[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Vonnis
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002667-25
Uitspraakdatum: 29 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2025 met parketnummer 05-381951-24 in de strafzaak tegen:
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 15 april 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.L.O. van de Waarsenburg, en de benadeelde partij [benadeelde] ( [voorheen naam benadeelde] en hierna ook te noemen: [voorheen naam benadeelde] ) en haar advocaat mr. R. van Maaren hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld voor het meermaals plegen van handelingen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank een bijzondere voorwaarde verbonden, te weten: een contactverbod met het slachtoffer [voorheen naam benadeelde] . Ten slotte is beslist op de vordering van de benadeelde partij [voorheen naam benadeelde] .
De rechtbank heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde wegens verjaring van het recht tot strafvervolging.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank of hanteert het hof een andere motivering. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof verenigt zich dus nadrukkelijk ook met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.
Het hof zal aldus het vonnis bevestigen, met dien verstande dat:
Verbetering van gronden
Het hof is van oordeel dat de volgende voetnoot die door de rechtbank is gebruikt, dient te worden verbeterd, in die zin dat het hof verwijst naar een specifiek (kleiner) aantal pagina’s:
- Bij voetnoot 7 wordt door het hof verwezen naar ‘Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 134-138’.
Aanvulling van gronden
Seksueel binnendringen
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn penis de schaamlippen van het slachtoffer een beetje uit elkaar heeft gedrukt.
Elke vorm van binnendringen in het lichaam met een seksuele strekking valt onder de reikwijdte van seksueel binnendringen. De wetgever heeft geen beperking willen aanbrengen in de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen. Dat strookt met de bedoeling van de bepalingen, namelijk het beschermen van de (seksuele) integriteit van het lichaam. Zo kunnen ook ogenschijnlijk minder ernstige vormen van binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking als ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit worden ervaren en deze kunnen even kwetsend zijn als bijvoorbeeld gedwongen geslachtsgemeenschap.
Op grond van de verklaringen van het slachtoffer en van verdachte, is het hof van oordeel dat er bij het misbruik van het slachtoffer sprake is geweest van het seksueel binnendringen van haar lichaam. Door met kracht met de penis tegen de schaamlippen te drukken zijn de schaamlippen van het slachtoffer een ‘beetje’ uit elkaar gegaan. Verdachte heeft hiermee zijn penis tussen de schaamlippen van het slachtoffer gebracht en is derhalve, ook in zijn eigen lezing, bij het slachtoffer seksueel binnengedrongen.
Periode
Aangezien het slachtoffer is geboren op 30 augustus 1992 en de tenlastelegging is toegespitst op het seksueel binnendringen met iemand onder de leeftijd van twaalf jaren, zal het hof – evenals de rechtbank – 30 augustus 2004, de 12e verjaardag van aangeefster, als einddatum van de pleegperiode nemen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij 35 jaar oud was toen hij contact had met het slachtoffer en naakt met haar op de slaapkamer was. Gelet op deze verklaring van verdachte, en de inhoud van de verklaringen van [voorheen naam benadeelde] en [getuige] , gaat het hof – evenals de rechtbank – voorbij aan de verklaring van verdachte ter zitting bij de rechtbank en het hof dat de intieme relatie met het slachtoffer pas plaatsvond na 30 augustus 2004.
Het hof ziet geen aanleiding een kortere periode bewezen te verklaren, omdat de tenlastegelegde handelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden in de periode tussen 24 januari 2002 en 30 augustus 2004.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot dezelfde straf als in eerste aanleg aan verdachte is opgelegd, dat wil zeggen: een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij aan het voorwaardelijke strafdeel een bijzondere voorwaarde wordt verbonden in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer [voorheen naam benadeelde] .
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van zes maanden in combinatie met een taakstraf van 240 uren.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van [voorheen naam benadeelde] , dat mede bestond uit het binnendringen van haar lichaam. [voorheen naam benadeelde] was ten tijde van de handelingen nog geen twaalf jaar oud. Zij woonde in dezelfde flat als verdachte en kwam geregeld bij hem over de vloer om (met zijn zoontje) te spelen. Verdachte was ongeveer vijfentwintig jaar ouder dan [voorheen naam benadeelde] . Bovendien was [voorheen naam benadeelde] kwetsbaar door haar verstandelijke beperking. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen (lust)gevoelens. Het is algemeen bekend dat dergelijke delicten nog lange tijd negatieve psychische gevolgen hebben voor slachtoffers. Dat is ook in deze zaak het geval, zoals is gebleken uit de namens [voorheen naam benadeelde] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.
Op basis van de ernst van het feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, van langere duur dan in eerste aanleg door de rechtbank aan verdachte is opgelegd, zonder meer gerechtvaardigd. Het hof neemt op basis van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt.
Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 29 april 2025. Verdachte heeft een roerig verleden gehad, waarbij sprake was van een harddrugsverslaving en een criminele carrière. Na 2013 heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij volgde een klinisch traject en psychologische behandelingen, kickte af van drugs en werd ingesteld op medicatie. Sindsdien gaat het beter met hem. Hij is inmiddels jarenlang delict- en middelenvrij. Verder blijkt dat verdachte is teruggekeerd vanuit Mexico om zich te melden bij de politie voor deze strafzaak. Hij is bereid de consequenties van zijn gedrag te aanvaarden, ook als hij een straf opgelegd zou krijgen. De reclassering schat de kans op herhaling in als laag. Verdachte is goed in staat zijn leven adequaat en delictvrij vorm te geven. De reclassering acht een interventie of toezicht daarom niet nodig.
Het voorgaande vindt steun in het strafblad van verdachte van 17 maart 2026. Hieruit is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van verdachte bevat enkel feiten die plaatsvonden voorafgaand aan de in onderhavige zaak bewezenverklaarde periode.
Verdachte heeft grotendeels verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij komt op het hof schuldbewust over en heeft vanaf het begin van het strafrechtelijk onderzoek openheid van zaken gegeven. Bovendien heeft verdachte de voortvarendheid van het onderzoek ten goede gedaan door terug te keren vanuit Mexico en zichzelf te melden bij de politie. Desondanks is ook een zeer lange tijd verstreken sinds het onderhavige feit en heeft verdachte dit geheim al die tijd voor zichzelf gehouden, althans heeft hij voor de aanvang van het onderzoek op geen enkel moment de verantwoordelijkheid genomen ten overstaan van de autoriteiten. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met het lange tijdsverloop tussen het bewezenverklaarde en de strafoplegging.
Vanwege het uitzonderlijk lange tijdsverloop en de positief gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet het hof voldoende redenen om een aanzienlijk gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Om die reden zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal, in tegenstelling tot de vordering van de advocaat-generaal, aan het voorwaardelijke strafdeel geen contactverbod in de vorm van een bijzondere voorwaarde verbinden. Verdachte heeft gedurende decennia op geen enkele wijze uit eigen initiatief contact opgenomen met het slachtoffer. Ter zitting heeft verdachte aangegeven geen contact met haar te zullen zoeken. Het hof ziet geen enkele concrete aanleiding dat verdachte contact op zal gaan nemen en het handelen van verdachte na de bewezenverklaarde periode heeft uitgewezen dat er geen overlastgevend gedrag heeft plaatsgevonden. Om die reden acht het hof de oplegging van een contactverbod niet noodzakelijk.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ( [voorheen naam benadeelde] )
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 20.000,- aan immateriële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden gematigd, omdat onvoldoende duidelijk is welk gedeelte van de schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte en welk gedeelte is veroorzaakt door het handelen van anderen.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft – voor zover hier van toepassing – volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Uit de jurisprudentie volgt dat dit laatste in zedenzaken, zeker als daarbij sprake is van seksueel binnendringen, vaak het geval is.
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval met zich dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat zonder meer sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Daarbij heeft de benadeelde blijkens de bij de vordering gevoegde verklaring van de ontwikkelingspsycholoog last van PTSS-klachten. Zij heeft langdurige traumabehandeling ontvangen, maar zij zal haar hele leven last blijven houden van het misbruik. Het hof is van oordeel dat verdachte op grond van voornoemd artikel gehouden is tot vergoeding van die schade.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof is van oordeel dat de schade van de benadeelde partij valt onder de categorie ‘Ontucht met binnendringen: tamelijk ernstig’ zoals omschreven in de Rotterdamse schaal, gelet op de duur, frequentie en ernst van de seksuele handelingen. De in beginsel aangewezen bandbreedte voor schadevergoeding binnen deze categorie betreft € 1.500,- tot € 6.000,-. Relevante factoren voor de omvang van het smartengeld zijn onder andere (IV) afhankelijkheidsrelatie of vertrouwensband met de dader, (VII) kwetsbaarheid en leeftijd en het leeftijdsverschil met de dader en (VIII) aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde. In het licht van het voorgaande weegt het hof mee dat benadeelde een kwetsbaar kind was. Ook weegt het hof mee dat er tussen verdachte en benadeelde een groot leeftijdsverschil bestond in combinatie met een ongelijke (afhankelijkheids)relatie. Daarbij merkt het hof op dat de Rotterdamse schaal nadrukkelijk ziet op verschillende vormen van ontucht met seksueel binnendringen bij benadeelden tot 16 jaar oud. In het onderhavige geval was benadeelde zelfs jonger dan 12 jaar oud ten tijde van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Dit is een wezenlijke omstandigheid die het hof meeweegt als relevante factor voor de omvang van het smartengeld.
Gelet op de toelichting namens de benadeelde partij, de relevantie van voorgaande factoren en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, acht het hof smartengeld tot een bedrag van € 10.000,- billijk en zal de vordering tot immateriële schade voor dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige gedeelte van de vordering kan het hof in deze procedure niet vaststellen dat dit veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert om die reden een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade door de benadeelde partij is geleden. Het hof kan in dit geval echter niet vaststellen wanneer de schade precies is geleden. Het hof zal daarom ten aanzien van de aanvangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente uitgaan van einddatum van de bewezenverklaarde periode: 30 augustus 2004.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ( [voorheen naam benadeelde] )
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ( [voorheen naam benadeelde] ) ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,- (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] ( [voorheen naam benadeelde] ), ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,- (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 augustus 2004.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. J.L.F. Groenhuijsen, voorzitter,
mr. O.G. Schuur en mr. M.E. van der Werf, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 29 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.