Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2024 met parketnummer 05-339871-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 mei 2026, 8 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.G. Roethof hebben aangevoerd, en wat namens de nabestaanden is aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van het veroorzaken van een dodelijk ongeval terwijl hij onder invloed was van alcohol (feit 1 primair) en het rijden onder invloed van alcohol (feit 2). De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Gelderland op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft aangenomen. Het hof bevestigt daarom het vonnis.
Roekeloosheid
Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat geen sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) in samenhang met artikel 6 WVW 1994. Het gevolg van de gedragingen van verdachte is te wijten aan het te hard rijden en het alcoholgebruik, waardoor hij de macht over het stuur is verloren. Verdachte is – buiten het enkele feit dat hij is gaan rijden op een busbaan – niet gevaarlijk gaan inhalen noch heeft hij anderszins gevaarlijke manoeuvres verricht. Het hof volgt daarom de redenering van de rechtbank in haar oordeel: verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden.
Oplegging van de straf in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep verzocht om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te matigen. Het hof heeft alle omstandigheden, zoals aangedragen in eerste aanleg en hoger beroep, afgewogen en komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank voor wat betreft de opgelegde straf.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J. Ouweneel, mr. M.J.A. Plaisier en mr. S. Kropman, en, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.