GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.230
zaaknummer rechtbank Midden Nederland 590766
arrest in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
1. Civitas Christiana
die is gevestigd in Groesbeek
2. [bestuurder van Civitas]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de voorzieningenrechter optraden als gedaagde partijen
hierna samen: Civitas c.s. en ieder afzonderlijk: Civitas en [bestuurder van Civitas]
advocaat: mr. R.R. Surquin
tegen
Stichting Rutgers
die is gevestigd in Utrecht
en bij de voorzieningenrechter optrad als eisende partij
hierna: Rutgers
advocaat: mr. A. Bekema
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Civitas c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 17 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de nagekomen productie P van Civitas c.s.
de akte aanvullende producties van Rutgers
het nagekomen stuk van Civitas c.s. van 7 april 2026
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 9 april 2026.
2. De kern van de zaak
Rutgers heeft lesmateriaal ontwikkeld dat scholen kunnen gebruiken voor relationele en seksuele voorlichting. Ieder jaar wordt op basisscholen de Week van de Lentekriebels gehouden waarbij aandacht wordt besteed aan relationele en seksuele voorlichting. Civitas heeft net voor deze week in 2025 het Zwartboek Lentekriebels (hierna: Zwartboek) gepubliceerd op haar website en verspreid onder in ieder geval politici en ministeries. In het Zwartboek brengt Civitas Rutgers in verband met pedofilie en schrijft zij dat Rutgers kinderen ‘seksualiseert’. Daarnaast heeft Civitas diverse artikelen op haar website en op verschillende sociale mediakanalen geplaatst, waarin zij zich zeer kritisch uitlaat over Rutgers en de Week van de Lentekriebels. Volgens Rutgers zijn deze publicaties en uitingen over haar onrechtmatig.
Rutgers heeft bij de voorzieningenrechter onder meer een verbod gevorderd tot (verdere) verspreiding van het Zwartboek, een bevel aan Civitas c.s. om onrechtmatige uitingen over Rutgers en haar lesmateriaal te staken en gestaakt te houden en een bevel tot het plaatsen en verspreiden van rectificaties. Civitas c.s. hebben van hun kant onder meer een bevel gevorderd dat Rutgers iedere verspreiding van onrechtmatige uitingen over Civitas c.s. staakt en gestaakt houdt en een bevel tot het versturen van rectificaties.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Rutgers voor een belangrijk deel toegewezen. Civitas c.s. is een verbod opgelegd om het Zwartboek verder te verspreiden (6.1 vonnis) en een gebod om bepaalde uitingen over Rutgers te staken en gestaakt te houden (6.2 vonnis). De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Civitas c.s. afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van Civitas c.s. is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen, met uitzondering van het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod en gebod in 6.1 en 6.2 van het vonnis als het gaat over het in verband brengen van Rutgers met pedofilie. Daarnaast hebben Civitas c.s. in hoger beroep hun eigen vordering beperkt tot uitingen van Rutgers met de strekking dat Civitas een ‘perverse’ mening huldigen.
Beslissing van het hof in dit kort geding
Het hof zal het verbod om het Zwartboek verder te verspreiden in stand laten en het gebod inzake het seksualiseren van kinderen nader afbakenen. Het hof zal de afwijzing van de vorderingen van Civitas c.s. in stand laten. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot dit oordeel komt.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Opbouw van dit arrest en beperkingen in kort geding
Het hof zal eerst kort de relevante feiten noemen en daarna ingaan op de positie van [bestuurder van Civitas] en het spoedeisend belang bij de vorderingen aan beide zijden. Daarna zal het hof de bezwaren van Civitas tegen het vonnis van de voorzieningenrechter beoordelen. Daarbij gaat het -net zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen- het bestek van een kort geding te buiten om alle genoemde onrechtmatige uitlatingen en het verweer tegen al die uitlatingen te behandelen. Het hof oordeelt in dit kort geding op basis van de vraag of partijen -in het licht van de bezwaren van Civitas tegen het vonnis- hun vorderingen aannemelijk hebben gemaakt. Alle oordelen hierna zijn daarom voorlopige oordelen.
Feiten
Het hof gaat uit van de feiten zoals de voorzieningenrechter die in rechtsoverweging 3.1 tot en met 3.11 van het vonnis heeft opgenomen. Kort samengevat gaat het om het volgende.
Rutgers is het onafhankelijke kennis- en expertisecentrum seksuele gezondheid en seksualiteit van Nederland. Zij ontwikkelt ook lesmateriaal voor scholen. Civitas is een stichting die in haar eigen woorden "vecht voor de overwinning van de christelijke tradities, het gezin en de vrijheid van Nederland. Tegen het oprukkende multiculturalisme, de genderideologie en de cultuur van de dood." [bestuurder van Civitas] is bestuurder van Civitas en het gezicht van de stichting. Civitas maakt gebruik van online campagneplatforms, waaronder het platform ‘Gezin in Gevaar’.
Scholen in het basisonderwijs zijn sinds 2012 wettelijk verplicht om leeftijdsadequate relationele en seksuele voorlichting te geven aan hun leerlingen. De scholen zijn vrij in de wijze waarop zij dit invullen. Zij kunnen daarbij gebruik maken van door het RIVM erkende lesmethodes, waaronder ‘Kriebels in je Buik’ van Rutgers (hierna: het lesmateriaal).
De ‘Week van de Lentekriebels’ is een jaarlijkse projectweek voor het basisonderwijs, die wordt georganiseerd door scholen zelf, in samenwerking met Rutgers en de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD). De week vindt al 20 jaar plaats en heeft tot doel om scholen goed te kunnen laten starten met het geven van relationele en seksuele voorlichting.
Op het platform ‘Gezin in Gevaar’ richt Civitas zich tegen de ‘Week van de Lentekriebels’ en tegen Rutgers. Civitas heeft het Zwartboek geschreven en dit vanaf maart 2025 in groten getale verspreid onder andere aan verschillende ministeries en politici. Ook kan het via haar website worden besteld of als e-book worden gedownload. Op de achterkant van het Zwartboek staat:
Heeft u zich ooit afgevraagd wat kinderen nu echt leren tijdens de Week van de
Lentekriebels? Dit boek legt de schokkende waarheid bloot over hoe Rutgers
schoolkinderen seksualiseert van ons belastinggeld.
Jarenlang hebben ouders en critici gestreden voor transparantie, terwijl Rutgers haar lesmateriaal in hel duister hield. Nu heeft Gezin in Gevaar toegang gekregen tot datgene wat het daglicht niet kan verdragen.
Dit boek is onmisbaar voor ouders van schoolgaande kinderen, en iedereen die zich zorgen
maakt over hun toekomst. In Zwartboek Lentekriebels leest u de harde feiten over het
seksualiserende 'onderwijs’ van Rutgers; van kinderzelfbevrediging tot transgenderindoctrinatie, en van het bekijken van (elkaars) geslachtsdelen tot het leren van
gebruiken van seksueel stimulerende voorwerpen.
Het Zwartboek telt 80 bladzijden. De inleiding sluit af met de volgende disclaimer’:
EEN PRINCIPIEEL, NIET EEN PERSOONLIJK STANDPUNT
Met het uitbrengen van deze brochure willen we niemand kwetsen of beledigen. We worden niet gedreven door haat richting personen. Ons geestelijk verzet tegen Rutgers en anderen die de schadelijke genderideologie verspreiden, heeft enkel als bedoeling de onschuld van kinderen te verdedigen en het traditionele huwelijk dat zij verdienen als veilige omgeving om in op te groeien.
Wij veroordelen en verwerpen iedere vorm van geweld. We oefenen eenvoudigweg onze vrijheid uit als kinderen van God (Rom.8:21) en ons recht op vrije meningsuiting en het openhartig, ongegeneerd en openbaar belijden van ons geloof. Wij verzetten ons tegen
argumenten met andere argumenten. Deze zijn gebaseerd op de rechte rede, de natuurwet en Goddelijke openbaring.
Daarna volgt hoofdstuk 1: ‘De agenda achter de Lentekriebels’, waarin wordt ingegaan op het 'duister verleden van pedofiel activisme’ van Rutgers. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 tot en met 5 ingegaan op het lesmateriaal van 'Kriebels in je Buik’ voor de diverse groepen van de basisschool en op de inhoud van diverse boeken op de boekenlijst. In het laatste hoofdstuk 6: 'Wat kinderen niet wordt verteld’ wordt met name ingegaan op wat kinderen volgens Civitas wel en niet moet worden bijgebracht. Dit hoofdstuk sluit af met een oproep om in actie te komen tegen de Week van de Lentekriebels en acht tips voor ouders over wat je tegen de Lentekriebels kan doen en een korte toelichting over de campagne ‘Gezin in Gevaar’.
Positie van [bestuurder van Civitas] in hoger beroep
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Rutgers tegen [bestuurder van Civitas] afgewezen en Rutgers heeft daar geen hoger beroep tegen ingesteld. Het hoger beroep van [bestuurder van Civitas] heeft daarom uitsluitend betrekking op de afwijzing van zijn proceskostenveroordeling. Het hof zal daar later in deze uitspraak op ingaan.
Spoedeisend belang Rutgers
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Rutgers een spoedeisend belang had bij haar vorderingen. Dat spoedeisend belang heeft Rutgers ook bij het in stand laten van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Voor zover nog in hoger beroep van belang, stelt Rutgers dat Civitas onrechtmatig handelt door het publiceren van diverse uitingen waarin Civitas Rutgers ten onrechte beschuldigt van het seksualiseren van kinderen in haar lesmateriaal. Als uitgangspunt geldt dat het spoedeisend belang bij een verbodsvordering in beginsel is gegeven zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Civitas heeft hoger beroep ingesteld om haar uitingen over Rutgers en het lesmateriaal te kunnen voortzetten, zodat sprake is van een (dreiging) van de voortzetting van de gestelde onrechtmatige uitlatingen. Rutgers heeft ook nog voorbeelden overgelegd van latere uitlatingen van de zijde van Civitas die volgens Rutgers evenzeer onrechtmatig zijn.
Spoedeisend belang Civitas
Ook Civitas baseert haar vorderingen op de aantasting van haar eer en goede naam doordat -voor zover in hoger beroep nog van belang- Rutgers haar op onrechtmatige wijze ‘pervers’ noemt. Zoals hiervoor overwogen, geldt als uitgangspunt dat het spoedeisend belang bij een verbodsvordering in beginsel is gegeven zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens Rutgers verklaard dat het woord pervers uitsluitend in de processtukken van Rutgers is gebruikt, maar nergens door Rutgers (online) is gepubliceerd. Civitas heeft in haar stukken niet onderbouwd dat en waar Rutgers publiekelijk uitlatingen heeft gedaan waarin zij Civitas ‘pervers’ noemt of daarmee in verband heeft gebracht. Civitas verwijst alleen naar punt 6 van de dagvaarding van Rutgers, maar zij heeft op de mondelinge behandeling bij het hof (terecht) verklaard dat de processtukken niet hoeven te worden aangepast. Van de zijde van Rutgers is ook verklaard op die mondelinge behandeling dat zij het woord ‘pervers’ ten opzichte van Civitas achterwege kan laten.
In het licht van deze omstandigheden heeft Civitas onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een (dreiging) van voortzetting van de gestelde onrechtmatige uitlatingen door Rutgers en ontbreekt spoedeisend belang bij haar vorderingen. De vorderingen van Civitas zullen daarom worden afgewezen.
Geschikt voor kort geding
Weliswaar zitten er beperkingen aan een kortgedingprocedure (zie hiervoor in 3.1), maar dat wil niet zeggen dat deze zaak te complex of niet geschikt is voor een oordeel in kort geding. Aan de hand van de stellingen van partijen is het goed mogelijk om een afweging te maken tussen botsende rechten en belangen van partijen. Anders dan Civitas aanvoert, komt het oordeel van de voorzieningenrechter niet neer op een definitief oordeel over de toelaatbaarheid van een publicatie en het daarmee verband houdende maatschappelijke debat. Zoals hiervoor in 3.1 toegelicht, gaat het in een uitspraak in kort geding om voorlopige oordelen. Partijen kunnen hun geschil nog in volle omvang aan een bodemrechter voorleggen, die niet gebonden is aan de oordelen in kort geding.
Toetsingskader
De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.7 het toetsingskader benoemd waartegen de vorderingen van Rutgers beoordeeld moeten worden. Tegen dat kader heeft Civitas geen bezwaren geuit en het hof gaat daar ook van uit. Het gaat hier om een botsing tussen twee rechten, namelijk het recht op vrijheid van meningsuiting van Civitas tegenover het recht op eerbiediging van de eer en goede naam van Rutgers. Civitas doet ook een beroep op de vrijheid van godsdienst, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat zij dit recht plaatst in het kader van de vrijheid van meningsuiting. Het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM).
Artikel 7 van de Grondwet luidt voor zover relevant:
1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. (…)
3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (…)
4. (…)
Artikel 10 EVRM luidt voor zover relevant:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (…)
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (…) de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen (…).
Zoals ook volgt uit deze bepalingen, is de vrijheid van meningsuiting niet onbegrensd. Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Daarnaast moet de beperking noodzakelijk zijn in het belang van de rechten van de ander; de beperking moet proportioneel zijn. Het hof moet een belangenafweging maken tussen het belang van Civitas om vanuit haar christelijke visie haar mening vrij te kunnen uiten en het belang van Rutgers om beschermd te worden tegen ongefundeerde beschuldigingen. Deze belangenafweging hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, zoals:
de aard, inhoud en vorm van de uitlatingen;
de ernst -bezien vanuit het algemeen belang- van de misstand die aan de kaak wordt gesteld;
de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben en de mogelijkheid om het nagestreefde doel op een minder schadelijke wijze te bereiken;
e mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal;
de maatschappelijke positie van degene op wie die uitlatingen betrekking hebben.
Het Zwartboek
Hierna zullen deze omstandigheden worden besproken voor het Zwartboek.
a) de aard, inhoud en vorm van de uitlatingen
Het Zwartboek heeft als ondertitel ‘hoe Rutgers schoolkinderen seksualiseert’ waarbij een meisje is afgebeeld dat verschrikt kijkt en van achteren wordt vastgehouden door een man. Op de achterkant staat dat dit boek ‘de schokkende waarheid’ blootlegt over het seksualiseren van kinderen door Rutgers. In de laatste alinea staat dat in het Zwartboek de ‘harde feiten over het seksualiserende ‘onderwijs’ van Rutgers’ kunnen worden gelezen (zie hiervoor in 3.6). Hierdoor vormt de omslag van het Zwartboek een directe aanval op Rutgers. De keuze voor deze vorm kleurt de inhoud. Die kleuring zet zich voort in het boek zelf. Zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld en in hoger beroep niet is bestreden door Civitas, wordt Rutgers in het Zwartboek op meerdere manieren in verband gebracht met pedofilie. Alleen al in hoofdstuk 1 staat dat Rutgers ‘een duister verleden van pedofiel activisme’ heeft, Rutgers pedofilie normaliseert en in bezit is van kinderpornografie. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 bespreekt Civitas delen uit het lesmateriaal en boeken uit de boekenlijst met haar (scherpe) mening daarover. In de hoofdstukken 2, 3 en 4 begint Civitas het hoofdstuk op de eerste pagina met de opmerking dat sprake is van seksuele indoctrinatie. In de hoofdstukken 5 en 6 schrijft Civitas onder meer over ‘de lhbt- en genderideologie’ van Rutgers.
Civitas voert aan dat haar uitlatingen in het Zwartboek waardeoordelen zijn die vallen binnen de vrijheid van meningsuiting. Dat strookt echter niet met wat zij schrijft op de achterkant van haar boek over ‘de schokkende waarheid’ en ‘de harde feiten’. Dat neemt niet weg dat ook diverse waardeoordelen te vinden zijn in het Zwartboek als het gaat om bepaalde beschrijvingen van het lesmateriaal.
b) de ernst -vanuit het algemeen belang- van de misstand
Civitas wil vanuit haar christelijke waarden een bijdrage leveren aan een maatschappelijk debat over de inhoud en strekking van seksuele en relationele voorlichting aan jonge kinderen. Daarbij noemt zij pedagogische, ethische en morele vraagstukken, zoals de waarden van het gezin. Ook Rutgers benadrukt dat Civitas het recht heeft om in stevige bewoordingen aan te geven dat zij vindt dat de benadering van Rutgers en haar lesmateriaal niet aan haar christelijke normen en waarden voldoen.
c) de ernst van de te verwachten gevolgen voor Rutgers en de mogelijkheid om het nagestreefde doel op een minder schadelijke wijze te bereiken
Door te kiezen voor een aanval op Rutgers en haar in verband te brengen met pedofilie kon Civitas verwachten dat de gevolgen voor Rutgers en haar medewerkers ernstig zouden zijn. Pedofilie is niet alleen een ernstig misdrijf, maar leidt ook tot heftige emoties bij mensen. Dat was Civitas uiteraard bekend. Het opnemen van een ‘disclaimer’ waarin Civitas schrijft dat zij niemand wil kwetsen of beledigen en iedere vorm van geweld veroordeelt (zie hiervoor in 3.7) maakt dit niet anders. Uit de overgelegde reacties die Rutgers heeft ontvangen, blijkt dat zij en haar medewerkers worden uitgescholden voor pedofielen en dat zij diverse bedreigingen hebben ontvangen.
Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft Civitas verklaard dat zij scherpe kritiek op de inhoud van het lesmateriaal en de suggesties die daarin worden gedaan wil uiten, maar dat het haar niet gaat om de bedoelingen van Rutgers achter het lesmateriaal. Zij heeft ook verklaard dat zij niet over de intenties van mensen kan oordelen en juist probeert uit te gaan van goede intenties. Hieruit kan worden afgeleid dat Civitas ook zelf onderkent dat het aan de kaak stellen van de wijze waarop Rutgers invulling geeft aan de Week van de Lentekriebels en het bekritiseren van het lesmateriaal van Rutgers ook mogelijk is zonder Rutgers in verband te brengen met pedofilie en haar de intentie toe te schrijven schoolkinderen te seksualiseren.
d) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal
Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de beschuldiging dat Rutgers in verband kan worden gebracht met pedofilie geen steun vindt in het feitenmateriaal is in hoger beroep niet bestreden. Datzelfde geldt voor de beschuldiging over het in bezit hebben van kinderpornografie.
Zoals Civitas terecht opmerkt, wordt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een onderscheid gemaakt tussen feitelijke stellingen en waardeoordelen. Waardeoordelen kunnen niet worden ‘bewezen’. Dat neemt echter niet weg dat volgens het EHRM ook bij waardeoordelen een voldoende feitelijke grondslag moet bestaan voor die uitlating. Daarbij geldt: hoe ernstiger de beschuldiging is, hoe steviger de feitelijke grondslag dient te zijn. Van een ernstige uitlating, zoals een beschuldiging van strafbaar handelen, mag daarom een stevige feitelijke onderbouwing worden verwacht.
Naast het ontbreken van een feitelijke onderbouwing inzake pedofilie en kinderpornografie, heeft Civitas ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Rutgers kinderen seksualiseert in die zin dat zij kinderen aanzet tot seksuele handelingen. De bezwaren tegen de oordelen van de voorzieningenrechter over het in verband brengen van Rutgers met het seksualiseren van kinderen zullen hierna vanaf 3.29 verder worden besproken.
e) de maatschappelijke positie van degene op wie die uitlatingen betrekking hebben
Rutgers is een stichting die subsidie ontvangt voor haar werkzaamheden. Zij is geen overheidsinstantie; zij is een onafhankelijk expertisecentrum op het gebied van seksualiteit en daarmee een stichting die zich manifesteert op een publiek gevoelig domein. Dit brengt mee dat zij meer kritiek moet dulden dan bijvoorbeeld een natuurlijk persoon. Dat zij geen subsidie ontvangt voor het lespakket doet daar niet aan af.
De omstandigheden gezamenlijk beoordeeld
Deze omstandigheden in samenhang beoordeeld brengen mee dat de belangen van Rutgers om beschermd te worden tegen ongefundeerde beschuldigingen zwaarder wegen dan het belang van Civitas om het Zwartboek (verder) te mogen verspreiden. Bij deze afweging speelt een belangrijke rol dat Civitas haar nagestreefde doel ook op een minder schadelijke wijze kan bereiken. Zij heeft de mogelijkheid om vanuit haar christelijke visie haar mening te uiten over de aanpak van Rutgers, de Week van de Lentekriebels en het lesmateriaal zonder Rutgers -zonder feitelijke grondslag- te beschuldigen van pedofilie, indoctrinatie en het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen. Dat Rutgers meer kritiek moet dulden, maakt niet dat zij dergelijke ernstige beschuldigingen moet accepteren.
Volledig verbod Zwartboek proportioneel
Civitas betoogt dat het verbod op verspreiding van het Zwartboek disproportioneel is. Daarbij wijst zij op het oordeel van de voorzieningenrechter dat het Zwartboek lange passages bevat waarin niets onrechtmatigs is te vinden. Volgens Civitas is het verbod te verstrekkend en moet een minder verstrekkende maatregel worden opgelegd, zoals het blokkeren of herzien van specifieke delen, het opnemen van een disclaimer of het verplicht rectificeren van bepaalde passages.
In deze kortgedingprocedure ligt de beoordeling voor van het gevorderde verbod inzake het Zwartboek zoals dat door Rutgers is overgelegd. Daarin staan vergaande beschuldigingen aan het adres van Rutgers over pedofilie, kinderpornografie en het aanzetten van jonge kinderen tot seksuele handelingen. De onrechtmatigheid van deze uitlatingen rechtvaardigen een algeheel verbod in kort geding om dit Zwartboek verder te verspreiden. Het gaat de grenzen van een kort geding te buiten om per pagina van het Zwartboek te beoordelen welke uitlatingen al dan niet onrechtmatig zijn en daarop aangepaste maatregelen op te leggen. Bovendien brengt het hiervoor gegeven oordeel -dat het recht op vrijheid van meningsuiting van Civitas door verspreiding van het Zwartboek minder zwaar weegt dan het recht van Rutgers- mee dat deze inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM.
Het gebod over ‘het seksualiseren van kinderen’
De voorzieningenrechter heeft in 6.2 van het vonnis het volgende gebod opgelegd:
gebiedt Civitas met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis om iedere
openbaarmaking en verspreiding van uitingen over Rutgers, de Week van de Lentekriebels
en het Lespakket Kriebels in je Buik, waarin Rutgers in verband wordt gebracht met
pedofilie en het seksualiseren van kinderen en termen van gelijke betekenis, te staken en
gestaakt te houden.
Volgens Civitas is dit gebod te categorisch en disproportioneel. Volgens haar is het begrip ‘seksualiseren van kinderen’ de centrale kwalificatie waarmee zij haar waardeoordeel vormgeeft. Zij beschouwt kinderen in groep 1 tot en met 8 als niet-seksuele wezens waarbij hun belevingswereld primair draait om spel, sociale ontwikkeling en cognitieve groei. Het lesmateriaal introduceert volgens haar op diverse momenten expliciete of suggestieve thema's die deze natuurlijke ontwikkelingsfase doorkruisen. Het bespreken van seksuele voorkeuren, geslachtsdelen of seksuele gedragingen in het lesmateriaal is naar de mening en het waardeoordeel van Civitas niet passend voor jonge kinderen.
Afbakening gebod
Het staat Civitas vrij om haar mening te geven over het lesmateriaal van Rutgers en de boeken die in het lesmateriaal worden genoemd of op de boekenlijst op de website van Rutgers staan. Die mening mag scherp zijn en zij mag daarbij het begrip ‘seksualiseren van kinderen’ gebruiken als de strekking van die kritiek is dat zij vindt dat kinderen op te jonge leeftijd deze (expliciete) seksuele voorlichting krijgen. Zoals de voorzieningenrechter ook in rechtsoverweging 4.21 van het vonnis overweegt, vallen dergelijke uitlatingen onder de vrijheid van meningsuiting. Anders dan Rutgers lijkt te betogen, hoeven die uitingen niet wetenschappelijk te zijn onderbouwd. Civitas mag kritiek hebben op de Week van de Lentekriebels en het lesmateriaal zonder dat die mening is gebaseerd op wetenschap. Dat geldt ook als het lesmateriaal zelf wel is gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken.
De kritiek van Civitas gaat echter verder dan dat. Zij beschuldigt Rutgers ervan dat zij de bedoeling heeft om kinderen te seksualiseren. Civitas schrijft in diverse bewoordingen dat Rutgers jonge kinderen seksualiseert, in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen. Ook als het betoog van Civitas wordt gevolgd dat dit allemaal waardeoordelen zijn, moeten die uitlatingen een voldoende feitelijke grondslag hebben. Dat heeft Civitas niet aannemelijk gemaakt. Het wijzen op diverse voorbeelden uit het lesmateriaal die volgens haar te expliciet en seksualiserend zijn, is geen onderbouwing voor haar beschuldiging dat Rutgers met haar lesmateriaal kinderen wil aanzetten tot seksuele handelingen. Rutgers heeft uitgebreid onderbouwd dat zij met haar lesmateriaal een bijdrage wil leveren aan een gezonde ontwikkeling van kinderen. Haar lesmateriaal bevat bovendien een door het RIVM erkende lesmethode.
Het hof merkt hierbij op dat uit de onderbouwing van Rutgers juist blijkt dat haar doel in essentie niet anders is dan het doel dat Civitas voor haar campagne noemt, namelijk het beschermen van kinderen. De wijze waarop partijen dit doen ligt weliswaar heel ver uit elkaar, maar dat geeft geen vrijbrief aan Civitas om Rutgers te beschuldigen van het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen of erger. Door dergelijke bedoelingen toe te schrijven aan Rutgers, ontstaat ook het risico op (ernstige) gevolgen voor haar en haar medewerkers. Dat is de grens die ligt besloten in artikel 10 lid 2 van het EVRM.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Civitas onder meer verklaard dat het zij het noodzakelijk vindt om erop te kunnen wijzen dat het lesmateriaal niet alleen neutrale informatie bevat, maar ook dat de agenda erachter liberaal en antichristelijk is, waarbij dingen worden gepromoot die Civitas als zonden beschouwd, zoals zelfbevrediging. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens Civitas ook verklaard dat zij campagnes wil voeren die zijn gericht tegen een persoon, en in dit geval tegen een organisatie. Rutgers heeft zich in dit kort geding niet verzet tegen termen als liberaal en antichristelijk, maar wel tegen beschuldigingen waarin zij wordt weggezet als een agressor of kwade genius met slechte intenties tegenover kinderen. Zoals uit het voorgaande volgt, mag een campagne weliswaar gericht zijn tegen Rutgers, maar alleen zolang dat niet leidt tot ongefundeerde beschuldigingen aan haar adres, zoals dat Rutgers kwade of verkeerde bedoelingen heeft met haar lesmateriaal.
Dit brengt mee dat het Civitas niet vrij staat om Rutgers te beschuldigen van het seksualiseren van kinderen in de zin van het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen, noch mag zij suggereren dat het de agenda van Rutgers is omdat te doen. Omdat het gebod in 6.2 van het vonnis ook betrekking heeft op ‘termen van gelijke betekenis’, heeft dit gebod tot onduidelijkheid geleid tussen partijen. Het hof zal daarom dat gebod nader afbakenen door Civitas een verbod op te leggen om uitlatingen te doen waarin zij Rutgers de bedoeling toedicht of waarin zij de suggestie wekt dat Rutgers de bedoeling heeft om kinderen te seksualiseren in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen.
Voorbeelden
In randnummer 3.11 van de memorie van grieven heeft Civitas voorbeelden gegeven uit het lesmateriaal van Rutgers waarin zij vervolgens het standpunt van Civitas weergeeft over het betreffende voorbeeld. Het gaat dan om uitingen zoals ‘Naar het oordeel van Civitas is dit te expliciet en seksualiserend’, ‘Naar het oordeel van Civitas is dit onnodig intiem voor kinderen in groep 6’ of ‘… is dit onnodig ongepast seksueel voor kinderen (…)’, of ‘…is dit voor kinderen (…) te seksueel en immoreel’. Deze uitlatingen geven een duidelijke mening over concrete voorbeelden uit het lesmateriaal van Rutgers. Dat valt binnen de vrijheid van meningsuiting, hetgeen door Rutgers tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ook is beaamd. Civitas heeft daarop verklaard dat zij wil kunnen uiten dat het lesmateriaal te expliciet en seksualiserend is zonder erbij te moeten zeggen dat dit haar mening is, omdat zij zich baseert op geloofsprincipes, die universeler zijn dan een mening. Rutgers wijst erop dat Civitas haar kritiek vaak als feit poneert, waardoor Rutgers als agressor wordt weggezet. Daarop heeft Civitas verklaard dat het nooit de bedoeling is geweest om nadruk te leggen op de kwade bedoelingen erachter en dat het geen probleem is om zich daarvan te onthouden, maar dat zij scherpe kritiek op de inhoud van de lessen wil kunnen geven.
Scherpe kritiek geven op de inhoud van de lessen is toegestaan als Civitas zich daarbij baseert op voldoende feitelijke grondslag. Dat brengt mee dat als wordt geciteerd uit het lesmateriaal van Rutgers, Civitas dat op een zorgvuldige en niet misleidende wijze moet doen. Het kan bijvoorbeeld misleidend zijn door zeer selectief te citeren. Zorgvuldig citeren is des te belangrijker, omdat de lezers van de berichten van Civitas zelf geen (directe) toegang hebben tot dit lesmateriaal. Het gebruik van “[gecensureerd]” in citaten van het lesmateriaal is bijvoorbeeld niet zorgvuldig. Daarmee worden bewust suggesties gewekt die niet hoeven overeen te stemmen met de daadwerkelijke tekst in het lesmateriaal.
In randnummer 3.40 heeft Civitas nog een aantal voorbeelden uit het Zwartboek opgenomen die volgens haar binnen de vrijheid van meningsuiting vallen. Ook al blijft het verbod om het Zwartboek (verder) te verspreiden in stand, zal het hof toelichten welke van deze voorbeelden in ieder geval binnen het op te leggen verbod vallen. Het gaat om de volgende voorbeelden:
Vandaar de 'oplossing' om kinderen seksuele begeerte 'aan te leren'. Daar is geen betere plek voor dan in het onderwijs, via de Week van de Lentekriebels, weg van de ouders...
De seksuele indoctrinatie die Rutgers kleuters wil inprenten loopt uiteen van het normaliseren
van ontkleed zijn tot het stimuleren van het betasten van geslachtsdelen.
Rutgers tracht deze zogenaamde 'aangeboren seksualiteit' ... in hun hedonistische mal te persen. In tegenstelling tot deze naar pedofilie riekende opvatting...
In deze voorbeelden beschuldigt Civitas Rutgers van het kinderen aanleren van seksuele begeerte, van seksuele indoctrinatie en van een naar pedofilie neigende opvatting. Dit zijn beschuldigingen waarin Rutgers de bedoeling wordt toegedicht kinderen te seksualiseren in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen. Daar bestaat, zoals hiervoor is geoordeeld, geen feitelijke grondslag voor.
Rectificaties
Uit het voorgaande volgt dat het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod en gebod grotendeels in stand blijven. Gelet op de ernstige beschuldigingen aan het adres van Rutgers dienden de opgelegde rectificaties een legitiem belang, hielden deze voldoende verband met de uitlatingen en waren deze proportioneel. Daarbij speelt een belangrijke rol dat uit de tekst van de rectificaties duidelijk volgt dat Civitas op grond van het oordeel van de voorzieningenrechter verplicht was om die rectificatie te sturen, dan wel te plaatsen. Het was dus niet het publiekelijk afstand nemen van haar eigen standpunt op een wijze die onherstelbaar is, zoals Civitas betoogt. Dat de maatregel op witte donderdag (de donderdag voor Pasen) werd opgelegd heeft geen invloed op de proportionaliteit van de maatregel. De datum van een uitspraak wordt niet bepaald door mogelijke feestdagen die daarvoor of daarna vallen.
Op de mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen bevestigd dat zij bij een wijziging van het verbod of gebod geen rectificatie van de eerder opgelegde rectificaties wensen. Het hof zal daarom de door de voorzieningenrechter opgelegde rectificaties in stand laten.
Opgelegde dwangsommen
Volgens Civitas leiden de hoogte en de formulering van de dwangsommen tot een feitelijke bestraffing in plaats van een pressiemiddel om de veroordeling na te leven. Bovendien leiden deze volgens haar tot zelfcensuur vanwege de onduidelijke grenzen van het opgelegde verbod, waardoor de opgelegde dwangsom onverenigbaar is met artikel 10 EVRM. Doordat het hof de veroordeling inzake uitingen waarin Rutgers in verband wordt gebracht met het seksualiseren van kinderen en termen van gelijke betekenis zal aanpassen en gelet op de voorbeelden die hiervoor zijn genoemd, gaat het hof ervan uit dat het voor partijen voldoende duidelijk is welke uitlatingen al dan niet binnen dat verbod vallen. Dat brengt mee dat Civitas het zelf in de hand heeft of zij dwangsommen verbeurt. Bovendien acht het hof een prikkel voor de nakoming van de opgelegde verboden -ook gelet op de uitingen van de zijde van Civitas na het vonnis- op zijn plaats.
Het hof ziet wel aanleiding om de formulering van de dwangsommen te verduidelijken in de hierna te geven beslissing, omdat de formulering in het vonnis kan leiden tot onduidelijkheden. Ook ziet het hof aanleiding om het maximum te verlagen tot € 50.000. Daarbij merkt het hof op dat deze wijziging van de dwangsom-formulering ertoe leidt dat de dwangsom die de voorzieningenrechter had opgelegd, tot het verminderde bedrag kan worden verbeurd in de periode tussen de betekening van het vonnis en de betekening van deze beslissing in hoger beroep. Dit geldt niet alleen voor de veroordelingen die het hof in stand laat, maar ook voor de veroordeling in 6.2 van het vonnis voor zover dat betrekking heeft op uitingen van Civitas waarin Rutgers in verband wordt gebracht met pedofilie, omdat dit gebod ongewijzigd wordt toegewezen.
Zoals hiervoor geoordeeld zal het hof het gebod inzake uitingen over het seksualiseren van kinderen aanpassen. Dit brengt mee dat het hof het gebod in 6.2 van het vonnis voor zover dat betrekking heeft op het seksualiseren van kinderen en termen van gelijke betekenis zal vernietigen en op een aangepaste wijze zal toewijzen. Dit brengt mee dat Civitas voor dit aangepaste verbod pas dwangsommen kan verbeuren na betekening van dit arrest.
Geen ruimte voor bewijslevering
Civitas heeft een (summier) bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet, vanwege de aard van het kort geding, geen ruimte voor bewijslevering.
Proceskosten [bestuurder van Civitas]
Het bezwaar van [bestuurder van Civitas] tegen de afwijzing van een kostenveroordeling ten gunste van hem slaagt. De vorderingen die Rutgers tegen hem had ingesteld zijn afgewezen. Dit brengt op grond van artikel 237 Rv mee dat Rutgers tegenover [bestuurder van Civitas] veroordeeld wordt in de proceskosten die [bestuurder van Civitas] voor zijn rechtsbijstand bij de voorzieningenrechter. De advocaten van [bestuurder van Civitas] hebben geen inschatting gegeven over welk deel van hun werkzaamheden betrekking had op de vorderingen tegen [bestuurder van Civitas] . Het hof zal daarom een bedrag toekennen dat overeenkomt met een half punt van tarief II (van € 614 per punt in 2025) voor handelszaken bij de rechtbank.
Omdat het bezwaar van [bestuurder van Civitas] tegen het vonnis slaagt en het verweer daartegen van Rutgers wordt afgewezen, wordt Rutgers ook in hoger beroep veroordeeld in de proceskosten van [bestuurder van Civitas] . Omdat het hier gaat om één bezwaar van de acht bezwaren van Civitas c.s. tegen het vonnis, zal het hof voor de twee proceshandelingen van de advocaten van [bestuurder van Civitas] een kwart punt van het geldende tarief toewijzen.
De conclusie
Civitas wordt ook in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld, zodat het hof Civitas tot betaling van de proceskosten in hoger beroep zal veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaat Utrecht van 17 april 2025, behalve de beslissing in 6.2 en 6.7 van het vonnis die hierbij wordt vernietigd en beslist als volgt:
gebiedt Civitas met onmiddellijke ingang na betekening van dit arrest om iedere
openbaarmaking en verspreiding van uitingen over Rutgers, de Week van de Lentekriebels
en het Lespakket Kriebels in je Buik, waarin Rutgers in verband wordt gebracht met
pedofilie te staken en gestaakt te houden;
verbiedt Civitas om uitingen te verspreiden of openbaar te maken waarin zij Rutgers de bedoeling toedicht of waarin zij de suggestie wekt dat Rutgers de bedoeling heeft om kinderen te seksualiseren in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen, zoals hiervoor toegelicht in 3.31 tot en met 3.39;
bepaalt dat Civitas een dwangsom verbeurt van € 1.000 voor iedere dag dat Civitas niet heeft voldaan of voldoet aan de veroordelingen onder 6.1 en 6.3 tot en met 6.6 van het vonnis en voor iedere uiting die in strijd is met het gebod in 4.2 en het verbod in 4.3 van dit arrest met een maximum van € 50.000;
veroordeelt Rutgers tot betaling van € 307 aan salaris van de advocaat van [bestuurder van Civitas] voor de procedure bij de voorzieningenrechter en tot betaling van € 322,50 aan salaris van de advocaat van [bestuurder van Civitas] voor de procedure in hoger beroep;
veroordeelt Civitas tot betaling van de volgende proceskosten van Rutgers:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.508 aan salaris van de advocaat van Rutgers (2 procespunten x het toepasselijke tarief II van € 1.290 per punt)
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, P.J. van der Korst en M.R. Heblij, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.