijsen
  • mr. M.E. van der Werf

Griffier

  • mr. A.S. Janssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand